Toonzetting en afstemming - Het Antropoceen zet de toon, wij hier stemmen er op af. Tijden van expansie zijn tijden delirium en vunzigheid. Daarmee vergeleken zijn tijden van afbraak niet meer dan redelijk want logisch want hygiënisch. Niets laat zich wat dat laatste betreft vergelijken met het ontwaken in het Antropoceen. Het werpt de evolutie van het leven miljoenen jaren gelijk een Grote Schoonmaak terug tot de eerste voorboden van het zijn, tot het principe van de melancholie en het lijden zelf, tot het gekruisigd geboren zijn, tot de esthetiek zelf. Dit tijdperk zal onverzoenlijke oordelen vellen over het rijk der levenden en het zal worden opgesmukt met een nog groter rijk der doden. Ons lijden mag geen tijdelijk modeverschijnsel meer zijn. Zij dient op een hoger level te worden gebracht, tot een hoger plan, met een hoger doel, tot het hogere doel der duurzame opheffing die een zelfopheffing is, een opheffing van een zenuwlijer, van de zenuwlijer bij uitstek. Lijden van ongekende orde wordt zijn trots en toeverlaat, hij zal het koesteren, hij wil er niet meer zonder, hij kan er niet meer zonder. Maar ’t zal moeten worden beëindigd en de beëindiging zal absurdistisch zijn, tot het kosmische aan toe, tot het komische aan toe, tot het tragische dat het kosmisch komische is aan toe. De originaliteit van het komende lijden zal haar uniciteit zijn, haar eenmaligheid, haar uitstervelijkheid. Het is het raffinement van de evolutie die zich zo nu en dan - niet al te vaak, dan wordt het saai -, die zich zo nu en dan voltrekt als massa-extinctie, waarvan het massagraf, bij het toekomstig gebrek aan delvers, massaal boven het maaiveld zal plaatsvinden. Ja, wij weten het, dit zijn grote woorden. Het zijn grote kwalificaties van een Grootse Symfonie – en dergelijke kwalificaties noemen wij hier, bij gebrek aan andere vormen van vooruitgang: geestelijke vooruitgang. Geestelijke vooruitgangers zijn stervelingen en de grootsten onder hen zijn de gestorvenen. En het voornaamste van hen is hun skelet, hun karkas, hun kadaver dat door aaseters des velds grondig zal worden bestudeerd, grondig van al het overbodige, van al het ongerechtige zal worden gezuiverd. Het is het tijdperk van het delirium van de skeletten, van de karkassen, van de kadavers, van de aaseters.
*
Toonzetting en afstemming - we namen de moeite tot de lach en zo zetten wij de toon en stemden we ons af op wat komen gaat, op wat ons verrijken zal. Wat een meesterlijk einde aan het Holoceen, wat een magistraal begin van het Antropoceen, wat een macht en kracht. Geen heerser, geen dictator uit de mensenhistorie zal er bij in de buurt komen. Sinds jaar en dag wordt er gestorven onder dictators, door dictators - geen menshistorisch stervensvermogen zal echter in de schaduw kunnen staan van wat de nabije toekomst vermag. En wat is uitsterving anders dan het zalige toetje, de engel die over je tong pist, de duivel die jouw tong aflikt op het menu van de kosmische ellende? Wij vernamen een aardige definitie van het Antropoceen: menu van Kosmische Ellende, waarvan wij hier vooralsnog enkel het voorafje mogen genieten - aan het toetje zijn we nog lang niet toe. Hoeveel gangen het menu bevat hangt af van het aantal obers en kelners dat er onderweg afvalt, door hitte bezweken, en hoeveel er nog overblijven naarmate de hoofgerechten heter en heter zullen worden opgediend. Wie dan nog aan het toetje toekomt, waarmee het hele diner wordt afgeblust, mag van de opperste genieting spreken.
*
Weet u, wij zijn het beu. Woorden zijn voor ons dusdanig heftig geworden dat alleen ermee in aanraking komen ons al traumatiseert. Onze PTSS werd veroorzaakt door de woorden. Sindsdien hebben we elkaar niets gezonds meer te zeggen en werken we elkaar alleen maar op de zenuwen. Sindsdien ook zijn wij in het meervoud gaan schrijven. Onze persoonlijkheidsstoornis werd meervoudig gelijk een Siamese zesling. En toen …, en toen werd het Antropoceen in het leven geroepen, we hadden iets om ons gezamenlijk op te richten, we hadden weer een doel in het leven en we gingen er vol voor. Het Antropoceen, tot dusver was dit onze stellige mening: de mens zal ten onder gaan. Inmiddels zijn wij van mening veranderd: de mens moet ten onder gaan. Dat is haar bestaansrecht, zij vervult gewoon een nuttige functie zoals een schoffel diezelfde functie vervult als het om onkruid gaat en dat gaat het. Zij zal haar taak met compassie en genegenheid volbrengen en lust en stank zal haar dank zijn - men moet lijklucht niet onderscheiden van lijklust. Haar empathische afkeer van al het menselijke is logisch verklaarbaar. Logica en empathie veronderstellen elkaar in dit geval. En toen ..., en toen bevloog een logisch en empathisch helder beeld ons, zoals wij ons ook een helder beeld kunnen verschaffen van hoe we zijn verwekt, met welk een enthousiasme of weerzin, en met welk een chaos en ellende tot gevolg. Zojuist hadden wij het gevoel dat het Antropoceen de verwekker was van precies hetzelfde, maar dan op een nog hoger level, op een verhevener Plan: Chaos&Ellende in miljardvoud. Werelden en schepselen draaiden kotsmisselijk en lijkbleek om haar heen zonder het geringste spoor van evenwicht. Het was wel evenwicht natuurlijk, maar dan van een veel hoger level, van een bovenmenselijk Plan. Wij zeiden het al: we hebben elkaar niets gezonds meer te zeggen. Houdt de zenuwen haaks!
*
Het is de zelfpenetratie van de Tijd wat zich nu in poëtische en romantische richting voltrekt. Augustinus zou er postuum nog een stijve van kunnen krijgen. Vroeger gingen we eraan, nu gaan we eraner, als je ’t uit-, om- en doorrekend. Het onomkoombare kernkantelpunt naar het Antropoceen is al in het ontstaan van een succesvolle soort gelegen, zo moesten we dat maar zien. En toch lijkt verzet geboden, lijkt, zo lijkt het. Alleen al, hoewel ongegrond, uit het vasthouden aan hoop. Als het Antropoceen ons geen halfvol glas schenkt, dan moesten we dat onszelf maar inschenken, zolang het noch kan. Of moeten we uit solidariteit met het onlangs gestorven Holoceen ons laten wegzakken in de chaos en ellende die noodzakelijkerwijs aan de vermissing van soorten voorafgaat? Nee toch? Die lol gaan we het toekomstig niet-zijn toch niet gunnen? Is het eenvoudiger om in het Rijk der Ellende te vertoeven dan in het Rijk der Er-Geweest-Zijn?
*
Sinds de Straat van Hormuz is afgesloten is er een tekort aan stratemakers op zee en de komende El Nino wordt een superfenomeen van de buitencategorie en de kunstmest is te duur voor de boeren in Global South. Tel daar de rest van de uit de hand gelopen wereldproblemen bij op en maak daar een heerlijke hutspot van en het zal smaken naar lijdensbloei. Lijdensbloei, het meurt ons in de neus, het heeft weinig specerijen nodig, het is van zichzelf al kruidig genoeg. Lijdensbloei brengt mooie kleuren met zich mee, van bloedendrood tot lijkenwit. Het smaakt naar meer, naar verbrand vlees, naar bitterkruid, naar patatje oorlog, naar de vergeten groeten van de verdroogde oogst, naar rotte tomaten, naar een gebrek aan kunstmest, naar leeggeviste oceanen en het toetje heet (heet!), hoe origineel: gesmolten ijskap, voor de grap afgeblust met uw ecologische voetstap. Het restaurant dat u dit menu serveert hoopt op een Michelinster.
*
Een universele schepping is gaande, schepping van goddelijk vermaak. We zullen om alles lachen. Om haar. En ja hoor, alsof je de duvel op z’n staart trapt, daar zul je haar hebben: mevrouw Antro, van achteren Poceen. Eenmaal het toneel opgesleept blijkt zij zeer talentvol te zijn. Grammy’s en awards verzamelend wuift zij haar charmes ons toe en er hoeft geen lachmachine meer aan te pas te komen, we kunnen het zelf wel af. We lachten ons dood, met hartverzakking en al. Geen zandzakken, nee, lijkwagens voor de deur van dit theater.
*
De activisten, die goedbedoelende lieden: zij willen hoopvolle transities en transformaties in gang zetten. Zij creëren zichzelf daarmee een betekenisvol doel in het hiernumaals van hun leven. Onze uitdaging is echter een andere: hoe transformeren we hoop naar troost? Welke verlossing kan troost bieden als er geen hoop meer is? Misschien moeten we de Engelenpracht van het Hiernamaals weer herintroduceren als troost om naar uit te kunnen kijken, om naar te verlangen. Een transitie van het denken en het voelen, zogezegd. En misschien moesten we het hiernumaals maar bespotten, de mens bespotten, onszelf bespotten. Onze wanhoop bespotten. Zelfs in tijden van Verval, juist in tijden van Verval bestaan er nog waarden: spot, cynisme, nihilisme. Is dat niet veel troostrijker dan de zelfkastijding van de activisten? Troost. Niet door Extinction Rebellion, maar door Exctinction Accpetation. The Exctinction of the Willing. Een gewilde onverhoopte manier om zich in te verliezen, om in te verteren, om in op te lossen als in zoutzuur, om ten onder te gaan met het beste van zichzelf.
*
De afstand tussen mij en Don Quichot is minimaal en Baron von Munchhausen is mijn broeder. Zo helder als zij de dingen zagen, daar ben ik jaloers op. Tot het einde der tijden aan toe hadden zij niet de wilskracht om teleurgesteld te raken. Dat is de houding die men moet beoefenen, in welke tijden dan ook. Dat is ook de houding die dit Tijdperk der tijdperken zelf dient te beoefenen. Zij schrijdt voort en zal nog het nodige te doorstaan hebben. Kiest het voor angst, onverschilligheid of onverschrokkenheid? Mogen wij hopen op een onverschrokken heden?
*
De taal des Doods. Deze spreekt zichzelf uit door de reeds gestorvenen en kan door de nog net niet gestorvenen nog even in mensenwoorden uitgesproken worden. Van de eersten horen wij geen jammerklacht, van de tweeden is deze niet te harden. Dat laatste irriteert ons mateloos. Omdat we er zelf toe behoren. Wij zijn het, die jammerklagers, die nog net niet tot rammelende karkassen zijn getransformeerd. Woordenloze soorten lijden de helft van woordensoorten – die immers ook nog lijden aan het lijden dat ze vrezen. Bewuste noodlotsbestemden zoals u en ik creëren zelf hun zelfbewuste noodlotsbestemming, zo is het nu eenmaal. Onheil - het is dat we het over ons afroepen en om die reden ook maar beter kunnen begeren.
*
Aangezien onze goddelijke tekortkomingen – waarvan niets bewijst dat ze niet menselijk zijn – geen oppervlakkige toevalligheden zijn, maar de kern van onze natuur, kost het ons weinig moeite om ons het verdere verloop van het Antropoceen voor te stellen. Wie echter een tekort aan voorstellingsvermogen heeft, is de eigenaar van een probleem. Welk voorstellingsvermogen bezat de Baas van Genesis? Ontdoet hij zich nu van een soort die Hem begon te beconcurreren? Welk deel van de mislukking hoeft niet de mens, maar Hem worden aangerekend? Mislukken is ook een vorm van lukken. Wij zijn er niet gerust op: het feestje kan nog verstoord worden door de activisten. Wat willen de transitie-activisten nu eigenlijk, dat het Antropoceen lukt of juist mislukt? Het Antropoceen, het is de Grote Evacuatie, de evacuatie van een soort, van vele soorten. Maar … grote vraag, klein antwoord: waar naartoe? Als bestemming Mars er niet in zit, dan maar richting Rijk der Hemelen? Maar ook dat zal, zo vrezen wij, enkel kunnen lukken via het voorportaal van de Hel. Het Antropoceen brengt soorten terug tot hun essentie: voorbijgaan. Overal dringt na het geween en tandengeknars het geluid van de stilte door – je luistert, je hoort niets, er is niemand om te luisteren, niemand om te horen wie horen wil. De zintuigen keerden zich niet meer om in hun graf, moegestreden, doodgestreden. Ze werden verzwolgen door het verstrijken van een tijdperk. Dat nadien zelf na haar sloopwerk van de dingen en de dageraad der dagen ten einde kwam. De arbeid was voldaan, de dingen waren goed: ze waren er niet meer.
*
Er schijnt een frontale hersenkwab in ons voorhoofd te schuilen, iets met verstand of zo, ik heb er verder geen verstand van. Het schijnt veel te doen te hebben, veel energie te kosten, zich druk te maken over dit&dat. Zoals niet-dood-willen. Terwijl: niet-dood-willen schijnt uitstel van executie te zijn zeggen ze. Waar verblijft de waarheidskwab? De kwab die beter weet? Waar vertoeft deze? Misschien moesten die kwabben eens wat minder vertoeven en wat meer alvast verwijlen in het verre wijlen. Hoe communiceren we zinvol met de oudste dus wijste kwab die in ons voortbestaat? En zich misschien niet zo druk maakt over het minieme verschil tussen zijn en niet-zijn? Is niet-zijn misschien een vorm van zijn zoals mislukken een vorm van lukken is?
*
We leven nog, nog wel. We leven in het hospice van de terminaliteit. We droomden van verre lentes, van de vergetelheid van onze geboorte, en we leefden van de ziekelijke pijn om altijd elders te willen zijn. Het aardse lot heeft ons gekluisterd aan de materie, de materie valt in de chaos waarin wij haar hebben gedwongen en wij vallen dusdanig mee dat het niet mee zal vallen. We hebben gesmacht naar een klimaatvriendelijke wereld en we kregen ‘m zowaar, gratis en voor niets: het Holoceen. En we hadden dit tijdperk zo lief dat we hem met onze liefde hebben vermorzeld, hebben verstikt, hebben gesmoord in energieke dampen. Wisten wij veel dat je een zo gunstig tijdperk niet zo heftig moest liefhebben? Liefde maakt blind en we deden maar wat en dat deden we met vuur en vlam, met steenkool en gas, en dat noemden we dan Vooruitgang. Het was de geofysica van de extractie die ons de geografie van het Niets zal brengen, via een logisch-noodzakelijke tussenfase: de geologie van chaos&ellende. De voltooiing van de zoete verdoving van een eenmaal opgeloste soort zal zich via de barensweeën van het sterven moeten voltrekken.
*
Konden we de tijd maar terugdraaien. Hadden we maar goede beslissingen genomen, op het juiste moment. Maar het lag ‘m natuurlijke aan de ander, aan de macht van de oliebazen, aan de zwakke politici, aan de veelvliegende massatoerist, aan de klimaatontkenners, aan het kapitalisme, aan de populisten. Het lag ‘m natuurlijk altijd aan iets buiten onszelf en buiten ieders zelf ligt nogal wat. We beheersen tot in de puntjes de kunst van de beschuldiging, we kennen het sacrament om onszelf vrij te pleiten uit ons hoofd, we slepen bedrijf X en overheid Y voor de rechter. We tekenen een petitie van Greenpeache met één klik op het toetsenbord en met al onze duurzame wil en bedoelingen volgen we precies de route die we gaan. De tijd van het terugdraaien hadden we bij de menswording reeds moeten toepassen, we hadden onszelf de nek om moeten draaien, ons energieke wezen de kop in moeten drukken – dat is ons grootste verzuim. De menswording zelf hadden we nooit moeten toestaan. Maar we waren er bij, we keken ernaar en lieten het maar gebeuren. We moeten onszelf voor de rechter slepen bij zoveel dwaling, maar dat is teveel gevraagd en het wordt ons gemakkelijk gemaakt: we worden voor de rechter gesleept en de rechter veroordeelt ons tot de werkzaamheden van de beul die zijn functionele beulswerk op zichzelf mag toepassen. De mens is het metafysische dier door de rot die hij met zich meebrengt, en dat hadden we kunnen voorkomen. De leefbaarheid en het universum ondergaan het gelaten . de Zelforganiserende evolutie zal na zovele miljoenen jaren de curve van zijn eigen levenskracht weer oppakken, als kracht die boven ieder organisme uitstijgt. Daarover doorzeuren, over het ‘waarom’ en het ‘hoe’, over het ‘ach’ en het ‘wee’ duidt op het metafysische delier dat de mens eigen is geworden. Het oneindig delibereren over oplossingen duidt op hetzelfde gezeik.
*
De kosmos zucht, de aarde schreeuwt, de materie kreunt. Het lijden ontwikkelt zich, de chaos ontplooit zich, de instorting voltrekt zich. En de mens? Wat zullen we zeggen van de mens? Van Zondeval tot Antropoceen, van verdrijving uit het Paradijs tot verdrijving uit het Holoceen: het voltrekt zich van lot tot lot, van gezwoeg tot gezwoeg, van val tot val. Dat zullen we zeggen van de mens, de voltrekker van het zuchten, het schreeuwen, het kreunen.
*
Maak jouw eigen website met JouwWeb