Skelettepret
Het zijn de halve kadavers, nog levend, nog niet koud, nog gebukt gaand onder de zorgen van het vlees, van het bloed, van de geest – het zijn zij die zullen moeten lijden omdat ze deze opperste staat van zijn, (die overigens nog tot kookpunt moet worden gebracht, afgesmoord met stormvloeden), nog niet ontstegen zijn. Het zijn zij die na het hoogste lijden zullen worden ingepalmd door de lijdeloosheid, door de genade van het uitgestorven zijn, uitverkoren, opgeslokt door het Grote Niets. En wie zijn dan die uitverkorenen, die karkassen van de toekomst, die nog een behoorlijke lijdensroute hebben te gaan? De rottenis zal van onze levende restanten druipen omdat we struikelend, blind en tegenstribbelend stomgenoeg de lange route nemen naar de uitverkorenheid, de omtrekkende beweging van de omweg, in plaats van de slimste route, de genadigste: nu ter plekke en stante pede collectief zelfmoord plegen. De Hof van Eden verwerd tot een zondig doolhof en uiteindelijk tot een massagraf en toch wensten we, hoe ongelofelijk en hoe tegen de wil en de dank van de evolutionaire wetmatigheden ingaande, toch nog zo lang mogelijk op deze eens zo fraaie, eens zo levensondersteunende aardkloot in de afgrond van ellende rond te dolen, als ontspoorde geesten rond te wankelen, als ontheemde skeletten rond te zwerven, als psychotische fantomen rond te spoken. Konden we nog nagenieten van alle voorbije kortdurende en energieverslindende geneugten en pret waarvan we niet inzagen dat het tot niets anders kon leiden dan tot skelettepret?
Maak jouw eigen website met JouwWeb