De kosmische klucht die het mensentijdperk kenmerkt – die aaneenschakeling van absurditeiten – culmineert nu in het Antropoceen. Het is het sluitstuk van een tragikomedie, een klucht waarbij alle dieren en planten het toneel opgetrokken werden om gezamenlijk deel te nemen aan de show van de Grote Ondergang, een goddelijke ondergang van niet minder dan duivelse proporties. Van deze en gene zullen overblijfselen overblijven om de nieuwsgierigheid van toekomstige fossiel-onderzoekers te bevredigen. Dat deze Geschiedenis, deze eeuwige geschiedenis van verdwijnverschijnen geen enkel doel dient mag ons tevreden stellen: er gaat niet veel verloren. Het zal een feestelijke finale worden, betaald met ons eigen zweet en bloed – en nieuw leven zal op onze as mogen dansen. Wat zal door het leven dat vergaat aan vers, fris, fruitig opkomend leven worden doorgegeven? Opnieuw de illusie van een paradijselijke belofte? Exemplaren van soorten zijn in het ene tijdsgewricht beter af dan in het andere. Elk individu is de alfa en omega van het universum, bij elk sterven vergaat er een kosmische werkelijkheid en dat is precies de unieke verdienste van elk individu aan het ooit, aan het ooit-eens-geweest-zijnde, aan het Kerkhof van het afscheid. Elk afscheid is de poort naar nieuw begin. Tot zover het brekende nieuws van de dag.