Het Antropoceen, ach ...

Het Antropoceen, ach, het boeit ons alleen maar door zijn tegenstrijdigheden, door de spanning tussen zijn impulsen, door het schisma van zijn neigingen en zijn dynamiek. Een exemplaar van het diersoort genaamd mens – we kennen hem, in al zijn gekkigheden - is daarom enkel en alleen nog van belang in de mate dat hij zich vergist in wat nu gaande is, in wat hij wil tegenover wat hij niet wil, in waar hij van houdt en wat hij haat. Alleen wie  hoog- én minachting kan opbrengen – (het is beide, de mens moet nu kunnen wisselen van perspectief gelijk een kameleon; en hij moet zijn kop in het zand kunnen steken ...) -, kán opbrengen en wíl reserveren voor fatsoen of weldenkendheid is het waard om gestort te worden in het Antropoceen, het tijdperk der Chaos&Ellende. Wij allen dus. Laat ‘m zich terugtrekken, die mens: zijn menselijkheid raakt nu toch wel zo’n beetje opgebruikt? We vervangen Godt zo goed als we kunnen want elke Godt is goed. Zolang Hij ons verlangen naar ondergang maar laat duren en duren. Elke verovering – technologie, rationaliteit, ‘Verlichting’ – bracht een verlies met zich mee en alle veroveringen samen werden tenslotte een bevestiging, een amen: planetaire overshoot – die ontwricht, die doet instorten, die vernietigt, die doodt. De aanloop naar het Antropoceen: op elke stap voorwaarts volgden twee stappen achterwaarts. Een getrappel van jewelste in de achteruitstand die – let op de gekkigheid -, met de wijsheid van achteraf abusievelijk als Vooruitgang werd gedacht. Maar we zagen het niet, we konden het niet zien, we zagen alleen die stap voorwaarts. Terwijl de mens zich intussen liet leiden, liet verleiden door de luchtspiegeling van de Vooruitgang. Dat maakt zijn aanspraak op scherpzinnigheid, op redelijkheid, op weldenkendheid lachwekkend. Vooruitgang? Ha, ha, ha, ik bedoel maar. Misschien in de hygiëne … Maar verder? Het leidde tot een reeks roemvolle rampen. Wanneer we nu moesten kiezen tussen het stenen tijdperk en dit Fuiktijdperk van Chaos&Ellende … dan nog kozen we blind voor dit Fuiktijdperk. Wie laat zich nu immers zijn verworvenheden, zijn genietingen, zijn reisje Bali, en zijn inertie afpakken? Wie zou te goeder trouw kunnen kiezen tussen die twee tijden? Ons kapitaal aan ongeluk bleef door de eeuwen heen intact; toch hebben we een voorsprong op onze voorouders: wij hebben dat kapitaal beter belegd, beter georganiseerd. Omdat we er onze Ondergang mee hebben voorbereid. Het is het betere kapitalisme.

*

Er zijn lieden die denken dat de ontwikkelingen in de sociotische aspecten zich nog in een andere richting kunnen bewegen dan de ontwikkelingen in het ecotische domein - die overduidelijk een hardnekkige langetermijnverslechtering laten zien . Zij weigeren kennelijk om alles te zien onder één en dezlefde noemer: leefbaarheid en haar tegenovergestelde, overeenkomstig evolutionaire patronen. Wat betekent verslechtering van leefbaarheid? De systeemwetenschappers kunnen het mooi beschrijven en toch houden zij eeuwig en altijd een probabilistische voorzichtigheidsslag om de arm. Daarvoor is het kennelijk wetenschap. Of is het gebrek aan lef? De slingerbewegingen in het sociotische houden uiteindelijk geen stand, zolang en wanneer alle overshoot toeneemt – en dat doet het. Het  sociotische veerkrachtballetje kan heen en weer rollen, ook even de goede kant op, terwijl het gootje waarin het rolt een steeds steilere glijbaan wordt. ‘De goede kant op rollen’ kan dan slechts tijdelijk zijn. Het balletje verplaatst zich, ondanks heen en weer, op langere termijn in de richting van de afgrond der ondermijning, afbraak, vernietiging, verderf - het kan niet tegen de zwaartekracht in blijven rollen. Dat is de harde dynamiek die gaande is. Op een gegeven moment kan het balletje niet anders dan in de afgrond storten. Valt dat nog onder de 'diepe onzekerheid' van de systeemwetenschappers? Of is het 'de zekerheid van de onzekerheid' die de 'onzekerheid van de zekerheid' is?

*

De gaande dynamiek van energie, Werking, Wording het doet ons Fundament schudden op zijn grondvesten. Ons Fundament, ons huis – het doet nu de materie schudden; de materie – het doet nu ons leven schudden. Er wordt danig en woest geschud aan de boom waar wij als rotte appels uitvallen. Er wordt aan de deur geklopt, hard geklopt, harder geklopt, ondragelijk gebonsd. Neen, ik doe maar beter niet open, ik hebben er de kracht niet voor, de heldere staat van geest niet. Omdat ik niet in staat ben om de helderheid van de komende Chaos&Ellende te doorleven … wacht ik die maar af. Met hoeveel illusies toch moet een mens geboren zijn om in dit Fuiktijdperk er elke dag ééntje te kunnen verliezen om op nul uit te mogen komen? De tijd die mij scheidt van mijn lijk is een feest van desillusies. Toch heb ik aan het eind van iedere dag vergeefs verlangt naar het stoppen van mijn adem, vergeefs verlangt naar het verleidelijke graf. De mens heeft nergens haltgehouden … en zo zijn einde versneld. Als een dier zonder toekomst heeft hij zich verloren in zijn eigen droomwereld, is hij vastgelopen in het spel, heeft hij het decor het toneel opgetrokken. Omdat hij zichzelf zonder ophouden wilde overstijgen raakte hij verward, verstrikt, verlamt in Antropocene dwaasheden en wanhoop. Er blijft voor hem geen andere uitweg over dan zijn dwaasheden te tellen … en er nog een paar, wat zeg ik?: er nog vele te begaan … . Wat is hij anders dan tijdelijk gewerveld uitschot?

*

Het Antropoceen bleek niet ons hoogste genot te zijn. En toch hebben we er naar toegewerkt als onze eindbestemming. Moeten wij nu aanbidden wat we verafschuwen? Moeten we nu verafschuwen wat we in het verleden steeds aanbeden hebben? Waarom hier tegen in opstand komen, tegen dit systeem van wanorde? Chaos&Ellende, ja, het is een systeem, een duidelijk systeem, een planetair systeem, een systeem van overmacht. Het kan niet anders dan systemisch reageren. Laten we dan onze illusies over de toekomst ontkrachten – om ze krachtiger te maken. Illusie, wat is het anders dan desillusie? Illusie, desillusie, dat is toch om het even? En toch blijven wij nog nieuwsgierig verlangen, - wat moeten we anders - , naar een voorziene, vreeswekkende en vruchteloze ontknoping van de formule van afbraak. Een formule, een wet. Nieuwsgierigheid naar deze wet en de verschillende stadia van de Antropocene aftakeling is nu nog de enige goede reden om oud te worden. Het motiveert mij; voor deze Apocalyps wil ik desnoods nog wel uit mijn stoel komen - het geeft me kennelijk nogal energie. Ik leef nu eenmaal, dat is het: daar is niets meer aan te doen en laten we er dan ook maar het beste van zien te maken. Maar mijn visie op de toekomst is zo exact dat ik, als nog geboren moest worden, ik mezelf terstond en ter plekke zou wurgen.

*