*

We stierven traag, langzaam en bij bosjes. Men moet dit tijdperk groeten en omarmen zoals men zichzelf ’s ochtends in de spiegel begroet en omarmt: met gepaste weerzin, afhankelijk van welk been als eerste uit bed, om het even welke dag, welke maand, welk jaar, als ‘t maar wel in dit tijdperk, dit huichelachtig tijdperk van de waarheid is. Men moet dit tijdperk verdragen zoals met zichzelf verdraagt, zoals een windhaan zichzelf moet verdragen van hot naar her en zwabberend heen en weer geslingerd door hoe de wind waait. Zonder iets te willen, zonder zelf iets te willen, zonder zelf iets te kunnen willen, zonder zelf noch boeh noch bah noch kop in ’t zand of reet en toch kakelend te leven, te sterven: traag, langzaam en bij bosjes. Zo moet men dit tijdperk groeten.

*

Ons bijzondere verstand, ons geweldige intellect, onze hoogwaardige ratio, ons superbe denkvermogen, ons beroemde weten, ons goddelijk bewustzijn – ze blijken in tijden van planetaire overshoot van nul tot generlei waarde. Al onze verbale vermogens: idem. Ze zijn allemaal niet afdoende in staat om de opwarming, de verzuring, de vervuiling, de bio-aftakeling te bestrijden. Welk menselijk talent moeten we dan inzetten? Spotlust? Cynisme? Hoop? Of is het grootste talent van de mens, naast zijn tekortschieten, zijn in de lach schieten? Of zijn schieten op alles wat hem tegenstaat? Wij leven in de meest welbespraakte periode der decadentie, met de grootste wetenschappelijke vermogens - en zie toch hoeveel CO2 we daarmee de lucht in schieten. Het werkelijke tragische leven vind je niet bij de wetenschap, niet bij het geloof in de vooruitgang, niet bij welke technologie dan ook. Dat wat we zo hoogwaardig aan het doen zijn, deze geweldige collectieve voorbereiding van de superbe zelfmoord van een soort en vele soorten met zich meeslepend in zijn bijzondere kielhaling, daar vind je de werkelijk beroemde tragiek, de goddelijke toxische tragiek, de poëtische romantiek van die tragiek, die binnenkort tot de bloei van een grootse climax zal komen, tot een orgasme van lijden, tot een extase van ondergang. Dit is het talent dat ons voortstuwt: het talent tot onvermogen, tot het feest van het falen. Een stuwing die lijdensbloei optimaliseert.

*

De verlossing beëindigt alles en zij beëindigt ons. Wie, eenmaal verlost, durft zich nog een levende te noemen? Durft zich nog een lijdende te noemen? Een onvolmaakte, een klerelijer, een schoft? Eenmaal verlost is de kracht van het poëtische, van het romantische gedood. Wij leven naarmate wij lijden: hoe lijdender hoe levender. We kunnen ons lijden verfijnen, verfraaien, opleuken. We hebben ons lijden verfijnt, verfraait, opgeleukt – tot aan haar laatste lach. Zo dienen wij het Antropoceen te zien: als de ultieme opleuktijd van het levende, het lijdende. Het normale gangbare gif van het moment is in deze tijden ontloken en opgebloeid tot het gif van een heel tijdperk.
Het komt erop aan de kwalen van dit tijdperk, dit Fuiktijdperk te zien als haar talenten. Deze blikverschuiving, blikverruiming, dat is de ware transitie. Het is de zuivering van de geest, een catharsis, die de zuivering die de dino’s en de joden mee moesten maken in de schaduw stelt. Het vergif van dit tijdperk dient als melancholie op te stijgen uit onze ingewanden zoals methaan uit een koe. En terug te keren naar de kosmische leegte gelijk een varken terugkeert na zijn bezoek aan het slachthuis. Een pil is pas bitter wanneer men weigert deze door te slikken. Een dino moet niet protesteren, een jood niet, een varken niet, een mens niet. Extinction Acceptation is het antwoord dat alle Rebellion in de schaduw plaatst. Alles spant en spande samen om de dino te kwetsen, de jood, het varken, de mens en de laatste is de gekwetste der gekwetsten die zijn eigen kwetsuur aanbrengt. Moeten we dan als gekwetste dromen van de bovenmenselijke onverschillige die we zijn als kwetser? Er is in apotheken geen tegengif te vinden, geen anti-bitterpil.
De mens is het gezwel en hij zwelt op tot ie barst en zichzelf overwoekert met het kankerbloed van zijn eigen tumoren die de zeeën rood doen kleuren. De hele evolutie spant tegen ons samen omdat hij zich succesvol in ons geaccumuleerd heeft, zich in ons heeft opgestapeld, trots en trefzeker in ons heeft opgestapeld, zodat het Antropoceen verscheen, moest verschijnen om tegengif te kunnen worden tegen zoveel succes. De mens van dit moment maakt iets unieks mee, maar hoevelen beseffen dit? Hebben wij nog genoeg zand om onze kop in te steken? Zijn er nog genoeg struisvogels om politiek mee te bedrijven? Welke zonde hebben we begaan om precies in dit tijdsgewricht geboren te mogen worden? In de volzin van de Tijd zijn de mensen ingevoegd als komma’s. maar wat als daar nu eens een punt achter wordt gezet?

*

Onze basisbehoeften kunnen we niet veranderen door van mening of van stoelgang te veranderen. Onze basisbehoeften kunnen we alleen veranderen door onszelf van kant te maken – misschien behoort onszelf van kant maken wel tot onze basisbehoeften of gaat daar alsnog toe behoren in Antropocene tijden, ofwel tijden van afscheid. Of zou daar op z’n minst toe moeten behoren, als een ethisch gebod in dergelijke tijden. Maar …, - en altijd maar weer een maar – hoe komen we vervolgens van behoefte via daadkracht tot daad? Was het maar zo makkelijk als de zaadlozing.

*

Wij hebben steeds het ideaal van Onverstoorbaarheid nagestreeft. Toch was het steeds weer zij – zij die door de luizen opgevroten zou moeten worden, steeds weer zij, mevrouw Antro, van achteren Proceen. Zij was het die steeds en onverstoorbaar onze heilige Onverstoorbaarheid verstoorde waardoor we van de ene ontreddering in de andere vielen. We kikkerden even op van de vraag: hoe moet de ontreddering worden gered? Gedurende onze filosofische overwegingen van hoog gehalte verdiepte de kwestie zich. We delibereerden over ons verstoorde zenuwgestel. Gedurende dit zuiverende proces verdiepte ons zenuwgestel zich van crisis naar crisis. Van crisis naar crisis, hoe diep wil je het hebben? We lulden het vierkant rond, net zolang tot de cirkel zich rondbreide en crisis ontreddering werd. Het was, zo bleek, het breiwerk, het broddelwerk van mevrouw Antro zelf.

*

Het bewustzijn ontstond, het zelfbewustzijn ontplooide zich en zo werd de dubbele ellende van a. het lijden en b. het weet hebben daarvan ontsloten. Kortom, het lijden van de mens, wat een weelde, wat een luxe, wat een rijkdom! Zelfbewustzijn voedde zichzelf, stapelde zich op en bracht nieuwe wetten tot stand, van behoud van ellende tot en met nu in dit grandioze tijdperk de wet van de toenemende ellende. Toch scheen de Zondeval zo’n tweeduizend jaar terug verlost te zijn geworden. Door het kruis. Wat is dat anders dan: ellende verlost ellende? Wat is dat anders dan de jeuk in onze ziel verlossen met een kater?

*

Wij verblijven in een tijdperk dat over datum zijnde nog maar net begonnen is. Hoe kan men zich nu in dit tijdperk van zijn geboorte bevrijden, van zijn toekomstig ongemak, van zijn onontkoombaar komend lijden? Het is nu eenmaal geschied en men kan wel voor eeuwig kwaad blijven op zijn verwekkers, maar die waren toch ook maar gewoon bezig met de liefde? Moet men dan de liefde haten? Of de haat en de angst die dit tijdperk met zich meebrengt liefhebben? Nou ja, de liefde, als we daar ook al een doodordinair potje seks onder moeten verstaan, waar blijven we dan? Dat is toch inflatie? Waarom is de seks zo aan inflatie onderhevig geraakt sinds de meeste kindertjes in leven bleven? Net zoals de geest en de ziel creëert de piemel zijn illusies en herschept ze direct daarna tot desillusies. Hij herschept zijn utopieën tot dystopieën. Acht en een half miljard en nog is het einde niet in zicht. Het Gelid, die grote herschepper, vindt geen rust en wil niets anders dan nieuw, vers lijden voortbrengen. Het is de piemel die uit de hand gelopen is en het Antropoceen zal er noodgedwongen korte metten mee maken, mee moeten maken. De spermatozoïden zullen in het stof moeten bijten en in geen enkele eicel meer trek mogen hebben. De eiercellen zouden veel ellende kunnen voorkomen door stuk voor stuk een kuisheidsgordel aan te trekken.

De infiltratie van de piemel verliep weliswaar eenvoudig, haar moraal verving de abstracte hoogverheven stelsels en ideologieën en dat was goed, dat was vrijheid. De vrij van het rationele gestelde lid werd een praktisch instrument, niet alleen om te pissen, ook en vooral om therapie mee te bedrijven. Hij genas echter niks, bracht enkel ongeneeslijken voort en werd zelf een ongeneeslijke, een verslaafde. Zijn therapie ontbeerde de mythologie en de mystiek. Het begon op aarde te wemelen van overwoekerende zaadcellen en wat daar uit voortkwam en dat werd het begin van het einde. Zijn kracht werd een religie, een gebed, een gebod: “gaat heen en vermenigvuldigt u!” En zie hoe het er daarmee nu voorstaat. De wijsheid van de piemel is het laatste woord van een beschaving die haar einde nadert, van een soort die zijn einde nadert, van een tijdperk die haar einde nadert, van een planeet die er ziek van werd en miljoenen jaren zal moet herstellen. De piemel, de driebenigheid is niet de wijze theoreticus van de glasheldere dood, geen held van de onverschilligheid, geen symbool van de redelijke beschouwing, enkel het surrogaat van het slappe woord, een slap aftreksel waarmee de taal van de ambivalentie wordt gesproken. Is zij het middel om haar eigen uitsterving mee te bespoedigen? Al penetrerende een eind gaat maken aan de penetrerende bij uitstek? Is hij de klaarkomer die nu het Antropoceen, dit Fuiktijdperk tot haar climax brengt, haar voltooiing, haar voleinding?

Wij zijn met onze eigen kloten een bezopen klotentijdperk binnen geslopen, welke waardigheid dan nog aan onze ballen te ontlenen? De piemel, de ballen, zij zochten het geluk en vonden hun tegendeel nu zij aan de poorten zijn gekomen, aan de randen van de leefbaarheid. Wij spermatozoïdioten zochten het geluk in blinde weerzin en grenzeloze waanzin, wij zochten de verlossing en wat vonden we? Wij waren de onrijpe driftige richtingloze helden van een overrijp tijdperk, we waren zowel bewonderaar als tegenstrever van onze tijd, deze tijd, we gaven blijk van onze betrokkenheid, van onze zaaddrift, van onze klotendrang. Wisten wij veel dat het tot falen ging leiden, moest leiden, tot subtiel verval? We voelden: er dreigt een Godt, laten we er voor zorgen dat de Godt zich niet in onze competitie mengt, laten we onze eigen strijd behouden, laten we er zelf een zootje van maken in plaats van de Godt. Want wie van ons zonder de zonde is, zonder de zondeval, zonder het zondeverzoek dat vrijwel dagelijks tot gebod, tot het gebod van de eindeloze rusteloosheid der oneindige bevrediging werd, - laat die zondeloze pseudo-Jezus ons toch verlossen en de rust van de dood-zonder-wederopstanding over ons werpen. We riepen vanaf den beginne de Zondeloosheid aan en wat kregen we? Een Zondeval, wat kon het ons anders brengen? Wij waren immers de geborenen, de zwervers, de zoekenden, de dolenden, de gespletenen. De onrijpen in een tijdperk dat nog maar net begonnen al ver over de houdbaarheidsdatum was.

*

Wij zijn dronken. Dat is zo'n beetje de enige manier om het nog vol te houden. We zijn eenzaam en alleen. Zeventig jaar terug waren wij nog het succesverhaal van de babyboomgeneratie, de witte babyboomgeneratie wel te verstaan. Nu voelen we ons deplorabels, mislukt, ontheemd en thuisloos, net als iedere normale witte Nederlander. Wij hebben een aanhoudende buikpijn. We snappen niet waarom we moeten lijden onder het linkse gespuis, steeds meer belasting moeten betalen en als het aan de linksen ligt nooit meer de vrijheid mogen genieten. Doen wij dan een vlieg kwaad? Nee, toch?
Wij waren geïnteresseerd in muziek, in radio Veronica. We waren geïnteresseerd in munten, in het verzamelen van postzegels, het afsteken van vuurwerk, exota, het eten van koekjes (onschuldige negerzoenen en jodenkoeken wel te verstaan, toen nog onschuldig), het drinken van cola, snelle motors, auto’s, meisjes en zo nu en dan een vechtpartij. We verzopen nog jonge katjes, zo ging dat toen. Zij, de linksen, zeggen dat wij onze nazaten de erfenis ontnomen hebben, een leefbare planeet, maar wij denken dat het wel meevalt want wij ontkennen het en waarom moet Nederland het beste jongetje van de klas zijn kijk eens naar China en India wat ze daar uitstoten.
De linkse klootzakken, de elite, de media, de wetenschappers – zij geven nergens om behalve om ons leven kapot te maken. Dat is tegenwoordig geen verrassende onthulling meer. Alles voelt verkeerd aan deze tijd. Het seizoen klopt niet, de eeuw niet, het tijdperk niet, de vrouwen niet. Alles veel te woke. We hebben best een paar mooie momenten gehad, een goeie tijd zelfs, een ouwe tijd, een witte tijd. En die tijd willen wij terug! Wij missen het fysieke gevoel dat we hadden als we op een gewone Nederlandse winter-, lente-, zomer-, herfstdag door de stad liepen met alleen maar allemaal witte mensen omringt. Of door het platteland toerden op onze Kreidler of Zundapp, met een blondien achterop die haar armen om ons heen sloeg en haar lichaam, haar witte lichaam stevig tegen ons aandrukte. Wij voelden gewoon het wit van haar lichaam dwars door de kleren heen. Wij zijn dronken, wij zijn MAGA, wij zijn de manosfeer!
Wij weten niet wat we met ons verdriet aan moeten en zetten het daarom maar om in woede. Iedereen zegt dat we een gemeenschap moeten opbouwen of zoiets dergelijks. Een steentje bijdragen aan de maatschappij noemen ze zoiets. Nou, wij trekken wel stenen uit de straat, ze kunnen onze reet roesten of kussen, want niemand geeft erom. Niemand geeft erom wat wij allemaal wel niet kwijt zijn aan benzine, tabak en alcohol. Wij worden kapot gemaakt, vooral door degenen die aan de macht zijn en zo goed voor zichzelf zorgen. Fuck al die mensen.
En hier zitten we dan, op onze vrijdagavond ons te bezatten, en elkaar met nostalgie overeind te houden, wat moeten we anders, wij blanke mannen, wij bedreigde soort? De bedreiging komt van links, de bedreiging komt de Middellandse Zee over, we zitten midden in een AZC-apocalyps die de hoge heren niet wil toegeven, want dat is "te moeilijk". Waarom moeten wij worden overspoeld? Aan allen die aan de migratietsunamischijt lijden, betuigen wij onze oprechte medeleven; aan hen die het ontkennen, veroordelen wij. Wij hadden zo verlangd naar een ander leven, zoals we dat in onze kindertijd zagen. Gewoon een lolletje trappen, een fatsoenlijk vak leren, schoenmaker worden, goed werk doen, een vrouw aan het aanrecht. En zie nu eens welke strontmuggen op de grote hoop schijten, de CEO’s, de managers, de schijtluizen die ons leven aan het verknoeien zijn. Wij voelen ons als fantomen, spoken, getuige geweest van een verloren wereld. Wij stemmen dan wel extreemrechts, natuurlijk stemmen we extreemrechts, maar zo extreem is dat niet want wij zijn de goede mensen. Zorg goed voor jezelf en wij wensen u het allerbeste, vooral degenen onder jullie die het moeilijk hebben. Daarom wensen wij u een Nederland voor de Nederlanders, een VOC-mentaliteit.

*

Zelfpenetratie, wie heeft daar ooit van gehoord? En toch is het dit: de Tijd zelfpenetreert zichzelf voort van moment naar moment. Augustinus zou er postuum nog een stijve van kunnen krijgen. Vroeger gingen we eraan, nu gaan we eraner, tenminste als je ’t goed uit-, om- en doorrekend. Het wordt chaos. Trouwens, wat is er mis met chaos, het is gewoon een overgang, een noodzakelijke doorgang naar nieuwe orde. Het is alleen mis omdat er iets mis is met ons. Wij zijn van die overdreven gevoelige types, van die zenuwlijers. Maar heeft de zelfpenetrerende prenatale Tijd daar een boodschap aan?

*

Maar goed, de piemel. De infiltratie van de piemel verliep eenvoudig: haar moraal verving de abstracte hoogverheven geloofsstelsels en ideologieën. De boven het rationele gestelde werd een praktisch instrument. Hij genas echter niks en werd zelf de ongeneeslijke. Zijn therapie ontbeerde de mythologie en de mystiek. Het begon op aarde te wemelen van de zaadcellen en dat werd het begin van het einde. Zijn kracht werd een religie: gaat heen en vermenigvuldigt u – en zie hoe het er daarmee nu voorstaat, het werd overshoot. De wijsheid van de piemel is het laatste woord van een beschaving die haar einde nadert, van een soort die zijn einde nadert, van een planeet die er ziek van werd en miljoenen jaren moet herstellen. De piemel is niet de wijze theoreticus van de glasheldere dood, geen held van de onverschilligheid, geen symbool van de zakelijke beschouwing. Is hij het probleem dat haar eigen uitsterven oplost? En al penetrerende een einde maakt aan de penetrerende bij uitstek? Is hij de klaarkomer die nu het Antropoceen, dit Fuiktijdperk tot haar voltooiing laat klaarkomen omdat dit tijdperk er wel klaar mee is? Wij zijn door onze eigen kloten in een Klotentijdperk beland, welke waardigheid valt nog aan onze ballen te ontlenen? De piemel, de ballen, zij zochten het geluk en vonden uiteindelijk hun tegendeel, nu zij aan de poorten van dit uitsterftijdperk zijn gekomen, haar poorten zijn binnengetreden, voorbij de randen van de tijd, voorbij de randen van de leefbaarheid. Wij, wij spermatozoïdioten, wij zochten het geluk in blinde waanzin en grenzeloze weerzin. We zochten de verlossing, wij waren de negatieve helden van een overrijp tijdperk, we waren zowel bewonderaar als tegenstrever van de tijd, van deze tijd, van onze tijd. We gaven blijk van onze onbehouwen betrokkenheid, onze woeste zaaddrift, wat moesten we anders? Wisten wij veel dat we tot falen gingen leiden, tot subtiel verval? We voelden: er dreigt een Godt, laten we er voor zorgen dat de Godt zich niet in onze competitie mengt, laten we onze eigen strijd behouden. Want wie van ons zonder zonde is werpe rust over de volkeren en zo werd deze niet geworpen, die zondeloosheid, want die was er niet en is er nooit geweest en zal er nooit zijn zolang wij zijn en zo lang de piemel is.

*

Hoe kan dit Stervenstijdperk worden verlost wanneer hoop daartoe niet meer in staat mag worden geacht? Melancholie? Cynisme? De komische noot? Ja, doet u mij dat laatste dan maar, als ik toch mag kiezen. Het Antropoceen is immers zelf een komische noot, een kosmische noot. Zij doet aan zelfverheffing via zelfvernietiging die zelfverlossing is. Zij is een vorm van zelfverlossingszelfspot en wat is dat anders dan de omarming van de zelftroost? Ja, doet u mij dat dan maar als ik toch mag kiezen.

*

Waar moeten wij nog in aarden terwijl we de aarde, ons fundament, aan het ontaarden zijn? Ook in onwetendheid kunnen we niet meer aarden nu we weten, nu we weet hebben van, teveel weet hebben van wat ons te wachten staat. Hoe kunnen we nog de ijlte van de gelukzaligheid bereiken die boven alle overshootproblemen uitstijgt wanneer geen schoonheid, geen heil ons nog verlicht en Godt en de engelen blind zijn als koningen in hun eigen veilige domein, hun eigen paradijselijke hemeltje? Nu we geen hiernamaals meer zien, nu de hemel is verdwenen, in welke genade, in welke verlossing mogen we dan nog vallen? De stervende planeet had toegestaan dat de Godt gedood werd, dat menselijk ongeluk was omgezet in ratio, theorie, wetenschap, dat filosofie de niesbui van de kosmos werd, waar met de analytische filosofie het zoeken naar verlossing halt moest houden. De obsessie met vooruitgang en efficiënte oplossingen kenmerkt het einde van een beschaving en het begin van de eindeloze val, de Antropocene val noemen: een voormalig mensentoppunttijdperk  werd ten koste van zichzelf een monstertoppunttijdperk. Het voorgaand tijdperk, het Holoceen heeft in haar laatste fase reeds de echo’s van haar decadentie voortgebracht, en de afspiegeling van haar uitputting. Hoe moet nu deze ongeneeslijke en pandemische vermoeidheid tot een goed einde worden gebracht? Is er iets mogelijk op het gebied van collectieve palliatieve sedatie? Een supremo momento terminalis?

*

De ketens van de verslikking, verschrikking, verstikking van dit lijdenstijdgewricht ontnemen ons alles behalve de vrijheid onszelf van het leven te benemen. En het is juist deze vrijheid die ons met kracht en trots de lasten doen dragen die wij te torsen hebben. Het is troost, de troost van een mogelijkheid. Het is ook de troost van het kunnen uitstellen van ons einde. Het is dubbele troost: ik had er vandaag een einde aan kunnen maken en ik troost me met de gedachte dat ik dat morgen alsnog kan doen. Zo zijn wij in staat om ons leven voort te zetten, ademhalen, blijven ademhalen is de troost van het uitstellen. Het is troost, hoewel tegelijk ook keuzestress, ons de toevlucht tot het touw, tot de kogel, het gif of de zee in te kunnen beelden. Het is de troost van de depressie, de zenuwinzinking, de melancholie.

*

Alles gaat goed: alles gaat achteruit zoals bedoeld. Zoals dit Fuiktijdperk, dit zich sluitend venster dat nog maar net in opkomst is en nog tot de volle wasdom van de ontwrichting, tot de volle bloei van de instorting zal moeten komen. En dan zal je zien: dan heb je ook wat – daar kan geen engel of dictator tegenop. Je moet wel van de pot losgerukt zijn om te geloven dat het menselijk avontuur niet in zijn meest avontuurlijke fase is terechtgekomen. Precies nu, onder het gesternte van ongenadige krachten, krachten die allang werden voorbereid en gekruid door de rechtopgang van een soort. Die kunst, dat talent van het kruiden was de dino’s niet gegeven. Het zuur komt voort uit het zoet en het lost het zoet op. Het zout komt voort uit het bittere en het zal de wonden met scherpe pijn uitzuiveren. Het bloed zal zich vermengen met de tranen, er klinkt geknars van tanden, het carillon des doods zal de beroemde compositie van deze tijd, deze sterftijd spelen: memento momenti mori a priori. Stel uw prioriteiten en vergeet geen moment op tijd te sterven - en uw teloorgang zal verfrissend zijn. Reeds in het verre verre verleden, bij onze rechtopgang, hebben we dit tijdperk, deze sterfhuisconstructie opgetuigd. Het was niet enkel en alleen slecht voor de rug, het was ook nog ergens goed voor: onze handen kwamen vrij en we creëerden er handigheid mee waarmee we ons uiteindelijke slachthuis konden stutten en funderen. Waarom dan nu nog berouw tonen terwijl het ons ook, op die rug na, heel veel goeds heeft gebracht? Waarom ons dan nu nog vastklampen aan het touw waarmee we onszelf allang opgehangen hebben?