Toonzetting en afstemming.
Dit tijdperk zet de toon, en wij kunnen er al dan niet, beter of slechter, op afstemmen. En lachen, blijven lachen, dit wordt de tijd die giert en gilt en galmt van de zenuwlach gelijk een echoput. Een scherp gevoel maakt de geringste foltering tot last – die door de lach gecompenseerd dient te worden. O de gelukzaligen, de planten, die zenuwlozen. Waren wij maar zenuwlozen, de Voorzienigheid zou ons genadig zijn en wij de Voorzienigheid. Maar ja: planten lachen niet. Wat nu ongenadig toeslaat, moet toeslaan, is precies is het gevolg van de gezenuwden, van de lachers. Hun bedrading, hun gevoelige bedrading, waar ze zo mee pronkten en nog steeds pronken heeft precies tot de congestie, tot de obstipatie geleid die dit tijdperk zo kenmerkt. Een gezenuwde kan lachen, een stoïcijn kan lachen, een cynicus kan lachen en het lachen zal hem voortstuwen. Een geboorte produceren brengt dezelfde lach met zich mee als een begrafenis en het was Godt zelf die zag dat hij blij werd van de lach. De lach was goed, zeer goed. Het was ook de lach van de dag, de lach van de eeuw, de lach van een tijdperk, het was de laatste lach die de beste was, de lach van een soort, de kampioen van de evolutie. De vonk tot de lach ontsprong aan het vrolijke zwemmen der spermatozoïden. Wij geboortelingen werden gewoon meegesleept in het sleepnet dat voor ons ontworpen was door de evolutie. Het vergde weinig. Weinig lenigheid, weinig vasthoudendheid, weinig volharding, enkel spartelen in vruchtwater. En daarna wroeten, voortmodderen en toch best wel moeite en zweet op de kop. En lachen dus. We namen de moeite tot de lach en zo zetten wij de toon en stemden we ons af op wat nu tot ons komen gaat.
*
Hoezeer verafschuw ik de weeë schimmen van dit Fuiktijdperk. Zij is de verzieker van ons feestje, de domper op de kroon van de schepping, de kroon die wij zelf zijn, zij is de dictator van onze aftakeling. Zij brengt ons de vervolmaking, de voltrekking, de voltooiing van verschrikking, verdrinking, verdroging. Er zal geen rust meer zijn in de verzenging van haar verwoesting, zij zal zich voltrekken als de Koortsdreun van de schepping, als de Zonnesteek van het universum, als het kopschot in het slachthuis. Er zijn ergere dingen dan dat. Erger is om onder het gesternte van haar chaos&ellende in leven te moeten blijven met rondom lijklucht hangend aan onze kont.
*
Uit pure solidariteit met het onlangs gestorven Holoceen, en met een realistisch beeld van de toekomst lieten wij ons vooralsnog comfortabel wegzakken in voorstellingen over chaos en ellende die over ons komen gaat en die ons nog eens extra zal binden aan ons bijzondere zenuwstelsel. Op welke drempel staat de mens, aan welke rand van welke afgrond? Was het eenvoudiger te leven met het feit dat wij binnenkort langer of korter durend in ellende&chaos komen te verkeren dan met de gedachte om vervolgens in ongenade te moeten sterven? Kunnen wij dit ontkennen door de gedachte uit de weg te gaan, of moeten we juist die ontkenning ontkennen door de gedachte te omarmen? De levenden maken zich vast drukker om de doden dan andersom. Het dodelijkste zijn, zoveel is ons nu wel duidelijk, is het weliswaar unieke bewustzijn van een soort, een soort die de fout maakte om rechtop te gaan lopen, een soort die op de kosmische tijdschaal om duistere redenen in een zucht en in een mum ooit eens was, dronk een glas, deed een plas, soms in zijn hum, vaak ook uit zijn sas. Het menselijk bewustzijn bleek het toppunt van lijden te moeten zijn, vierdubbel lijden, we noteren: 1. De oorzaak van kunnen lijden op goddelijk nivo; 2. Als weethebber daarvan; 3. Zich kunnen inbeelden van wat hem nu te wachten staat; 4. Het genot van het fysieke lijden door zijn zwakke zenuwen. Het zijn geen losse flodders, het is een eenheid van samenhang. Het is het lijden dat weigert ook maar een seconde te verzuimen. Het is het lijden dat aanbeden dient te worden. Het is het lijden van het Antropoceen. Het Antropoceen dient aanbeden te worden. Het is het hosanna van de tijd der kosmische en komische tijden, van minuut tot minuut.
*
Van iedere minuut denk ik 61 seconden aan het Antropoceen. Liever was ik een ding geweest, bij voorkeur een steen, al sinds die droom maar niet vervult wordt. Ik vrees de draaikolk der dagen waarin wij meegezogen worden. Hoe moeten wij het gezwel definiëren dat tot planetaire overshoot heeft geleid, dat kankergebroed dat van zichzelf dacht het gekrioel van de andere levende wezens te zijn ontstegen, het virus dat de builenpest ruimschoots overtrof, het gedrocht dat bezig is aan zijn laatste stuiptrekking? De geest bloeit op bij het naderen van zoveel einde, zijn mislukking verkiezend boven de natuur, vastlopend in gezond uitsterven, van eerste Adam tot laatste adem. De ultieme laatste adem, de onomkoombare laatste adem, de volmaakte laatste adem waaraan zoveel absurdisme is voorafgegaan, zoveel zijnspijn dat het lachen moest worden uitgevonden. Wat is de mens anders dan een fenomeen van rampspoed?
Terwijl alle andere wezens hun natuurlijke plaats innamen, bleef de mens een metafysisch zwerven schepsel, verloren in het leven, niet op zijn plaats in de Schepping. Niemand heeft een aannemelijk doel van de geschiedenis gevonden, maar iedereen heeft er wel een voor ogen en dat levert zo’n kakofonie aan doelen, aan religies, aan overtuigingen op dat ieder idee van doelmatigheid er door wordt opgeheven en vervluchtigd tot een bespottelijk hersenspinsel. Wat is dan nog de zin van de tijd die zich gehecht heeft aan de hoogmoed van geboren te zijn geworden? Te moeten geboren zijn geworden? De diepste goddelijke nederigheid van de hoogste mystiek is die der ongeboren te zijn gebleven. Wie daarin slaagt is een mysticus die alle geleefd moeten hebbende mystici naar de kroon steekt. Een nog levende mysticus dient zijn verlaging tot martelgang tot het einde vol te houden, tot zijn gewenste einde. Het is het Antropoceen, dat theatrale tijdperk, dat in staat mag worden geacht om dit gewenste einde te versnellen.
*
Binnenkort in dit theater: negen miljard mensen! Hoe meer mensen, hoe meer beelden van het goddelijke! Het wordt feestelijker en feestelijker, het theater was al uit z’n voegen, uit z’n dak en zal nog meer uit z’n dakkie gaan. Het is het gaan van de banaan. De aapsoort mens vervangt het heelal met zijn kromme vruchtbaarheid en ’t genot zal van een kortgenoten duurzaamheid zijn. Bananen kunnen namelijk snel gaan rotten, dat is geen nieuws. Ons aapachtig geslacht en nageslacht mag getuige zijn van het uitsterven van zichzelf. De goden zullen deze verwachting uiterst goedgunstig gezind zijn. Persoonlijk zijn wij gelukkig wanneer wij afstand nemen van deze onze verantwoordelijkheid. Wij hoeven toch zeker geen onrust en verbittering op ons te nemen? Afstand nemen is echt niet eenvoudig hoor! Toch is het alleen dit streven dat ons tot bedaren kan brengen. Er enkel over mijmeren en onze mijmeringen consumeren, onze onschuldige mijmeringen. Onschuldig? Ja, ze stoten toch geen CO2 uit? Ze zijn toch geen snoevers?
*
Wij snoevers hebben het genoegen gekend een snoever te hebben gekend. Zelfkennis is de moeder aller kennis – die door de snoever moest worden veroverd op het snoeven. Hij bracht de wilskracht op de dingen helder te zien en desondanks bracht hij niet het standvastige vermogen op om tijdig teleurgesteld te raken in zijn eigen snoeven. Hij leek wel een politicus: een fenomeen die niet verder kon kijken dan zijn neus lang was. Een gesjeesde strateeg die de ondergang al eeuwenlang in zijn vestzak-broekzak meedroeg zonder hier ruchtbaarheid aan te geven.
*
Welk doel, welke missie, welke strategie heeft het Antropoceen zich toegeëigend? Waarin stelt zij zich authentiek autodidactisch op? Moet het woord ‘tragiek’ in haar definitie worden ingebracht? En ook het begrip ‘redeloos onheil’? Wanneer we haar liefhebben – en dat doen wij – hopen wij nog inniger met haar verbonden te raken. Dat haar slachtoffers hun tegenslagen zo goed en zo kwaad als dat gaat mogen verwerken, ook dat hopen wij. Er moet immers nog zoveel als mogelijk te hopen zijn. Er is iets onbetamelijks aan dit tijdperk, maar wat? Wij krijgen er maar geen grip op. Gelukkig zal ons piekeren worden ingehaald door het tijdperk dat ons zal inhalen. Wij kunnen uren, eeuwen, eeuwigheden verspillen met tobben – terwijl dit Fuiktijdperk haar aanbidders in een zucht en een scheet verspilt. Wat valt er nog voor of tegen deze evidentie in te brengen? Welke leefwijze moeten wij er nu op nahouden? Op z’n minst een voorlopige, als doorreis naar een doodsreis. Als het Antropoceen ons zulke geweldige voorbeelden van onthechting levert, waarom dan zouden we ze nog in het Holoceen zoeken? Berichten die nu tot ons komen, waarin duidelijk is dat het heil van onheil ons bezwangert, zijn al snel verheugend. Dodelijk vermoeiend eveneens, onverenigbaar met doorgaan met ademhalen. Het nodigt uit om alvast in onze kist plaats te nemen, met een gelukzalig wegsterven in de Grote Versuffing op de drempel van dit laatste stadium. Gelijk het met een glimlach of grimas wegzinken in het voor eeuwig weggezonkene, in een Grote Waarheid.
*
Het Antropoceen: een Grote Waarheid die zich met weinig woorden hoeft uit te drukken. Wie teveel reflecteert op wat zich ook wel zonder reflectie voltrekt – kortom: wie teveel over haar uitweidt – verkracht haar. Ben ik haar nu dan aan het verkrachten? Of misschien zij mij? Is de site Antropoceen-reflecties.nl haar aan het verkrachten of andersom? Laat Godt, of zijn rechterhand, of de rechter oordelen. Ik ben haar stalker, zij stalkt mij. Zij bepaalt de kleur van mijn gedachten, de melodie van mijn gemoed, het ritme van mijn botten. Men kan zich geen muzikaler stalker wensen dan ik, maar wat kan ik daar aan doen? Wat kan zij daar aan doen? Zij zal ons haar sores, haar grillen, haar grappen, haar grollen opleggen. Toekomstig onheil bestaat uit een atonale gesteldheid van botten en organen. Meestal is het onder invloed van een suïcidale stemming dat men op haar verzot raakt. Welk licht werpt dat op het verdere verloop van onze innige relatie? Hoe groot nog het verschil tussen een sterveling en een stervende, alhier in dit Sterftijdperk? Zij bewijst haar nut door ons van een Lotsbestemming te voorzien. De enige noemenswaardige gebeurtenissen in een leven zijn de veranderingen, groot en klein, en daarin zal zij ons ruim voorzien, in een schrijnende richting van een miserabele orde, step by step, day by day, zoals de Engelsen dat zo fraai op z’n Engels kunnen uitdrukken. Let vooral op de haast die ze gaat maken. Hurry by hurry, fail by fail.
*
Onze kop in het zand stekend wissen we het liefst de beelden van onze toekomst. We spoelen ze van ons netvlies, we zetten onze mooiste oogkleppen op – en dweilen onze kraan nog verder open, met AI, met airco’s, met tel maar op. Het gaat, het gaat nog steeds, het gaat zo goed en zo kwaad als het gaat en zolang het gaat, gaat het. Het gaat als een speer die zich in het hart van de existentie zal boren. Het gaat als een banaan die voor boemerang zal spelen, het zal gaan tot het gaatje, tot het naadje van de kous die alles weet van de klepel, maar niets van de klok. Terwijl het nu juist de klok is, de klok, die tikkende tijdbom, die tikt zoals ie getikt is op vijf voor dertien en wie niet weg is is gezien. En in plaats van onze verrotting in de lethargie van de ondergang weg te tikken, wasemen we zweet uit en blijven we maar naar adem happen in steeds verstikkender lucht, stank en bloeddorstigheid. De walmen spreiden zich uit van de evenaar naar de polen van de toekomst, aangejaagd door de energieke koorts die eigen is aan blinde afgrond. Het huilen zal ons nader vergaan dan het lachen, maar waar blijven de tranen? Ze zijn al door de hitte verdroogd voordat ze naar buiten wellen. We zijn veroordeeld tot het martelaarschap van het droge oog en de holle lach. Geschreeuw, gevloek, getier, gekrijs, de zelfkastijding van nagels in het vlees, en de vertroosting van de zelfmoord zullen gaan behoren tot het toekomstige arsenaal van onze therapeutische gereedschappen in onze poëtische gereedschapskist, in onze schilderachtige schildersdoos, op de bodem waarvan nu reeds de zondebokken liggen in de vorm van gelukzoekende klimaatvluchtelingen, linkse politici, woke milieuwetenschappers en de eliteclub der zogenaamde beleidsmedewerkers.
*
Er zijn inmiddels zoveel vage, verontrustende waarschuwingen die ons wijzen op onze excommunicatie uit de boezem van de tijd – de tijd die ons gebaard heeft -, dat geen enkele oproep of pleidooi meer zal werken. Baren en ontbaren: de mensheid werd het leven ingekotst, de mensheid wordt er weer uitgekotst en het uitkotsen heeft een aanvang genomen. Het is een sensatie die de planeet doet sidderen, een planeet met het zweet op de kop om vervallende soorten te doen sterven, en die reeds nat in het kruis is van nieuwe barensmogelijkheden, om nieuwe, frisse, verse soorten te doen ontstaan, al zal ’t nog miljoenen jaren duren. Eerst moet met het oude worden afgerekend, de huidige soorten, de soorten die zullen moeten creperen onder de – onbedoelde zullen we zeggen - moordzucht van één hunner. Het kritische punt van de vitaliteit van deze soort die de moordzucht vertegenwoordigt, is niet haar onbestemde weerzin tegen alles, maar het is haar kracht om nog steeds, ondanks alles, ondanks haar bewustzijn van dit alles, nog steeds en immer verse vergissingen voort te brengen. Haar aderen drogen uit van de hitte, haar ziel verdort, haar wanhoop bereikt een kookpunt, en haar dromen worden tot zoutpilaren. En toch: de versheid van haar vergissingen blijft elke houdbaarheidsdatum overschrijden en haar lot wordt het voedsel van de wormen, van de maden, van de strontvliegen, van de aasgieren. Het wachten is slechts nog op het nekschot, het genadeschot, dat, wanneer goed gemikt, een schot in de roos zal blijken te zijn.
Maak jouw eigen website met JouwWeb