Het Antropoceen, ach ...

Niets belemmert een soort te stranden in het absolute, vooral niet de rechtopganger van de laatste honderduizenden jaren, de energie-ophoper die slaaf werd van zijn eigen overmaat. En stranden doe je groots, vele soorten met je meeslepend de afgrond in, de diepzee in, tot op de bodem van het evolutionaire afvoerputje. Dankzij de wetenschap zijn wij de perfecte boekhouder. Alle uitstoot, alle smelt, alle opwarming: het wordt keurig gemeten, bijgehouden, vastgelegd, in grafieken getoond. Geen CO2 deeltje wordt gemist. De mens dacht op het licht af te gaan, ontdekte het lichtend, verlichtend gebruik van vuur, warmde zich, bedreef landbouw, smeedde het ijzer toen het heet was, bouwde steden op, beschavingen, politieke systemen, kerken, geldsystemen. Was deze tocht, - hoewel altijd al een sparteltocht, een dwaaltocht, met winnaars en verliezers -, was deze doelloos, zinloos, hopeloos? Nee, zeker niet. Toch?
Werd het dan zinloos, hopeloos toen de planetaire grenzen werden overschreden met wat al vele millennia door de mens werd gedaan, hoewel de laatste eeuwen steeds geconcentreerder, steeds intensiever, ja: steeds succesvoller? Zo ja, Wat een omkering dan toch van één en dezelfde richting van eeuwige evolutionaire principes! Waarom eigenlijk dachten we die overshoot wel weer in de greep te krijgen? Dat idee correspondeert toch niet met precies dezelfde evolutionaire groeiwetmatigheden en oorspronkelijke oorzakelijkheid van rechtopgang waardoor precies die overshoot werd bereikt? Het Holoceen werkte er aan mee, het werkte versnellend van wat allang gaande was: overheersing van één soort tot aan de grootste geofysische kracht. De afgrond roept ons nu en wij spartelen amechtig tegen. Waren we tot voor kort nog verliefd op de hoogste pieken van energietoevoeging, nu voelen wij ons bedrogen door precies hetzelfde, terwijl we de hoogste pieken nog steeds aan het opvoeren zijn inclusief die andere piek, genaamd overbevolking.
Nu we de ondergang toerennen met gezwinde pas moet dat toch ook wel op een soort van verlangen duiden, zou je zeggen. Verlangen naar instorting, waarom ook niet als zij toch al onontkoombaar is? Waarom dan nog zo krampachtig vasthouden aan valse hoop? Als het toch moet, dan ook maar snel – toch? Het Antropoceen is de nachtmerrie waarin wij door onszelf worden verzwolgen in plaats van door spoken, draken en goden. Deze duizeling wordt onze wet, laten we dan haar bovenaardse stralenkrans dragen zoals we een lintje van de koning dragen: trots, met de borst vooruit, als de kroon van onze val, de val die ons van de troon stoot.
Ontkroonden, onttroonden van deze aarde, verenigt u! En zwaai trots met de scepter der scepters, draag de vlag der vlaggen, draag het kruis der kruizen, om de nacht met nieuwe pracht te eren. Laten we die grootse val, (zeker niet banaal, zeker niet), laten we die in in de vervulling van vervuiling en verhitting verheerlijken en heiligen met de modernste symbolen van materialisme, nationalisme, polarisatie, oorlog en geweld. Vallen is de regel, maar de Antropocene val is uniek in haar schoonheid, haar schoonheid die de ascetische en duurzame pijn des vleses met zich mee zal brengen. Het zal de schoonheid van imperfectie zijn, de schoonheid van chaos&ellende, de schoonheid van lijden. Het is de ultieme val, het carnaval van de geofysische Tijd, de hele planeet een circus, omgeven met het aureool van een in de prachtigste kleuren aan het firmament uitbarstend vuurwerk van heb ik jou daar gelijk een exploderende ster, zoals alleen een compleet sterrenstelsel uiteen kan barsten waar vele lichtjaren later ergens iets van wordt vernomen in een andere uithoek van het universum.

*

De liefdevolle samenhang van de veranderingen in dit Fuiktijdperk kunnen ontleed worden naar hun ruimtelijke, aspectuele en temporele componenten. Ruimtelijk: grootschalige ellende ‘daar’ zal ellende ‘hier’ met zich meebrengen. Daar en hier zijn met elkaar getrouwd. Aspectueel: watertekort wordt voedseltekort wordt maatschappelijke chaos wordt instorting. Watertekorten, voedseltekorten, maatschappelijke chaos: ze houden van elkaar, ze besmetten elkaar met hun liefde. Temporeel: ruimtelijke en aspectuele besmettingen moet men altijd even de tijd gunnen om tot bloei te komen. Ze gedijen goed, zeer goed bij elkaar overtroevende domino-effecten. Zo komt dit hele Fuiktijdperk tot grote bloei. Het blijkt liefde te zijn, één en al romantiek. We moesten maar begeren wat we over onszelf afroepen. Het is liefde die zich uitkotst over de lotsbestemden. Onze lotsbestemming wordt een kotsbestemming, uitgekotst door Moedertje Aarde zoals Jonas door een walvis, zoals een babytje door haar baarmoeder, zoals een dooie door het leven. Eén en al bevrijding. Wanneer wij vallen voor deze bekoring van het Antropoceen – haar buik, haar billen, haar bieflappen – speelt alles zich af gelijk wurgseks. Dergelijke seks schijnt a-dem-be-ne-mend te zijn (het woord moet een minuutje of wat worden uitgerekt) en komt nogal voor in de mensen-, dieren- en tijdperkenwereld. Echte Waarheden brengen de extase van verstikking met zich mee. Verstikking van het oude bevrijdt het nieuwe.

*

Het drama van de huidige wereldonttakeling is dat we er de voortuitgang van kunnen meten. Ah, gelukkig, toch nog vooruitgang. We mogen vol bewondering zijn over dit post-Holoceen. Alleen al omdat zij haar daden magistraal in cynisme omzet. En andersom. We moesten haar heldendaden maar romantiseren, poëtiseren. Er wordt immers een compleet nieuwe variëteit aan verbijstering geopenbaard.  

*

Telkens als de toekomst ons naar de strot grijpt, hebben wij de indruk dat we door de genadige schoonheid der imperfectie worden getroost. Genade, schoonheid, imperfectie: het is de heilige drie-eenheid die het mogelijk maakt om niet de fabricagefout te willen herstellen waar nu het universum zo duidelijk de sporen van nalaat. Het Antropoceen is niet een plotse heftige kwaal die ons steekt, het behoort tot de categorie van langzaam opgebouwde, doffe, aanhoudende, voorlopig te dragen kwalen, die bij onze dagelijkse sleur horen als seks en tandenpoetsen en ons net zo zorgvuldig aanvreten als de Tijd zelf. 

*

Rechtopgang, we hadden er nooit aan moeten beginnen. a. het is vermoeiend; b. het druist in tegen de zwaartekracht; c. kijk eens tot welke planetaire overshootshit het uiteindelijk heeft geleid; d. het is niet goed voor de rug.

*

We dronken melk, we werden groot en sterk als Japie. We reden hard, we scheurden stoer als Japie. Plots, vallend met de deur in huis: het Antropoceen. De remmen doen het niet – probeer jezelf nu maar eens te oefenen in ongeluk. Probeer gewoon, er is geen ommekeer. Er zijn slechts vingers op zere plekken. In de verte zweeft iets langs, jong wild verdwijnend als verdwenen vliegen, muggen, knutten op de schone kentekenplaat van Japie en zo loopt tussen dood en leven een dun lijntje van een zwetend tijdperk. Hoeveel pracht en praal - van opwarming, van uitsterving - , mogen wij genieten? Sta nooit nodeloos op, sta op voor zessen klaar, al weet je niet voor wat. Al is ’t maar voor ’t behoud van aftakeling, afbraak, verval. Of bij voorkeur de toename ervan.

*

Om de wroeging over de onontkoombare reacties van het Antropoceen te compenseren, neem ik op voorhand alvast de afslag naar de aftakeling, hunkerend naar vuil en verderf. Ik ken die snoevende, stinkende, honende, het lot van de aarde tartende armoedzaaier die men mens pleegt te noemen. Onverschillig om zijn succes dat falen werd doet de planeet wat het moet doen, ook al gaat dat een nogal treurige, trieste, tragische aanblik leveren. Hier is dan, zeg ik tegen mezelf, het negatieve hoogtepunt van een soort, zie hem aan, zie hem staan, zie hem gaan. Hier is hij, als een naaktslak zonder huis, het wezen dat aanspraak maakt op een goddelijke afkomst – die een deerniswekkende valsemunter werd, een maffiabaas van het in het Niets verdwijnende absolute. Hier moest hij uitkomen, bij dit Fuiktijdperk, monster door geen engel aangeraakt, in gekrijs gebaard, in doodsnood zijn laatste rochel uitrochelend. We zien nu de doffe wanhoop van spermatozoïden die niet wisten waar ze aan begonnen, hun eindstadium bereikend, hun voltooiing vervolmakend, de doodbidders van de soort. Iedere onschuldige zoals ik wordt meegezogen, meegetrokken, neergestort in een graf van tandengeknars. Ligt hij straks te pralen in zijn kist, het mensexemplaar? Neen, want ook kisten zullen te maken krijgen met dramatische schaarste en hevige tekorten.

*

Het Antropoceen, ach, het boeit ons alleen maar door haar tegenstrijdigheden, door de spanning tussen haar impulsen, door het schisma van haar neigingen en haar dynamiek. Een exemplaar van het diersoort genaamd mens – we kennen hem, in al zijn gekkigheden - is daarom enkel en alleen nog van belang in de mate dat hij zich vergist in wat nu gaande is, in wat hij wil tegenover wat hij niet wil, in waar hij van houdt en wat hij haat. Alleen wie  hoog- én minachting kan opbrengen – (het is beide, de mens moet nu kunnen wisselen van perspectief gelijk een kameleon; en hij moet zijn kop in het zand kunnen steken ...) -, kán opbrengen en wíl reserveren voor fatsoen of weldenkendheid is het waard om gestort te worden in het Antropoceen, het tijdperk der Chaos&Ellende. Wij allen dus. Laat ‘m zich terugtrekken, die mens: zijn menselijkheid raakt nu toch wel zo’n beetje opgebruikt? We vervangen Godt zo goed als we kunnen want elke Godt is goed. Zolang Hij ons verlangen naar ondergang maar laat duren en duren. Elke verovering – technologie, rationaliteit, ‘Verlichting’ – bracht een verlies met zich mee en alle veroveringen samen werden tenslotte een bevestiging, een amen: planetaire overshoot – die ontwricht, die doet instorten, die vernietigt, die doodt. De aanloop naar het Antropoceen: op elke stap voorwaarts volgden twee stappen achterwaarts. Een getrappel van jewelste in de achteruitstand die – let op de gekkigheid -, met de wijsheid van achteraf abusievelijk als Vooruitgang werd gedacht. Maar we zagen het niet, we konden het niet zien, we zagen alleen die stap voorwaarts. Terwijl de mens zich intussen liet leiden, liet verleiden door de luchtspiegeling van de Vooruitgang. Dat maakt zijn aanspraak op scherpzinnigheid, op redelijkheid, op weldenkendheid lachwekkend. Vooruitgang? Ha, ha, ha, ik bedoel maar. Misschien in de hygiëne … Maar verder? Het leidde tot een reeks roemvolle rampen. Wanneer we nu moesten kiezen tussen het stenen tijdperk en dit Fuiktijdperk van Chaos&Ellende … dan nog kozen we blind voor dit Fuiktijdperk. Wie laat zich nu immers zijn verworvenheden, zijn genietingen, zijn reisje Bali, en zijn inertie afpakken? Wie zou te goeder trouw kunnen kiezen tussen die twee tijden? Ons kapitaal aan ongeluk bleef door de eeuwen heen intact; toch hebben we een voorsprong op onze voorouders: wij hebben dat kapitaal beter belegd, beter georganiseerd. Omdat we er onze Ondergang mee hebben voorbereid. Het is het betere kapitalisme.

*

Er zijn lieden, beste lieden, niks-mis-mee-lieden, die denken dat de ontwikkelingen in de sociotische aspecten zich nog in een andere richting kunnen bewegen dan de ontwikkelingen in het ecotische domein - die overduidelijk een hardnekkige langetermijnverslechtering laten zien. Zij weigeren kennelijk om alles te zien onder één en dezelfde noemer: leefbaarheid en haar tegenovergestelde, overeenkomstig evolutionaire patronen. Wat betekent verslechtering van leefbaarheid? De systeemwetenschappers kunnen het mooi beschrijven en toch houden zij eeuwig en altijd een probabilistische voorzichtigheidsslag om de arm. Daarvoor is het kennelijk wetenschap. Of is het gebrek aan lef? De slingerbewegingen in het sociotische houden uiteindelijk geen stand, zolang en wanneer alle overshoot toeneemt – en dat doet het. Het  sociotische veerkrachtballetje kan heen en weer rollen, ook even de goede kant op, terwijl het gootje waarin het rolt een steeds steilere glijbaan wordt. ‘De goede kant op rollen’ kan dan slechts tijdelijk zijn. Het balletje verplaatst zich, ondanks heen en weer, op langere termijn in de richting van de afgrond der ondermijning, afbraak, vernietiging, verderf - het kan niet tegen de zwaartekracht in blijven rollen. Dat is de harde dynamiek die gaande is. Op een gegeven moment kan het balletje niet anders dan in de afgrond storten. Valt dat nog onder de 'diepe onzekerheid' van de systeemwetenschappers? Of is het 'de zekerheid van de onzekerheid' die de 'onzekerheid van de zekerheid' is?

*

De gaande dynamiek van energie, Werking, Wording het doet nu ons Fundament schudden op zijn grondvesten. Ons Fundament, ons huis – het doet nu de materie schudden; de materie – het doet nu ons leven schudden. Er wordt danig en woest geschud aan de boom waar wij als rotte appels uitvallen. Er wordt aan de deur geklopt, hard geklopt, harder geklopt, ondragelijk gebonsd. Neen, ik doe maar beter niet open, ik hebben er de kracht niet voor, de heldere staat van geest niet. Omdat ik niet in staat ben om de helderheid van de komende Chaos&Ellende te doorleven … wacht ik die maar af. Met hoeveel illusies toch moet een mens geboren zijn om in dit Fuiktijdperk er elke dag ééntje te kunnen verliezen om op 't eind van de rit op nul uit te mogen komen? De tijd die mij scheidt van mijn lijk is een feest van desillusies. Toch heb ik aan het eind van iedere dag vergeefs verlangt naar het stoppen van mijn adem, vergeefs verlangt naar het verleidelijke graf. De mens heeft nergens haltgehouden … en zo zijn einde versneld. Als een dier zonder toekomst heeft hij zich verloren in zijn eigen droomwereld, is hij vastgelopen in het spel, heeft hij het decor het toneel opgetrokken. Omdat hij zichzelf zonder ophouden wilde overstijgen raakte hij verward, verstrikt, verlamt in Antropocene dwaasheden en wanhoop. Er blijft voor hem geen andere uitweg over dan zijn dwaasheden te tellen … en er nog een paar, wat zeg ik?: er nog vele te begaan … . Wat is hij anders dan tijdelijk gewerveld uitschot?

*

Het Antropoceen bleek niet ons hoogste genot te zijn. Of juist wel? We hebben er immers naar toegewerkt als onze eindbestemming. Moeten wij nu aanbidden wat we verafschuwen? Moeten we nu verafschuwen wat we in het verleden steeds aanbeden hebben? Waarom hiertegen in opstand komen, tegen dit systeem van wanorde? Chaos&Ellende, ja, het is een systeem, een duidelijk systeem, een planetair systeem. Het kan niet anders dan systemisch reageren. Laten we dan onze illusies over de toekomst ontkrachten – om ze krachtiger te maken. Illusie, wat is het anders dan desillusie? Illusie, desillusie, dat is toch om het even? En toch blijven wij nog nieuwsgierig verlangen, - wat moeten we anders - , naar een voorziene, vreeswekkende en vruchteloze ontknoping van de formule van afbraak. Een formule, een wet. Nieuwsgierigheid naar deze wet en de verschillende stadia van de Antropocene aftakeling is nu nog de enige goede reden om oud te worden. Het motiveert mij; voor deze Apocalyps wil ik desnoods nog wel uit mijn stoel komen - het geeft me kennelijk nogal energie. Ik leef nu eenmaal, dat is het: daar is niets meer aan te doen en laten we er dan ook maar de beste treurnis van zien te maken die er te treuren is. Maar mijn visie op de toekomst is zo exact dat, als ik nog geboren moest worden, ik mezelf terstond en ter plekke zou wurgen.

*

Te breken met je volk, met je taal, met je voorouders, met de goden. Te breken met een complete planeet. Het is een heldhaftige beproeving van dit bijzondere tijdperk, dit Tijdperk der Tijdperken die de trotse Koningin der Koninginnen is. En eindelijk komt haar volk, haar zoemende volk bij zijn ware bestemming. Onheil van vroeger, van bijvoorbeeld het uitsterven van de dino’s, heeft als voordeel dat we er de goede kant van kunnen inzien: het maakte juist veel mogelijk, het maakte nieuw leven mogelijk, het maakt ons mogelijk: de mensaap, de aapmens. Het onheil van nu, bijvoorbeeld het uitsterven van deze aapmens, heeft als nadeel dat het ons belemmert er de goede kanten van in te zien. Misschien moeten we weer eens zestig miljoen jaar verder kijken, om het heil van het onheil in kunnen te zien.

*

 

Maak jouw eigen website met JouwWeb