De kosmos zucht, de aarde schreeuwt, de materie kreunt. Het lijden ontwikkelt zich, de chaos ontplooit zich, de instorting voltrekt zich. En de mens? Wat zullen we zeggen van de mens? Van Zondeval tot Antropoceen, van verdrijving uit het Paradijs tot verdrijving uit het Holoceen: het voltrekt zich van lot tot lot, van gezwoeg tot gezwoeg, van val tot val. Dat zullen we zeggen van de mens, de voltrekker van het zuchten, het schreeuwen, het kreunen. 

    *

    De rondzwervende toekomstigen, de horden ontheemden – zij zullen vanuit de bunkers der machtigen met walging en spot worden bekeken, vanuit hun met hoge hekken omheinde vestingen. Feitelijk willen we van Europa ook zo’n onneembare vesting maken, de VS idem, maar het zal niet lukken. Job mag zich met terugwerkende kracht gelukkig prijzen dat hij ongelukkig moest zijn in zijn eigen tijd. De horden zullen blijven komen, ze spoelen aan, ze rukken de hekken omver, ze walsen over de opgetrokken muren heen van het zogenaamde welvarende deel van de wereld dat allang ook op instorten staat. Al die hongerenden met hun slechte spijsvertering, al die dorstigen met hun weerzinwekkende maagstoornissen en hun besmettelijke ziekten, vervuild, uitgemergeld, stinkend uit al hun openingen en poriën. Of moeten we maar wegkijken van dit soort realistische toekomstbeelden? Waarin kwelling op kwelling zal worden gestapeld waar onze vriend Job nog een puntje aan kan zuigen? En moeten we maar blijven wegkijken bij de voorstelling dat we zelf straks tot die horden gaan behoren? Bestaat er een universitaire opleiding voor het betere wegkijken?

    *

    Tot zover het brekende nieuws van de dag. Op de volgende twee pagina's (via poëtica en via theoretica) vindt u twee benaderingen van het Antropoceen.