Het leven in het Antropoceen is voor zolang het duurt slechts mogelijk dankzij de gebreken van ons voorstellingsvermogen en ons verstand. Wij danken onze kracht aan dit gebrek en ieder hart is gemaakt voor slechts een bepaalde hoeveelheid leed. Wij danken onze volharding aan het weigeren te stoppen met ademhalen en piemelen en daarom dijt het leed uit zoals het heelal uitdijt. Zoals het heelal reeds zo vaak is uitgedijd en vervolgens onder haar eigen ijdelheid, haar eigen leegte, haar eigen entropie weer is ineengestort, ineengekrompen tot de leedloosheid van een punt … die een komma bleek te zijn en weer uitdijde tot het uiteindelijk - zoals ook nu in het Antropoceen -, weer overloopt van de volheid en de vervulling van leed … die vervolgens weer onder haar eigen gewicht moet bezwijken. Vernietiging is getrouwd met vernieuwing. Elk leed behoeft een eigen universum tot vernietiging die moet leiden tot vernieuwing en die behoefte wordt deze keer in dit verbijsteringwekkende geologische en existentiële tijdsgewricht vervuld door een uit de hand gelopen verstand van een bepaalde soort, door onze geest, door onze ziel, zaligheid en gebreken. Ons verstand loopt vast op deze kosmische woekering en dat is goed. Een verstand dat niet vastloopt verloedert en dat is uiteindelijk dezelfde vorm van vastlopen en dat is goed omdat het zo gaan moet. Verstand zal per definitie waanzin moeten worden en verbijstering – om zo enkel door vernietiging uiteindelijk verlost te kunnen worden.
*
Als een tijdperk een erfgoed was – en dat is het – dan is ze een erfzonde. Reeds verwekt door het voorafgaande tijdperk, haar ouder, haar moeder, komt zij in een stuitende bevalling tot leven, tot groei, tot bloei. Het voorafgaande tijdperk, de ouder, sterft af en bewijst nu zijn nut door plaats te maken. Op een gegeven moment weekt de dochter zich los van de ouder. Dat is het ogenblik dat zij met enthousiasme begroet dient te worden – en dat ogenblik is nu aangebroken; we dienen het Antropoceen, dit schitterende tijdperk, met enthousiasme te verwelkomen. Haar erfzonde (haar geblèr, haar luierkak) dient in liefde omarmt te worden, genoeglijk genoten te worden, troostvol getroost te worden. Die erfzonde zal de kracht van een lot met zich meebrengen, we voelen dit aankomen, lijkstank hangt in de lucht. Duizenden jaren lang waren we slechts stervelingetjes, nu eindelijk zijn we tot de rang der Grootsterfelijkheid bevorderd. We moeten er niet aan denken dat dit alles ons bespaard had kunnen worden, wanneer het Holoceen, de ouder dus, zich wat bescheidener had opgesteld en wat minder CO2 had uitgestoten en wat meer besmettelijke ziektes teweeg had gebracht, wat meer negatieve afremmende stervensfeedback in plaats van positieve versterkende geboortefeedback. Optijdige afremmende feedback: het had vast een paar miljard gescheeld, een paar miljard actuele en toekomstige Grootsterfgangers. Het Antropoceen was dan nog lang niet tot de wijsheid van de volle wasdom gekomen en dat zou een zonde bovenop de erfzonde zijn geweest, een uitstel van wat we nu met enthousiasme mogen begroeten.
*
Maak jouw eigen website met JouwWeb