Antropoceen-reflecties 31 maart 2026
Deel I:
- Zelforganisatie, oorzakelijkheid en het Antropoceen - een procesfilosofische benadering
- Het begrip ‘Antropoceen’ is relevant om meerdere redenen
- We zijn machtig – en tegelijk niet.
Deel II:
- het Antropoceen benaderd langs de lijnen van Betekenis
- Leven in een wereld die uit balans raakt
Deel III: Kracht&Macht
Deel IV: Tijd, evolutie en het Antropoceen: een geïntegreerd perspectief
Deel V: uitgelicht; accenten
-
Deel I:
- Zelforganisatie, oorzakelijkheid en het Antropoceen - een procesfilosofische benadering
Kerngedachte: dit deel betoogt dat het Antropoceen begrepen moet worden als een fase in een lang evolutionair proces van zelforganisatie. In plaats van klimaatverandering te reduceren tot recente menselijke oorzaken, wordt het geplaatst binnen een diepere temporele en causale context. Door inzichten uit de procesfilosofie van Alfred North Whitehead en het taoïsme te combineren, wordt een kader ontwikkeld waarin menselijke handelingsvrijheid wordt opgevat als reëel maar begrensd. Dit leidt tot een herinterpretatie van verantwoordelijkheid, maakbaarheid en toekomst.
- Het Antropoceen als conceptuele breuk / Het Antropoceen markeert een fundamentele verschuiving waarin menselijke activiteit een geologische factor wordt en natuur en cultuur niet langer te scheiden zijn. Hierdoor ontstaat de noodzaak om verschillende tijdschalen te integreren en mens- en planeetgericht denken te combineren
- Ontologie van verandering / Binnen de procesfilosofie geldt dat de werkelijkheid dynamisch is; dat entiteiten momenten van wording zijn; dat het verleden de voorwaarden bepaalt voor toekomstige mogelijkheden. De toekomst is niet volledig open, ook niet volledig gedetermineerd, wel is er een dynamische verhouding die wisselt met de reeds gerealiseerde en gaande omstandigheden en ontwikkelingen.
- Zelforganisatie als fundamenteel principe / Zelforganisatie verwijst naar het vermogen van systemen om orde te genereren in een intrinsieke immanente dynamiek richting structuur en complexiteit. Deze dynamiek kent een fysieke pool (materiële realisatie) en een mentale pool (mogelijkheden en ordening). Dit sluit aan bij een holistisch wereldbeeld waarin mens en natuur één continuüm vormen.
- Tao als immanente orde / Het taoïsme biedt een parallelle interpretatie. Tao = ordenend principe van verandering met immanent oorzakelijkheid. De metafoor van stroom (verandering) en bedding (configuratie) als ‘onderdelen’ van de rivier (holistische kosmos) verduidelijkt dat beperking en mogelijkheid onlosmakelijk zijn verbonden en dat verandering relationeel is.
- Gelaagde oorzakelijkheid / Het dominante discours focust op recente historische oorzaken. Een bredere analyse omvat echter evolutionaire trajecten, energetische expansie en technologische accumulatie. Zoals beschreven door Yuval Noah Harari ontwikkelde de mens zich in korte tijd tot dominante soort, zonder dat ecosystemen zich konden aanpassen.
- Planetaire overshoot / De huidige crisis kan worden begrepen als een overschrijding van planetaire grenzen door cumulatieve processen, met als kenmerken: schaalgrootte, snelheid, (gedeeltelijke) onomkeerbaarheid. Deze situatie is niet louter intentioneel veroorzaakt, maar voortgekomen uit systeemdynamiek.
- Vrijheid en determinisme / Er doet zich een fundamentele spanning voor, waarbij oplosbaarheid niet voor het grijpen ligt: ja, er bestaat menselijke agency, maar deze is ingebed in grotere structuren die leiden tot beperkte maakbaarheid en voorwaardelijke verantwoordelijkheid. De spanning is ook door Helmuth Plessner beschreven binnen het schema van centrische positionaliteit (wat alle dieren gemeen hebben) en excentrische positionaliteit (die uniek is voor het mensdier). Deze intuïtie is een centraal thema in de bijbel, zoals beschreven met de zondeval, het geweten als de stem van God en de notie van goed en kwaad.
- Implicaties / Het Antropoceen heeft gevolgen voor filosofie in de zin van confrontatie van eerdere Holoceengerelateerde paradigma’s, waarbij herziening van mensbeeld en herziening van causaliteit er toe doet. Het heeft politieke gevolgen waarbij er een spanning is tussen het onlosmakelijke verband van samenwerking&competitie/concurrentie, met beperkte stuurbaarheid. Het heeft ethische gevolgen met een verschuiving van schuld naar systeemverantwoordelijkheid
Het Antropoceen vraagt om een paradigma waarin mens en natuur als één proces worden begrepen (natuurcultuurverstrengeling), waarbij causaliteit gelaagd is en waarbij vrijheid begrensd maar betekenisvol blijft in een voortdurend verschuivende dynamiek. De actuele dynamiek wordt gekenmerkt door een richting waarbij de determinerende factoren meer bepalend worden, ten koste van handelingsvrijheid en -perspectief.
Beperkte literatuurlijst: Whitehead, Process and Reality; Yuval Noah Harari – Sapiens; Bruno Latour – Facing Gaia; Dipesh Chakrabarty – The Climate of History. Overige verwijzingen (o.a.): het denkgoed van Herman Dooyeweerd, Helmuth Plessner, Peter Sloterdijk en Bernard Stiegler.
-
- Het begrip ‘Antropoceen’ is relevant om meerdere redenen:
- we hebben redelijk gunstige leefbaarheidsomstandigheden achter ons gelaten
- een aantal planetaire grenzen zijn reeds overschreden en deze overschrijdingen zetten zich door
- het Holoceen bood mogelijkheden voor herstel en omkeerbaarheid die nu meer en meer uit beeld raken
- zowel de schaalgrootte als ook de onomkeerbaarheid is van een orde die Holocene omstandigheden te boven gaan
- we zitten klem tussen tegenstrijdige en geopolitieke tegengestelde belangen betreffende veiligheid en leefbaarheid op de korte termijn tegenover veiligheid en leefbaarheid op de lange termijn
- dit alles is van betekenis vanwege afnemend heil en toenemend onheil
- het is een existentiële bedreiging
- het heeft consequenties die de wetenschappen en ook de filosofie overstijgen.
- tenzij we onze kop in het zand blijven steken worden we meer en meer gedwongen om de zaken onder ogen zien. Daar hebben we taal, begrippen en integrale holistische theorievorming voor nodig, hoe onduidelijk ook in deze fase van het Antropoceen. Laten we proberen daar een bijdrage aan te leveren door een diepere en bredere filosofische kijk te beoefenen, ook door eerder fundamenteel holistisch en procesgericht gedachtengoed te betrekken op de actualiteit, zonder dit direct te koppelen aan praktische oplossingen.
De bovenstaande puntsgewijze samenhang kan verhalenderwijs beschreven worden onder de titel:
-
- We zijn machtig – en tegelijk niet.
Het Antropoceen is een tijd waarin menselijke handelingen de aarde zelf veranderen. Klimaat, ecosystemen en zelfs geologische processen dragen onze handtekening. Er zit een ongemakkelijke waarheid achter dit idee. We zijn gewend te denken dat we de wereld vormgeven. Dat we, met genoeg technologie en politieke wil, problemen kunnen oplossen. Maar wat als de situatie ingewikkelder ligt? Wat als we niet alleen de oorzaak zijn van de crisis, maar ook het product ervan?
Vaak wordt klimaatverandering verklaard vanuit industrie, kapitalisme, politiek falen of toenemende wapenwedlopen de laatste duizenden jaren. Dat klopt wel, maar het is slechts een deel van het verhaal. De wortels gaan veel dieper. De mens is het resultaat van miljoenen jaren evolutie. Onze drang tot groei, techniek en energiegebruik is niet zomaar een keuze, maar ligt verankerd in die ontwikkeling. Zoals Yuval Noah Harari beschrijft, is onze dominante positie op aarde evolutionair gezien extreem recent – en abrupt.
We beïnvloeden de aarde enorm. Maar dat betekent niet dat we haar volledig beheersen. We zitten in een paradox: we zijn krachtig genoeg om het systeem te verstoren, maar niet machtig genoeg om het te sturen.
Je kunt de concrete werkelijkheid zien als een rivier: de stroom (verandering), de bedding (wat mogelijk is). Wij zijn de bedding aan het veranderen. Maar we kunnen niet zomaar bepalen waar de rivier uiteindelijk heen stroomt. Toch blijft de rivier de rivier (als primordialiteit).
Het betekent niet dat we niets kunnen doen, en dat het op z’n minst (en op z’n hoogst?) nog ligt bij vertragen&verzachten. Het Antropoceen dwingt ons zo tot andere wereld-, mens- en godsbeelden dan onze gangbare Holoceengerelateerde beelden. Maar dat betekent niet dat andere wereldbeelden ons nu uit de shit kunnen helpen, want ze behoren niet tot de bron- maar tot de gelegenheidsoorzaken. Het zou wel kunnen helpen in de bedoelde zin van vertragen&verzachten. We zijn gebonden aan de Antropocene dynamiek – die in toenemende mate een determinerend karakter krijgt. En zal krijgen, door wat nu al in zowel het aardsysteem als in de cultuurlijke sferen is vastgelegd. Dit ten koste van het menselijk handelingsperspectief. De betekenis hiervan ligt in het spectrum van heil en onheil, van goed en kwaad, van gunstige en ongunstige omstandigheden en vooruitzichten.
Deel II:
- het Antropoceen benaderd langs de lijnen van Betekenis
De mens leeft in betekenissferen die fundamenteel afhankelijk zijn van biofysische omstandigheden. Door planetaire overshoot raken deze sferen structureel ontwricht, wat leidt tot toenemend onheil en onomkeerbare instorting. Herman Dooyeweerd heeft die betekenissferen of modale aspecten uitgewerkt in zijn modale aspectenleer en werkt de structuur van ervaring zelf uit. Alfred North Whitehead heeft dit benaderd via de metafysische procesfilosofie met niveaus van werkelijkheid en procesdynamiek. Bruno Latour wijst in dit verband op de natuur-cultuurverstrengeling als relationele ontologie. Helmuth Plessner wijst op de excentrische positionaliteit van de mens die van diepe betekenis is en ook ons mens- en wereldbeeld bepaalt. Peter Sloterdijk heeft het over sferen van betekenis waarin we leven. Ook kennen we de intuïtie omtrent betekenis vanuit de natuurfilosofie van het taoïsme, waarbij heil/onheil centraal staat in relatie tot de omgeving en onze betere of slechtere aanpassing daaraan.
Dit alles zou mogelijk in een Antropoceentheorie te integreren zijn, in een diagnose van het Antropoceen als een existentiële crisis van betekenis zelf. Betekenis is niet subjectief gegeven, maar ecologisch ingebed. Dit in tegenstelling tot subjectivistische ideeën omtrent betekenisgeving ofwel zingeving. Betekenis ligt ook niet in biologisch/psychologisch reductionisme. Betekenis is geen interpretatie, maar een ervaarbare kwaliteit van de werkelijkheid zelf. Er is een onderscheid te maken in WAT we ervaren (als inhoud van het spectrum van heil/onheil) en HOE we ervaren (de menselijke ervaringswijze).
De ecologische verslechtering drukt nu op alle betekenissferen. We zijn ontoereikend. Hoewel zeer ongelijk verdeeld over de wereld en over rijk en arm, is de menselijke dissipativitet van een bepalende orde met een determinerende werking sinds en doordat de planetaire grenzen structureel en in toenemende mate worden overschreden. Het is niet meer dan logisch dat de dissipatieve vraag aanbod aantrekt, hetgeen van invloed is op ethisch-morele oordelen.
Uitgaande van Deel I is de veronderstelling hier dat instorting inmiddels onvermijdelijk is. Wetenschap moet gezien haar aards spreken in scenario’s, en niet in deterministische uitkomsten. Het is (dus) een veronderstelling in de zin van persoonlijke bovenwetenschappelijke kennisvormen. De onderbouwde veronderstelling is dat de determinerende factoren steeds meer de overhand krijgen en dat daar logica in zit op basis van de lange evolutionaire processen met steeds weer versterkende versnellingen, hetgeen nu culmineert in het Antropoceen.
Willen we voorzichter zijn dan dat en wachten tot wetenschappelijk bewijs geleverd is? Dat kan ook. Technologie als oplossing? Ik zie het niet voor me. institutionele innovatie? Idem, of te laat. Culturele shifts in de zin van Social Tipping Points? Lijken me steeds verder buiten bereik te komen, en als dan toch, dan te laat. Deze jaren van dit decennium werden toch alom als cruciaal beschouwt? En zie toch wat er gaande is. ‘Parijs’ is stuk, en dat betreft nog slechts een deelprobleem.
De zichtbare verslechteringen zijn zowel feitelijk als waardegeladen in de zin van Betekenis. Er is wat dat betreft ook eigenlijk geen onderscheid te maken tussen die twee, precies vanwege de natuurcultuurverstrengeling. We leven in een breukfase of periode tussen Holoceen en Antropoceen: feitelijk, waardegebonden en paradigmatisch. Er is wat dat betreft conceptueel gezien een scherp onderscheid te maken tussen deze twee tijdperken.
We leven in een crisis van existentiële betekenis, die een crisis van leefbaarheid is, die een meta-fysische crisis is.
- Leven in een wereld die uit balans raakt
We denken vaak dat wij mensen betekenis geven aan de wereld. Maar wat als het andersom is? Wat als wij juist leven in betekenis, zoals vissen in water? De Nederlandse filosoof Herman Dooyeweerd beschreef de werkelijkheid als opgebouwd uit verschillende “sferen of aspecten van betekenis”: het biologische, sociale, economische, ethische en esthetische. Samen vormen ze de leefwereld waarin wij bestaan.
Die leefwereld is cultureel, mentaal en fysiek. We zijn afhankelijk van een stabiele aarde: een leefbaar klimaat, vruchtbare grond, schoon water. Lange tijd – tijdens het relatief stabiele Holoceen – waren die omstandigheden gunstig. Dat maakte menselijke beschaving en exponentiële groei mogelijk.
Maar inmiddels leven we in tijden van planetaire overshoot. Het probleem is dat deze overschrijding de wereld ondermijnt waarin wij betekenis ervaren. Wat eerst min of meer vanzelfsprekend was – veiligheid, continuïteit, vooruitgang – komt onder druk te staan. Alles is met elkaar verweven, zoals Bruno Latour duidelijk maakt.
Tegelijkertijd is de mens een bijzonder wezen. Volgens Helmuth Plessner staat de mens als het ware ook buiten zichzelf, waardoor we kunnen reflecteren op ons eigen gedrag. Daardoor kunnen we vooruitdenken en problemen zien aankomen. Maar dat betekent niet automatisch dat we ze ook kunnen oplossen. Dit is precies de spanning, met alle bijbehorende dilemma’s, spagaten en tegenstrijdigheden van deze tijd. Dit zijn niet zomaar oplosbare dilemma’s. We weten steeds beter wat er misgaat, maar het lukt ons (tot nu toe) niet om onze koers te veranderen. Ondertussen zetten ecologische processen gewoon door, waardoor, nogmaals, een determinerende werking ontstaat.
De Britse filosoof Alfred North Whitehead zag de werkelijkheid als een voortdurend proces van verandering. In zo’n proces kunnen systemen uit balans raken en nieuwe evenwichten zoeken. Maar dat betekent niet dat die nieuwe toestand gunstig is voor ons. Het evenwicht wordt gezocht door Zelforganisatie met haar eigen boven de mens uitstijgende kenmerken van determinering en vrijheid. Whitehead noemt deze primordiale actuele scheppingsactiviteit Creativity.
Zitten we inmiddels vast in dit proces van Zelforganisatie dat groter is dan wijzelf? Wat het antwoord ook is – en laat ik het deze keer eens wat voorzichtiger formuleren, evenwel met het donkerbruine vermoeden dat het aan het verdere verloop niets afdoet – : het is duidelijk is dat we, naarmate de tijd verstrijkt en de trends niet worden gekeerd, we toch wel in toenemende mate vast komen te zitten in een groter en dieper proces. Dat is ook de reden waarom we Antropoceentheorie daar moeten zoeken – in de primordialiteit van werkelijkheidsschepping op het diepste meest primaire niveau in samenhang met de geotisch-natuurlijke en sociotisch-cultuurlijke bedding die door evolutie concreet gerealiseerd is en waaraan het stromen zich niet kan onttrekken. De stroom, haar energie, haar snelheid, haar massiviteit, kan vervolgens de loop van de bedding wel doen veranderen en dat is wat we momenteel zien gebeuren in drastische mate. Drastische mate wil zeggen dat we enkel nog historisch vergelijkingsmateriaal hebben vanuit Deep- en BigHistory, met zijn uitstervingsgolven.
Dit vergelijkingsmateriaal benadrukt de betekenis van toenemende determinerende factoren (voor de mens) ten koste van keuzevrijheid en handelingsperspectief. Alleen zo kan naar mijn mening de structurele hardnekkigheid afdoende verklaard worden.
Deel III: Kracht&Macht
De mens neemt in het Antropoceen een paradoxale positie in: hij is uitgegroeid tot een krachtige geofysische factor, maar blijkt tegelijk steeds minder macht te hebben over de gevolgen van zijn handelen. Door menselijke activiteiten is het aardsysteem uit evenwicht geraakt (stuwkracht), waarna natuurlijke processen onvermijdelijk toewerken naar een nieuw evenwicht (trekkracht), dat ongunstig voor de huidige leefbare omstandigheden zal zijn.
De werkelijkheid bestaat uit verschillende onderling verbonden aspecten (zoals fysisch, biologisch, sociaal en economisch), die in het Antropoceen steeds sterker met elkaar verstrengeld raken. Verslechtering in de natuurlijke biofysische sfeer werkt door in alle andere domeinen. Hierdoor neemt de spanning in het totale systeem toe en wordt de menselijke handelingsruimte kleiner.
Klimaatverandering en andere crises zijn symptomen van dit diepere probleem. De planetaire overshoot leidt tot een dynamiek waarin afbrekende krachten (ecologische verslechtering) sterker worden dan opbouwende krachten (politiek, beleid, maatschappelijke actie). De responsvrijheid van de mens neemt af.
De huidige ontwikkeling verschilt fundamenteel van eerdere historische crises in de mensentijd doordat de schaal mondiaal is en bepaalde bepalende processen onomkeerbaar zijn op zeer lange tijdschalen. Waar eerdere beschavingen konden herstellen, staat nu het hele aardsysteem onder druk. Enkel vergelijkingen met eerdere massa-extincties uit de BigHistory geven nu nog afdoende analogieën. (terzijde: het lijkt erop dat ChatGPT daar niet voldoende mee gevoed is, waardoor zhij deze teksten over het algemeen te deterministisch vindt.)
De mens wordt geconfronteerd met een overmacht van natuurcultuurverstrengelde krachten die leiden tot toenemende instabiliteit en spanningsopbouw, met daardoor, in samenhang met de ongekende snelheid en de huidige zeer hoge cultuurlijke complexiteit en verwevenheid inmiddels onontkoombare grootschalige maatschappelijke en ecologische instortingen.
De verstrengeling van natuur en cultuur zorgt ervoor dat crises elkaar versterken en de menselijke handelingsruimte afneemt.
Deel IV: Tijd, evolutie en het Antropoceen: een geïntegreerd perspectief
De hedendaagse ecologische crisis vereist een herziening van ons begrip van tijd, geschiedenis en de positie van de mens daarin. Traditionele lineaire en mensgerichte geschiedopvattingen schieten tekort om de dynamiek van het Antropoceen te begrijpen. In plaats daarvan is een gelaagd tijdsbegrip nodig, waarin micro-, macro- en kosmische processen in samenhang worden beschouwd.
Binnen dit kader kunnen historische ontwikkelingen worden opgevat als cyclische processen van opkomst, groei en verval. De huidige toestand van planetaire overshoot past binnen dergelijke bredere systeemdynamieken.
De integratie van Big History en Deep History maakt het mogelijk om de menselijke geschiedenis te situeren binnen zowel kosmische als evolutionaire processen. Deze benadering ondermijnt het klassieke dualisme tussen natuur en cultuur: menselijke technologie en economie verschijnen niet langer als extern aan de natuur, maar als voortzettingen ervan.
Tegelijkertijd roept dit perspectief fundamentele vragen op over agency, vrijheid en determinatie. In hoeverre is de huidige crisis het gevolg van bewuste menselijke keuzes, en in hoeverre van onderliggende evolutionaire en systeemmatige wetmatigheden? Deze ambiguïteit wordt versterkt door het feit dat menselijke innovatie — met name technologisch — zowel adaptief succes als systemische instabiliteit heeft voortgebracht.
De historische ontwikkeling van westerse wereldbeelden speelt hierin een cruciale rol. Met name het vooruitgangsgeloof en de scheiding tussen natuur en cultuur hebben de voorwaarden geschapen voor grootschalige exploitatie van natuurlijke systemen. Deze denkbeelden zijn echter ambivalent: zij hebben zowel materiële welvaart als ecologische destructie mogelijk gemaakt.
Op geopolitiek niveau ontstaat een fundamentele spanning. De aanpak van planetaire problemen vereist ongekende vormen van mondiale samenwerking, terwijl historische patronen van machtscompetitie en ongelijkheid juist fragmentatie bevorderen. Dit wijst op een structurele kloof tussen noodzakelijke en feitelijke politieke dynamiek.
Het onderscheid tussen “globale” (menselijke) en “planetaire” (aardsysteem-)processen verheldert deze problematiek. In het Antropoceen raken deze twee domeinen echter zodanig verstrengeld dat zij analytisch nauwelijks nog te scheiden zijn. Hierdoor ontstaat een nieuwe historische conditie waarin natuur- en mensengeschiedenis samenvallen.
Dit samenvallen van de geschiedenis van de mens en dat van de planeet heeft een existentiële dimensie: de mens wordt geconfronteerd met de grenzen van zijn eigen ontwikkelingslogica. Het Antropoceen markeert daarmee niet alleen een geologisch tijdperk, maar ook een crisis van zelfbegrip. In de spanning tussen macht en afhankelijkheid, tussen handelen en ondergaan, ontvouwt zich de geschiedenis van het Antropoceen.
Deel V: uitgelicht; accenten
- Fundamenten & Begripsvorming
- A. Antropocene begripsvorming & terminologie
- B. Aanvulling op de kenmerken van het Antropoceen
- C. Het contrast tussen Holoceen en Antropoceen
- D. Antropocentrisme en antropocentrische/excentrische positionaliteit
- E. Moderniteit
- F. Verlichtingsdenken
- Kenleer & Wetenschapsfilosofie
- G. Soorten kennis
- H. Wat kunnen we weten?
- I. Wetenschap; niet-wetenschap; boven-wetenschappelijk
- J. Fenomenologie en voorwetenschappelijke kennis
III. Metafysica & Ontologie
- K. Realisme & idealisme
- L. Twee typen idealisme
- M. Speculatieve metafysica en procesfilosofie
- N. Kosmische structuren
- O. Causale gelaagdheid: verleden – heden – toekomst
- Theoretische Benaderingen & Filosofen
- P. Theoretische benaderingen/perspectieven
- Q. Hypotheses en -ismen (incl. Deleuze)
- R. Dooyeweerd (modale aspectenleer)
- SI. Habermas
- Natuur, Evolutie & Systeemdynamiek
- T. Evolutie
- U. Evolutionaire wetmatigheid van overshoot
- V. Seneca-effect
- W. Twee typen natuur-cultuurverstrengeling
- X. Twee typen dissipativiteit & natuur-cultuurverstrengeling
- Antropoceen-dynamiek & Analyse
- Y. Antropocene verandering; wetenschap; dualisme
- Z. Samenwerking, stress & conflict
- AA. Wereldcollectief
- AB. Techno & COP’s
- AC. Vooruitgangsval
- AD. Fuiktijdperk
VII. Ethiek, Mensbeeld & Existentiële Dimensie
- AE. Ethiek
- AF. Angst & vrees
- AG. Determinisme – pessimisme – realisme
VIII. Praktijkvelden & Toepassingen
- AH. Problematiek van landbouwtransities
- AI. De blik gericht op Afrika
- Tijd, Geschiedenis & Toekomst
- AJ. Drie geschiedenissen
- AK. Prioriteitenverschuiving
- AL. Cultuurlijke navigatie en natuurcultuurlijke evolutionaire navigatieroute
- Slot
- AM. Vanwaar dit Borgingskader?
-
- Antropocene begripsvorming&terminologie
De ecotische en sociotische achteruitgang zijn elkaar aan het versterken. Tegelijk verandert de wereldorde snel, waarbij de opkomst van ultra-rechtse politieke stromingen wereldwijd wordt gezien als onderdeel van bredere, diepgaande maatschappelijke dynamieken.
Een belangrijk verschil met eerdere historische crises (zoals de jaren 30) is dat we te maken hebben met nu wel en toen niet planetaire overshoot.
We kunnen inmiddels twee fasen aan het vroeg-Antropoceen onderscheiden, waarbij de tweede een subfase is van de eerste: de eerste fase (The Great Acceleration) is een sterke groei en toenemende druk op de aarde. In de tweede fase komen ecologische en sociale crises samen en leiden tot zelfversterkende processen met het bereiken van kantelpunten.
De zoektocht naar nieuwe begrippen en terminologie om deze unieke en complexe situatie te beschrijven is een interdisciplinaire en transdisciplinaire. Miscommunicatie zal daarbij onvermijdelijk zijn, omdat mensen vanuit verschillende wereldbeelden en overtuigingen denken. Daar hoort ook emotionaliteit bij. Hierdoor is neutraliteit in het maatschappelijke debat, vooral op trans-disciplinair, boven-wetenschappelijk gebied, over het Antropoceen vaak niet mogelijk.
-
- Aanvulling op de kenmerken van het Antropoceen
We kunnen inmiddels een extra kenmerk aan het Antropoceen toevoegen: de bepalende (determinerende) invloed van menselijke activiteiten op de aarde. In dit tijdperk vallen lange natuurlijke tijdcycli uit Big History en Deep History samen met kortere menselijke geschiedeniscycli, doordat de mens een dominante geofysische kracht is geworden, waardoor we ons bevinden in een structurele massieve overmachtige fase, waarin herstelmogelijkheden niet meer van de orde zijn dan eerder in het redelijk stabiele Holoceen.
Bovendien zijn onomkeerbare veranderingen al eerder ingezet – al voordat de veranderingen zichtbaar werden. En dat is ook wel logisch: het Antropoceen is vast niet uit de lucht komen vallen en kent een lange voorgeschiedenis, met de grootste versnellingen van extractie en dissipativiteit precies door en gedurende de gunstige omstandigheden van het Holoceen. Het belangrijkste kantelpunt ligt dus al in het verleden en kan gekoppeld worden gezien aan de lange evolutionaire oorzakelijkheidsketen van bronoorzaken, via structuuroorzaken, naar gelegenheidsoorzaken.
-
- Het contrast tussen Holoceen en Antropoceen zo scherp mogelijk gesteld.
Laten we het Holoceen nog eens op een andere manier beschrijven dan eerder gedaan – scherp gesteld, om misverstanden omtrent een romantisering ervan de kop in te drukken:
- één bak ellende, verschrikking, verwonding,
- onder de wetten van het behoud ervan,
- waarbij zich extreem veel cultuurlijke, technologische, demografische en van de natuur vervreemdende ontwikkeling en groei voordeed, kon voordoen,
- door de redelijk stabiele en gunstige klimaatomstandigheden.
Het scherpe conceptuele en reële contrast met het Antropoceen wordt dan:
- een schrikbarend grotere bak ellende, verschrikking, verwonding,
- onder de wetten van de toename ervan,
- waarbij zich extreem veel cultuurlijke, technologische, demografische ondermijning, aftakeling, vernietiging voordeed, kon voordoen,
- door de toenemend instabiele en ongunstige klimaatomstandigheden.
Het is logisch dat het Antropoceen in het Holoceen werd opgebouwd, al vanaf den beginne ervan; en dat de gevolgen van de onlosmakelijke natuurcultuurverstrengeling pas achteraf beseft konden worden – toen het te laat was. De mens betaalt een hoge prijs voor zijn ‘to be’. ‘Not to be’ kan een uitkomst zijn.
-
- Antropocentrisme en antropocentrische/excentrische positionaliteit
De positie van antropos is een bijzondere t.o.v. andere dieren. De mens wordt gekarakteriseerd door een centrische positionaliteit en een excentrische positionaliteit, waardoor hij zich bewust is van zijn tekortkomingen, zonde en vervreemding van de natuur. Deze dubbele positie beïnvloedt menselijke intentionaliteit, de manier waarop mensen doelen en waarden kiezen, inclusief hun ecologische keuzes.
Klimaatverandering en ecocentrische gedragsverandering is niet eenvoudig, omdat menselijke intenties voortkomen uit pré-intentionele bronoorzaken – evolutionaire en cultuurlijke structuren die diep verankerd zijn in onze aard. Deze primaire oorzaken liggen dieper dan secundaire factoren zoals consumentisme, kapitalisme of materialisme, die ‘slechts’ gelegenheidsoorzaken zijn.
Historische ontwikkelingen zoals economie, technologie en bezit hebben de natuurlijke dissipativiteit van de mens versterkt, waardoor conflicten over energie, voedsel en grondstoffen onvermijdelijk worden. Zelfs idealistische intentionele verschuivingen naar ecocentrisme kunnen deze fundamentele structuren niet omzeilen. De pré-intentioneel gerelateerde dissipativiteit vloeit niet voort uit de excentrische, maar uit de centrische positionaliteit, die inclusief onze kunstmatigheid-van-nature moet worden gedacht als zijnde het wezen van de mens. De mens, als het naakte onbehuisde dier, moet sferen bewonen, ook materiële.
Pogingen tot ecocentrische transities worden beperkt door deze primaire, bronoorzakelijke, dissipatieve structuren.
-
- Moderniteit
We kunnen kijken naar wat Bruno Latour’s zegt in zijn kritiek op de moderniteit en zijn pleidooi voor een nieuwe ecologische cultuur. Latour stelt dat het moderne, antropocentrische wereldbeeld—waarin de mens autonoom is en de maat van alle dingen—heeft geleid tot misleidende visies op de relatie tussen mens en aarde. Historisch is deze scheiding tussen natuur en cultuur, feit en waarde, ontstaan door Copernicus, Galilei en de Verlichting. Latour pleit voor een holistisch, netwerkgericht perspectief op de aarde, geïnspireerd door de Gaia-theorie, waarin menselijke en niet-menselijke entiteiten interactief en afhankelijk van elkaar zijn.
We kunnen vervolgens kritiek uitoefenen op Latour’s kritiek. Hoewel een herziening van het mensbeeld kan bijdragen aan meer duurzaamheid, zijn de diepgewortelde evolutionaire en ecologische eigenschappen van de mens mogelijk sterker dan veranderingen binnen het cultuurlijke domein. De huidige ecologische crises zijn mede het resultaat van miljoenen jaren evolutie en menselijk gedrag dat gericht is op consumptie, exploitatie en toename van aantallen. Daardoor kan een transformatie van denkbeelden alleen niet voldoende zijn om overschrijding van planetaire grenzen te stoppen.
Latour benadrukt de noodzaak van een fundamenteel andere omgang met de aarde, maar structurele en evolutionaire realiteiten beperken de effectiviteit van ideologische of culturele transformaties.
-
- Verlichtingsdenken
Er is een relatie tussen het verlichtingsdenken en de huidige ecologische crisis via de ontwikkeling van technologie en wetenschap. De ideologische basis van de Verlichting (rationaliteit, wetenschap, individualisme en geloof in vooruitgang) heeft bijgedragen aan de Industriële Revolutie en de grootschalige menselijke impact op de planeet.
- Verlichtingsdenken
Rationaliteit en beheersing van de natuur: Verlichting benadrukte empirisch, wetenschappelijk denken. De mens wordt gezien als beheerser van de natuur, wat leidde tot exploitatie en grootschalige technologische ontwikkelingen.
Geloof in vooruitgang: Technologische innovatie (stoommachine, elektriciteit, verbrandingsmotoren) werd niet alleen mogelijk, maar ook het doel op zich, met toegenomen productie en bevolkingsgroei als gevolg.
Individualisme: Het subject (menselijk individu) staat centraal in kennisverwerving, los van traditionele autoriteiten zoals kerk of Aristoteles.
- Filosofische kritiek
Herman Dooyeweerd: Wetenschap is nooit volledig autonoom; kennis berust altijd op een religieus grondmotief. De pretentie van absolute rationaliteit is een geloofsovertuiging, geen neutrale basis.
Metafysische beperking: Berger waarschuwt dat wetenschappelijk denken de mens beperkt in het denken over het geheel, omdat het analyseert en reduceert, terwijl veel aspecten van leven betekenisvol zijn maar niet wetenschappelijk meetbaar.
Descartes: Moderne filosofie en wetenschap beginnen met een methodische en rationele benadering, abstraherend van zintuiglijke waarneming. Dit levert zekere kennis, maar kan tekortschieten bij het adresseren van complexe, affectieve, zintuiglijke en ecologische vraagstukken
- Kritiek op verlichtingsdenken in de Antropocene context
Reductie tot rationaliteit: Wetenschap en technologie zijn gericht op abstraheren en beheersen, maar missen belangrijke dimensies zoals affecten, betekenis en zintuiglijke ervaring.
Functionele beperkingen: Terwijl rationele methoden nuttig zijn voor technologie en wetenschap, schieten ze tekort bij het begrijpen en oplossen van ecologische crises.
Dogma’s en wereldbeelden: Huidige ecologische problemen zijn mede het resultaat van langdurige, impliciete aannames over vooruitgang, menselijke dominantie en het loskoppelen van ethiek en religieuze fundamenten van kennis.
- Implicaties
- Rationaliteit en technologische vooruitgang hebben bijgedragen aan ecologische overshoot.
- Politieke en ethische kaders gebaseerd op Holocene omstandigheden zijn ontoereikend.
- Er is een noodzaak tot nieuwe vormen van ethiek, beleid en kennis die rekening houden met complexiteit, zintuiglijkheid, affecten en planetaire grenzen.
- Reflectie op filosofische fundamenten is cruciaal: wetenschap is niet neutraal, maar altijd ingebed in culturele en religieuze aannames.
- Interdisciplinair denken, dat wetenschap, ethiek, politiek en zintuiglijke/affectieve ervaring combineert, is nodig. Bij dit ‘nodig’ kan een conceptueel onderscheid gemaakt worden tussen Antropoceentheorie en praktische transities. Die 2 lopen niet 1 op 1 samen op.
-
- Soorten kennis
Rationele, wetenschappelijke kennis kan niet het hoogste primaat hebben, omdat het primaat uiteindelijk gelegen is in meer fundamentele, intuïtieve kennis die voortkomt uit lichamelijke (zelf)ervaring. Ratio en wetenschap zijn pas later in de evolutie en menselijke ontwikkeling ontstaan.
Mensen begrijpen basiservaringen zoals honger, dorst en lijden direct, zonder wetenschap. Wetenschap is slechts één manier van kennen en moet altijd weer verbonden worden met de concrete, geleefde werkelijkheid.
Toegepast op de Antropocene ontwikkelingen betekent dit een tweeslag: wetenschappelijke kennis laat duidelijk zien dat trends verslechteren en structureel de verkeerde kant op gaan. En op basis van die wetenschap speelt intuïtief aanvoelen van de gevolgen een belangrijke rol in hoe mensen deze ontwikkelingen begrijpen.
-
- Wat kunnen we weten?
De vraag is wat we wél en niet kunnen weten over onze toekomst. Ons inzicht is enerzijds afhankelijk van subjectieve mens- en wereldbeelden en denkbeelden omtrent al dan niet diepe oorzakelijkheden, én anderzijds van kenmerken van planetaire overshoot die gewoon objectief kenbaar zijn. Ons weten omtrent de huidige situatie en het toekomstbeeld is een combi van beide in onlosmakelijke subject-objectrelatie.
- Planetaire overshoot is onhoudbaar, hardnekkig en structureel;
- Complexe verstrengeling van natuur- en cultuursferen versterkt neerwaartse trends via kettingreacties.
- Er zijn twee kenmerken aan dit complex van verstrengeling: 1. De ruimtelijke natuur-cultuurverstrengeling; 2. De temporele causale verstrengeling die omkering praktisch onmogelijk maakt (de ‘pijl van de tijd’).
- Menselijke basisdissipativiteit (energieverbruik en omgevingsextractie) is inherent economisch en kan niet volledig losgekoppeld worden van vraag en aanbod, zelfs niet in alternatieve economieën.
- Structurele trends zijn hardnekkig en verbonden; fluctuaties binnen deze trends zijn moeilijker te voorspellen, vergelijkbaar met het verschil tussen klimaat en weer.
- Politieke acties en systemen kunnen niet los gezien worden van bredere sociaal-natuurkundige processen; politieke verwachtingen moeten realistisch blijven.
- De huidige tijd laat zich kenmerken door zelfversterkende negatieve tendensen, zoals: autocratisering, sociale versnippering en machtsblokken, korte-termijnprioriteiten boven lange-termijnplanning.
- Deze kenmerken kunnen niet los worden gezien van de Antropocene ontwikkeling.
De structuur en patronen van zelfversterking geven ons gevoel, intuïtieve kennis en inzicht omtrent toekomstige ontwikkelingen. Waardoor we nu al kunnen weetvoelen dat ontwrichting en instortingen onvermijdelijk zijn met toenemend determinerende werking ten koste van het handelingsperspectief van de mens.
Wat we niet precies kunnen weten, zijn timing en dynamiek van fluctuaties binnen de structurele trends, bijvoorbeeld hoe en wanneer specifieke politieke of ecologische crises plaatsvinden.
Waarom hier toch steeds zoveel weerstand tegen is:
- het riekt naar fatalisme en determinisme, hetgeen we nu juist niet kunnen gebruiken in onze strijd tegen klimaat-&ecoverandering.
- de wetenschap werkt zo niet, zij werkt met scenario’s en kansberekeningen.
- ons referentiekader (inclusief dat van Chat-GPT) is gebaseerd op Holocene omstandigheden, terwijl referentiemateriaal nu zal moeten komen vanuit vergelijkingen met eerdere voormenselijke grootschalige planetaire omwentelingen.
-
- Wetenschap; niet-wetenschap; boven-wetenschappelijk
De gespecialiseerde wetenschappen zijn in hun huidige vorm beperkt door hun focus op specifieke methodes, vakgebieden en grenzen, waardoor ze de volle complexiteit van het Antropoceen niet kunnen omvatten. Het Antropoceen – breed opgevat als de ingrijpende, boven-rationele veranderingen die de mens en de aarde beïnvloeden – raakt alle aspecten van het bestaan, inclusief de boven- en voor-wetenschappelijke.
Daarom is een integratie nodig tussen natuur-, mens-, cultuur- en geesteswetenschappen, aangevuld met filosofie, techniekfilosofie, wijsbegeerte en metafysica. Filosofie richt zich op waarden, betekenis en onderliggende mens-/wereldbeelden, en kan helpen begrijpen hoe wetenschappelijke kennis altijd geworteld is in voor-wetenschappelijke aannames (zoals het geloof in de Rede of het scheiden van ethische normen van hun context).
Wetenschap alleen is onvoldoende omdat het niet alle aspecten van de werkelijkheid kan bevatten; dit geldt ook voor wetenschapsfilosofie en metafysica. Een Antropoceentheorie zal daarom een combinatie moeten zijn van wetenschap en niet-wetenschap, rekening houdend met intuïtieve, esthetische en narratieve vormen van kennis. Het afbakeningsprobleem (wat wel of niet wetenschappelijk is) wordt hierdoor complex, en het denken in louter logische bewijsvormen sluit veel andere manieren van kennen uit.
Menselijke kennis en handelen creëren en beïnvloeden mede de wereld, maar in het Antropoceen worden de boven-rationele processen van de natuur steeds dominanter. Hierdoor worden de mogelijkheden van menselijke ontwerp- en oplossingsprincipes kleiner, en zal de wetenschappelijke blik gerelateerd en gerelativeerd kunnen worden aan de massieve, boven-wetenschappelijke veranderingen.
Een volledige benadering van het Antropoceen vereist een holistische integratie van wetenschap, filosofie, kunst, narratieve kennis en een erkenning van boven-rationele krachten, waarbij menselijke invloed zowel krachtig als beperkt is.
-
- fenomenologie en voorwetenschappelijke kennis
De Franse filosoof Michel Henry (1922–2002) levert een originele bijdrage aan de fenomenologie door de dualiteit van het verschijnen te benadrukken. Volgens hem is er een eerste, fundamentele laag van verschijnen: de immanente affectiviteit of het ‘leven zelf’. Dit innerlijke, affectieve vermogen vormt de voorwaarde voor de mogelijkheid van intentioneel bewustzijn dat zich naar de wereld richt, zoals bij Husserl beschreven.
Henry stelt dat dit innerlijke leven niet door het ik zelf wordt gecreëerd, maar een relationeel, dialogisch karakter heeft: de relatie van het ‘Leven Zelf’ met het levende wezen. Dit principe van innerlijke affectieve relatie vertoont parallellen met de dialogische filosofie van Buber en Levinas, waarin basistonaliteiten zoals lijden en vreugde centraal staan.
In Henry’s filosofie vormt deze innerlijkheid de grondslag voor extoriteit en intentionaliteit: het stelt het ik in staat zich naar de wereld te richten en kennis van de wereld op te doen. Zijn werk kan worden gezien als een combinatie van systematische fenomenologie, levensfilosofie en immanentiefilosofie, waarin de immanente affectiviteit de voorwaarde is voor zowel bewustzijn als wereldervaring.
Tegelijkertijd wordt de uitdaging zichtbaar wanneer we deze immanente fenomenologie toepassen op wat als transcendent wordt ervaren: de veranderende wereld en onze intentionaliteit daarin. Henry’s theorie schetst een dubbele relatie: tussen innerlijke passionele ervaringen (ik-gij, lijden, vreugde) en de externe wereld. Hetgeen leidt tot voorwetenschappelijke ervaringskennis.
Kortom, Henry legt de nadruk op een innerlijke affectieve grondlaag die voorafgaat aan en mogelijk maakt dat wij de wereld kunnen ervaren en er intentioneel op reageren.
-
- Realisme&idealisme
We kunnen de spanning tussen idealisme en realisme in de context van klimaatverandering en mondiale crises benaderen aan de hand van een aantal kernpunten:
- Urgentie en realisme: Veel milieu- en klimaatproblemen zijn al onomkeerbaar (bijv. zeespiegelstijging, verlies van koraalriffen). Wetenschappers waarschuwen dat het venster voor effectieve oplossingen snel sluit door kantelpunten en structurele, langdurige effecten.
- Effect op beleid en samenleving: Toenemende ecologische druk dwingt mensen hun energie en middelen te besteden aan dagelijkse overlevingsproblemen in plaats van langetermijnklimaatbeleid. Dit leidt tot afnemende ambitie en toenemende conflicten, vooral in kwetsbare landen.
- Negatieve transities: De wereld volgt nu eeuwenlange, dominante, negatieve trends (uitstervingsprocessen, ontbossing, landverandering) die niet eenvoudig te keren zijn. De huidige transitie is een negatieve, overheersende kracht, die andere gewenste transities overschaduwt.
- Natuur-cultuurverstrengeling: De relatie tussen mens en natuur wordt steeds complexer. Er zijn twee tegengestelde perspectieven in te nemen: het Symbioceen (harmonieuze samenwerking) tegenover toenemende overmacht van natuurkrachten. Realistisch gezien wint de tweede interpretatie terrein.
- Rol van idealisme: Ondanks verslechterende omstandigheden blijft een vorm van idealisme nodig om zoveel mogelijk te vertragen&verzachten, ook om determinerende werking te verkleinen, vooral op individueel en lokaal niveau. Nate Hagens benoemt dit: hoewel grootschalige beleids- en technologische oplossingen vaak niet voldoende zijn, kan verandering ontstaan via onderwijs, proefprojecten, samenwerking en focus op individueel welzijn (zelfzorg, leefstijl, kalmeren van het zenuwstelsel).
- Conclusie: Het realisme benadrukt dat grootschalige trends nauwelijks te keren zijn, maar idealisme blijft waardevol voor het verzachten en vertragen van negatieve effecten en voor het verbeteren van de beginvoorwaarden van de toekomst.
-
- Twee typen idealisme; het naïeve en het realistische
- Antropoceen versus Holoceen: het Holoceen bood relatief stabiele en gunstige omstandigheden, waarin menselijke maatschappijen zich konden ontwikkelen met een zekere omkeerbaarheid van negatieve ontwikkelingen. Het Antropoceen wordt gekenmerkt door sterk toenemende verstrengeling van natuurlijke en culturele sferen; escalerende planetaire overshoot, met zichzelf versterkende negatieve effecten; verlies van herstelmogelijkheden die in het Holoceen nog bestonden.
- Naïef idealisme versus realistisch idealisme
Naïef idealisme ontkoppelt de culturele sferen van de natuurlijke. Het scheidt binnen culturele sferen het moreel-ethische van de basale zijnsaspecten zoals overlevingsdrift, macht, competitie. Het negeert de dramatische, existentiële impact van het Antropoceen op deze verstrengelingen.
Realistisch idealisme beseft de actuele uit-evenwicht-verstrengeling van de wereld; het erkent dat irrationele, basale overlevingskrachten domineren ten opzichte van hogere, moreel-ethische aspecten; het handelt met het besef dat idealisme alleen kan werken binnen de huidige machts- en krachtsverhoudingen, en dat planetair samenwerken noodzakelijk is maar moeilijk te realiseren.
- Aspectenleer van Dooyeweerd
De menselijke realiteit kan worden geanalyseerd via zijnsaspecten: fysisch, biotisch, psychisch, historisch, sociaal, economisch, juridisch, moreel-ethisch, etc. In het Holoceen functioneerden deze vaak heilzaam; in het Antropoceen verschuift de balans richting onheilzaam functioneren, vooral doordat basale overlevingsaspecten de overhand krijgen over hogere aspecten zoals rechtvaardigheid of morele rede. Zo verzwakt bijvoorbeeld het internationaal recht.
- Dynamiek van planetaire overshoot
Exponentiële groei van steden verhoogt kwetsbaarheid: logistiek, gezondheid, waterinfrastructuur. Politieke motieven worden openlijk gedreven door overlevings- en machtslogica. De afgelopen vijf jaar zijn significant sneller veranderd dan de voorgaande decennia. Het is een onontkoombaar proces: kantelpunten worden deels bereikt en versterken zichzelf, met onomkeerbare effecten.
- implicaties voor idealisme
Een naïef idealist mist het dramatische verschil tussen Holoceen en Antropoceen en onderschat de rol van irrationele, basale krachten. Een realistisch idealist daarentegen erkent deze dynamiek en handelt met het besef dat vertraging en verzachting cruciaal zijn om de negatieve effecten van het Antropoceen te beperken. Het ideaal van planetair samenwerkingsniveau, convivialistisch en moreel gericht op de lange termijn, botst met de harde realiteit van menselijke en structurele overlevingsdrang.
-
- Speculatieve metafysica en procesfilosofie, anticiperend en retrociperend
Het Antropoceen kan worden begrepen vanuit procesfilosofie: de werkelijkheid bestaat niet uit stabiele dingen, maar uit voortdurende verandering en energetische processen. In lijn met Heraclitus van Efeze is alles ‘vuur’, ofwel energie: dynamisch, transformerend en onophoudelijk in wording. De mensheid is binnen dit geheel een sterk dissipatief systeem geworden, dat steeds meer energie en grondstoffen verbruikt en daarmee planetaire grenzen overschrijdt.
Omdat deze dynamiek geworteld is in fundamentele wetmatigheden (zoals dissipatie en vraag-aanbod), lijkt volledige omkering van schadelijke trends onwaarschijnlijk. Wetenschappelijke waarschuwingen leiden bovendien onvoldoende tot effectieve mondiale actie.
Procesfilosofie helpt dit te duiden door te stellen dat verandering fundamenteel is, dat tijd en werkelijkheid bestaan uit processen en dat wat mogelijk is, bepaald wordt door een verschuivend “potentieveld”.
Tegelijk bevat dit denken altijd een speculatief element: we kijken zowel vooruit (toekomst, anticiperend) als achteruit (oorzaken, retrociperend), terwijl niet alles volledig kenbaar of bewijsbaar is.
Hoewel processen wetmatig zijn, ligt de uitkomst niet volledig vast. Er bestaan meerdere mogelijke paden binnen het op dat moment vigerende potentieveld. Dat betekent tegelijk dat volledige terugkeer naar vroegere toestanden onwaarschijnlijk is.
-
- Kosmische structuren
We kunnen een diepgaande toepassing uitwerken van procesfilosofie (met name geïnspireerd door Alfred North Whitehead) op kosmische structuren en de uitdagingen van het Antropoceen.
- Immanentie en Wordingstrekkracht
- De werkelijkheid is primair relationeel en temporeel; gebeurtenissen ontstaan uit relaties met eerdere gebeurtenissen en beïnvloeden toekomstige gebeurtenissen.
- Er is een immanent ‘goddelijk’ Streven of Wordingstrekkracht: dit is geen bovennatuurlijke entiteit, maar een inherente gerichtheid van de kosmos die de mogelijkheid van orde in de chaos laat zien.
- Deze Wordingstrekkracht heeft twee aspecten:
- Primordiaal – de bron van mogelijke realisaties; het verlangen dat mogelijkheden werkelijkheid worden.
- Consequent – de opgenomen realiteit van alles wat al heeft plaatsgevonden; een soort dragende bedding voor nieuwe gebeurtenissen.
- Hiërarchie van kosmische structuren
De kosmos kan worden gezien als een hiërarchische structuur van tijdelijke substructuren tot onverwoestbare primordiale structuren. Bijvoorbeeld van micro naar macro: kwantumprocessen → atomaire structuren → moleculen → cellen → organismen → ecosystemen → kosmische structuren. We moeten ons dat ruimtelijk-temporeel voorstellen, met de nadruk op de temporele relaties. Temporaliteit (tijd) is primair aan ruimtelijke uitgebreidheid; gebeurtenissen zijn fundamenteler dan objecten of substanties. Eigenschappen ontstaan bij interactie; patronen en structuren zijn tijdelijke manifestaties van stabiele relaties.
- Oscillatie van orde en chaos
De kosmos vertoont een yin-yang-achtige dynamiek: entropie en negentropie zijn nooit volledig los van elkaar. Dit impliceert dat ultieme harmonie nooit volledig bereikt wordt: er is altijd een dynamische balans tussen ordening en wanorde. In de huidige fase van het Antropoceen zien we een duidelijke koers richting chaos en destructie van menselijk waardevolle structuren.
- Rol van actuele keuzes
Elk actueel keuzeverloop is medebepalend voor de toekomst. Whitehead onderscheidt drie factoren die een gebeurtenis vormen:
-
- Het verleden (materieel en relationeel)
- Wordingstrekkracht (het immanente verlangen naar het werkelijkheid worden van mogelijkheden)
- Het nieuwe gebeuren zelf (dat zelf beslissingen maakt en concretiseert)
Wordingstrekkracht geeft geen vaste blauwdruk; het schept een mogelijkheid, geen noodzaak. Het respecteert de vrijheid en autonomie van gebeurtenissen en entiteiten.
- Implicaties voor het Antropoceen
De snelheid van menselijke destructieve impact overtreft momenteel de capaciteit van natuurlijke-culturele substructuren om een stabiel evenwicht te bewaren.
- Menselijke keuzes zijn cruciaal maar beperkt; ze zijn slechts een subcategorie van het totale kosmische keuzeverloop.
- De vraag is of menselijk handelen nog toereikend kan zijn om het onheil af te wenden, gezien het grotere netwerk van kosmische processen.
- Conclusie
De procesfilosofie biedt een kader om de relatie tussen tijdelijke substructuren en de basale, onverwoestbare structuur van de kosmos te begrijpen. Het benadrukt dat elke actie, hoe klein, ingrijpt in een netwerk van relaties met zowel onmiddellijke als langdurige gevolgen. Yin-yang-oscillatie, keuzeverloop en Wordingstrekkracht laten zien dat er altijd spanning is tussen stuwende krachten (chaos/destructie) en trekkende krachten (orde/verwezenlijking), en dat menselijke verantwoordelijkheid daarin een noodzakelijke maar niet exclusieve rol speelt.
-
- Causale gelaagdheid; verleden – heden – toekomst
Het Antropoceen is het resultaat van een evolutionaire val: eigenschappen die Homo sapiens evolutionair succesvol maakten - zoals rechtop lopen, gereedschapsgebruik, grote hersenen, taal en samenwerking - hebben geleid tot planetaire overshoot en ecologische instabiliteit. Deze successen op kleine schaal blijken op mondiale schaal destructief door zelfversterkende feedbacks, lange tijdsvertragingen en het onvermogen van het menselijk brein om niet-lineaire systemen te beheersen.
Het gevolg is een fuik van crises: ecologische erosie, sociale ontwrichting en instabiliteit van levensondersteunende structuren. Huidige problemen zijn logisch te verklaren uit de lange keten van oorzaken, maar hun precieze tijdstip en impact blijven onzeker, waardoor de mensheid steeds achter de feiten aanholt.
Omdat interne oplossingen te langzaam en conflicterend zijn, zullen exogene ingrepen noodzakelijk zijn. Het Antropoceen laat zien dat menselijke samenwerking, intelligentie en culturele ontwikkeling zowel ons succes als onze kwetsbaarheid veroorzaken.
Kortom: het Antropoceen is geen toevallig historisch ongeluk, maar een logisch en onontkoombaar bijproduct van menselijke evolutie en cultuur in een causale gelaagdheid van verleden – heden – toekomst
-
- Theoretische benaderingen/perspectieven
- De noodzaak van meerdere perspectieven
Binnen het debat over het Antropoceen wordt steeds sterker aangedrongen op een interdisciplinaire en transdisciplinaire benadering. Dit hangt samen met het besef dat de huidige wetenschappelijke specialisatie en de scheiding tussen wetenschappelijke en andere vormen van kennis tekortschieten om de complexiteit van het Antropoceen te begrijpen.
Deze complexiteit is uitzonderlijk omdat:
- we ons midden in het proces bevinden,
- veranderingen zich met ongekende snelheid voltrekken,
- er sprake is van een radicale breuk met het Holoceen,
- het een fundamenteel nieuwe situatie betreft,
- met existentiële implicaties,
- op een ongekende ruimtelijke en temporele schaal.
De samenhang van deze ontwikkelingen is bovendien diffuus en moeilijk te overzien. Toch lijkt er sprake van een onderliggende holistische verwevenheid, onder meer zichtbaar in:
- planetaire grenzen
- natuur-cultuurverstrengeling
- ruimtelijke en temporele dynamiek
- existentiële betekenis (heil/onheil)
- de spanning tussen systeemdenken en totaliteit
- de wederzijdse versterking van crises (multiplicatieve effecten i.p.v. optelsommen)
Het Antropoceen confronteert ons met de noodzaak om meerdere perspectieven tegelijk te denken, mogelijk voorbij de grenzen van traditionele kennisvormen.
- Wetenschappelijke en filosofische benaderingen
Verschillende disciplines bieden elk een eigen toegang tot het Antropoceen:
- Geologisch: interacties tussen biosfeer, atmosfeer en geosfeer door de tijd heen
- Biologisch: de overgang van chemie naar leven en dynamieken van evolutie en uitsterven
- Natuurkundig: een thermodynamische benadering van leven als dissipatief proces
- Antropologisch: de mens als betekenisgevend wezen binnen culturele en historische contexten
Naast deze wetenschappelijke benaderingen is er de fenomenologische benadering, zoals ontwikkeld door Edmund Husserl. Deze richt zich op de geleefde ervaring en probeert verschijnselen te begrijpen vanuit het eerste-persoonsperspectief.
Fenomenologie onderscheidt zich doordat zij:
- beschrijvend is in plaats van verklarend
- uitgaat van de ‘leefwereld’
- betekenis en ervaring centraal stelt
- fungeert als mogelijke grondslag voor andere kennisvormen
- Eerste- en derde-persoonsperspectief
Een cruciaal onderscheid loopt tussen:
- het derde-persoonsperspectief (objectiverend, wetenschappelijk)
- het eerste-persoonsperspectief (ervaringsgericht, betekenisgevend)
Filosofen zoals Michel Henry benadrukken dat zelfs het eerste-persoonsperspectief voorafgegaan wordt door een meer fundamentele vorm van ‘gegeven-zijn’ — een vorm van leven of affectiviteit die voorafgaat aan intentionaliteit.
Dit idee resoneert met:
- de Ik-Gij-relatie van Martin Buber
- de notie van Zelfheid bij Herman Dooyeweerd
Hier verschijnt een diepere laag waarin kennis, ervaring en betekenis geworteld zijn.
- Procesfilosofie en kritiek op rationalisme
De procesfilosofie, onder andere bij Henri Bergson, biedt een alternatief voor mechanistische en reductionistische modellen. In Creative Evolution beschrijft Bergson evolutie als een creatieve, onvoorspelbare voortgang, gedreven door een vitale impuls.
Belangrijke concepten zijn:
- duur (durée) als continue tijdservaring
- intuïtie als noodzakelijke aanvulling op rationeel denken
- kritiek op een louter mechanistisch wereldbeeld
Dit roept de vraag op of:
- innerlijke ervaring en uiterlijke werkelijkheid twee zijden van dezelfde realiteit zijn
- eenzijdig rationalisme (zoals bij René Descartes) onze toegang tot die realiteit beperkt
- Naar een geïntegreerd begrip?
Het Antropoceen vraagt om een denken waarin:
- subject en object niet langer strikt gescheiden worden
- wetenschap en ervaring elkaar aanvullen
- betekenis (heil/onheil, lijden/genieten) een centrale plaats krijgt
Of dit leidt tot concrete oplossingen blijft onzeker. Maar het kan wel bijdragen aan een dieper begrip van de situatie en mogelijk een oriëntatie op handelen.
-
- Hypotheses en -ismen (incl. Deleuze)
We kunnen in het kader van Antropocene theorievorming meerdere lagen combineren: antropologie, filosofie, procesdenken, en speculatieve ethiek in relatie tot het Antropoceen.
- Antropocentrische en excentrische positionaliteit
- Centrale gedachte: De mens heeft een dubbele structuur:
- Centrisch (natuurlijk): Antropos staat in het centrum van zijn eigen waarneming, zoals alle dieren; dit is inherent antropocentrisch.
- Excentrisch (uniek): Antropos kan zichzelf vanuit een perspectief buiten zichzelf observeren en reflecteren. Hieruit ontstaan -ismen, denkconstructen en theorieën.
- Kernpunt: Het antropocentrisme is niet per se ethisch problematisch; het is een natuurlijke structuur. Denkbeelden over ‘boven de natuur staan’ komen voort uit de excentrische positionaliteit, en deze denkbeelden werken als gelegenheidsoorzaken, niet als bronoorzaken van de ecologische crisis.
- Analogisch voorbeeld: Individualisme (excentrisch) versus individualiteitsstructuur (centrisch). Alle -ismen zijn producten van reflectie, van excentriciteit.
- Gilles Deleuze en procesdenken
- Beweging en verandering: Alles is ‘worden’, niet statisch zijn. Identiteiten zijn tijdelijke assemblages van processen en relaties.
- Belangrijkste concepten in verband met het Antropoceen:
- Verschil > Identiteit: Verandering en differentiatie zijn primair.
- Netwerken > Hiërarchieën: De wereld is een netwerk van verbonden krachten, geen centrum van controle.
- Creativiteit > Representatie: Nieuwe combinaties en assemblages bepalen het verloop van processen.
- Immanentie > Transcendentie: Het proces zelf is voltrekkend, er is geen buitenstaander nodig.
- Antropoceen als netwerkproces: De mens is slechts één knooppunt, dat echter een grote invloed kan hebben op het netwerk. Het versnelt transformaties, maar is ook afhankelijk van bredere krachten.
- Ethiek van het Antropoceen
- IS vs. OUGHT: De feitelijke processen (‘IS’) van het Antropoceen wijken af van wat we zouden willen (‘OUGHT’).
- Menselijke macht versus kwetsbaarheid:
- Machtig knooppunt: De mens veroorzaakt enorme veranderingen.
- Zwakkere knooppunt: De mens kan die veranderingen niet volledig beheersen of oplossen.
- Nieuwe ethiek: In plaats van dominantie, moet ethiek gericht zijn op:
- Relationele afhankelijkheid
- Verantwoordelijkheid binnen netwerken
- Duurzaamheid en co-existentie met andere assemblages
- Gezonde vs. ongezonde verandering: Niet elke verandering is problematisch; het probleem is de ongezonde, destructieve differentiatie die het Antropoceen karakteriseert.
- Speculatieve filosofie en realistische descriptie
- Vier lagen van kennis:
- Gespecialiseerde wetenschappen
- Interdisciplinaire wetenschappen
- Transdisciplinaire benaderingen
- Bovenwetenschappelijke intuïtieve metafysica (speculatieve filosofie)
- Rol van Deleuze: Zijn procesmetafysica biedt een creatieve, realistische en descriptieve manier om planetaire transformaties te begrijpen.
- Probleem: Wetenschappers, beleidsmakers en activisten moeten handelen binnen prescriptieve kaders, waardoor ze minder ruimte hebben voor speculatieve beschrijvingen van complexiteit en ambivalentie.
- Kernbegrippen samengevat
Thema
Concept
Toepassing op Antropoceen
Structuur van de mens
Centrisch/excentrisch
Oorzaken van denkbeelden, -ismen, reflectie
Realiteit
Worden, verschil, netwerk
Alles verandert, geen vast centrum, identiteiten tijdelijk
Ethiek
IS versus OUGHT
Feiten van Antropoceen vs. gewenste transitie
Filosofie
Speculatieve procesmetafysica
Creatieve realistische descriptie van planetaire transformatie
Probleem
Ongezonde verandering
Antropoceen als potentieel destructief netwerkproces
- Conclusie
- Het Antropoceen is een objectief reëel proces, onafhankelijk van menselijke denkconstructen.
- Onze denksystemen, -ismen en ethieken ontstaan uit excentrische positionaliteit en kunnen ons helpen begrijpen en reageren, maar ze veroorzaken het Antropoceen niet. En ze kunnen het ook niet oplossen.
- Deleuze biedt een filosofisch kader om het continu veranderende netwerk van mens, natuur en technologie te beschrijven, zonder de illusie van controle.
- Ethisch handelen vereist een verschuiving van dominantie naar netwerkverantwoordelijkheid, maar de feitelijke veranderingen (IS) zijn vaak tragisch en buiten directe controle.
-
- Ontwrichtingsproces en modale aspectenleer van Dooyeweerd
Het Antropoceen kan worden gezien als een multi-aspectueel ontwrichtingsproces. We kunnen een aantal onderling verbonden fundamentele zijnsaspecten (naar de modale aspectenleer van de filosoof Herman Dooyeweerd) op een rijtje zetten en dezen betrekken op de Antropocene ontwikkeling.
De samenhang van de zijnsaspecten toont ons dat de Antropocene veranderingen een totaalontwrichting betekent door de onderlinge verwevenheid van de modale aspecten in hun natuur-cultuur-sferen-verstrengeling. De modale aspecten infecteren elkaar in wisselwerking. Sommige aspecten (de eerdere, ‘lagere’) zijn meer natuurgerelateerd, ander aspecten (de latere, ‘hogere’) zijn meer cultuurgerelateerd. Het is een totale subject-object crisis van de modale ervaringswerkelijkheid.
- Numeriek: zoals Exponentiële groei van bevolking; CO₂ in ppm. Met als kenmerk: meetbare grootheden.
- Ruimtelijk: verstedelijking; fragmentatie van ecosystemen; globalisering. Met als Antropoceen kenmerk: ruimtelijke disbalans tussen consumptie en productie.
- Kinetisch (beweging): versnelling (transport, logistiek, kapitaalstromen); “Great Acceleration” na 1950. Met als Antropoceen kenmerk: structurele versnelling van natuurcultuurverstrengelde patronen.
- Fysisch: klimaatverandering; chemische vervuiling; energieverbruik. Met als Antropoceen kenmerk: verstoring van natuurlijke evenwichten.
- Biotisch: massale soortensterfte; monoculturen; bodemuitputting. Met als Antropoceen kenmerk: instrumentalisering van leven.
- Psychisch (gevoelsaspect): eco-angst; klimaatdepressie; onthechting van natuur. Met als Antropoceen kenmerk: psychische spanning tussen welvaart/welzijn en existentiële dreiging.
- Logisch-analytisch: technocratische beheersingslogica; data-gedreven beleid; klimaatmodellen. Met als Antropoceen kenmerk: natuur primair beschouwt als probleem-object.
- Historisch cultuurvormend: fossiele moderniteit; industriële revolutie; extractivisme. Met als Antropoceen kenmerk: cultuurmacht zonder normatieve begrenzing.
- Linguaal: framing (“groene groei”, “duurzame ontwikkeling”); narratieven over vooruitgang. Met als Antropoceen kenmerk: taal legitimeert exploitatie of transitie.
- Sociaal/politiek: klimaatongelijkheid; Noord-Zuid verhoudingen; geopolitieke spanningen; generatieconflict. Met als Antropoceen kenmerk: het Antropoceen is sociaal ongelijk verdeeld.
- Economisch: groei-ideologie; externe kosten; schaarstemanagement. Met als Antropoceen kenmerk: het Economische aspect overheerst andere aspecten.
- Esthetisch: verlies van landschappelijke harmonie; industriële monoculturen; natuur als recreatief decor. Met als Antropoceen kenmerk: disharmonie tussen mens en omgeving.
- Juridisch: klimaatrechtszaken; rechten van natuur; intergenerationele rechtvaardigheid. Met als Antropoceen kenmerk: juridisch zoeken naar normherstel.
- Ethisch (liefde, zelfgave): zorg voor toekomstige generaties; duurzame levensstijl; ecologische deugdethiek. Met als Antropoceen kenmerk: de vraag naar zelfbegrenzing en verantwoordelijkheid.
- Pistisch (geloof/ultieme toewijding): geloof in vooruitgang; technosolutionisme; ecospiritualiteit; post-seculiere klimaatactivisme. Met als Antropoceen kenmerk: het Antropoceen is diep religieus geladen. Hier wordt de grondhouding zichtbaar:
Is de mens heer, rentmeester, onderdeel van Gaia, of schepper van een post-natuur?
De natuurcultuurverstrengelde machten&krachten, structuren en patronen worden nu, zoals we volgens mij kunnen zien boven de macht van de mens uitstijgend, in toenemende mate ruimtelijk en temporeel autonoom (= determinerende werking), expansief en grenzeloos. Het Antropoceen toont meerdere fundamentele spanningen tussen modale zijnsaspecten. De mens ontdekt door de Antropocene ontwikkelingen zijn afhankelijkheid van de orde die hij dacht te beheersen. De natuurlijke wetmatigheden zijn in Dooyeweerd’s aspectenleer naar te onderscheiden aspecten geordend, waarbij de eerdere aspecten meer natuurgerelateerd zijn en de latere meer cultuurgerelateerd, waarbij je mede op basis hiervan onderscheid zou kunnen maken tussen feiten en waarden. Maar de feiten van de natuur blijken nu net zo goed waarden te zijn.
Bruno Latour daarentegen zegt om die reden dat je de onderscheidingen (natuur en cultuur; subject en object; feiten en waarden) in feite niet kunt maken. L stelt dat de werkelijkheid bestaat uit netwerken van menselijke en niet-menselijke actoren, waarbij geldt dat alles wat effect heeft, actor is; dat mens-nietmenselijke hybriden (zoals o.a. technologie) fundamenteel zijn; dat er geen hiërarchische ontologische lagen zijn. Er is relationele symmetrie (tussen ‘mens en niet-mens’) die zorgt voor relationele samenstellingen, zonder vaste modale ordening.
Een fundamenteel verschil tussen D en L schijnt te zijn: Dooyeweerd beschermt structuur, Latour deconstrueert structuur. Of de Antropocene ontwikkelingen nu (via Zelforganisatie, waarbij realisatie plaatsvindt vanuit het vigerende potentieveld) ‘kiezen’ voor de route van bescherming of de route van deconstructie, lijkt mij een kwestie van perspectief te zijn.
De twee hoeven elkaar volgens mij niet uit te sluiten. Vanuit de menselijke ervaringswerkelijkheid bekeken wordt het een kwestie van deconstructie in de zin van chaos en ontwrichting voor ons. Vanuit de primordialiteit van de mensoverstijgende natuur bekeken (natuur in de definitie ‘wat in de aard der processen gelegen is’) zorgt de natuurlijke Zelforganisatie voor het behoudt van de natuurlijke subject-objectstructuur van zichzelf, precies door (of ondanks) de Antropocene veranderingen. De overeenkomst is dat beide perspectieven de mens overstijgen als Overmacht.
In het kader van een adequate Antropoceentheorie zou Latour’s netwerkgevoeligheid en Dooyeweerd’s normatief-structurele kosmologie mogelijk te integreren zijn.
-
- Habermas
We kunnen een relatie leggen tussen het gedachtengoed van de onlangs overleden socioloog-filosoof Jürgen Habermas en de uitdagingen van het Antropoceen. Habermas’ theorieën over communicatieve rationaliteit en deliberatieve democratie stellen dat legitiem beleid voortkomt uit open, rationele publieke discussie. Toegepast op het Antropoceen betekent dit dat klimaat- en milieubeleid democratisch gelegitimeerd moeten worden, waarbij burgers, wetenschappers en instituties gezamenlijk betrokken zijn in de publieke sfeer.
Er is echter een spanning tussen deze idealen en de huidige realiteit: democratieën functioneren steeds minder deliberatief door polarisatie, echokamers, korte termijn politiek en gefragmenteerde media. Bovendien werkt democratische besluitvorming op nationale en kortetermijnschalen, terwijl het Antropoceen planetaire en langetermijnprocessen betreft. Hierdoor ontstaan problemen bij het implementeren van duurzaam beleid: politieke en communicatieve structuren zijn te langzaam en gefragmenteerd om adequaat te reageren op de snelle planetaire veranderingen van het Antropoceen.
Kernpunt: Habermas’ idealen van rationele, inclusieve publieke discussie botsen met de huidige politieke en sociale realiteit, waardoor effectieve democratische legitimatie van klimaatbeleid en andere Antropocene maatregelen problematisch blijft.
-
- Evolutie
Menselijke activiteit maakt deel uit van een bredere evolutionaire ontwikkeling die heeft geleid tot een planetaire overshoot. Broeikasgassen zijn slechts één aspect; meerdere planetaire grenzen zijn al overschreden, wat leidt tot onomkeerbare kantelpunten. Deze crisis is het resultaat van cultuurlijke evolutie, die is voortgekomen uit miljoenen jaren biotische evolutie van de mens, zoals rechtop lopen, handigheid en hersenontwikkeling. Menselijk gedrag – zoals statusdrang, samenwerking, concurrentie en conservatisme – volgt diepgewortelde evolutionaire patronen, die de huidige ecologische problemen versterken.
De menselijke invloed heeft het ecosysteem drastisch herschikt: onze landbouw en veeteelt hebben de biomassasamenstelling van de aarde volledig veranderd, en vrijwel alle fotosynthese is nu bedoeld voor menselijke doeleinden. Mensen hebben het leven op aarde getransformeerd tot een ‘superorganisme’ dat een eigen dynamiek heeft ontwikkeld, vaak buiten onze controle. Dit suggereert dat deze evolutieve kracht en dit miljoenen jaren traject ons naar een onomkeerbare ondergang zal leiden, omdat veel van ons handelen diep in evolutionaire wetmatigheden geworteld is.
Kortom: de mens is zowel product als voertuig van evolutionaire krachten, en onze huidige planetaire crisis is een natuurlijk gevolg van deze lange, cumulatieve evolutie.
-
- De evolutionaire wetmatigheid van overshoot
Overshoot is een ontwikkeling waarbij groei sneller gaat dan natuurlijke hulpbronnen zich kunnen herstellen. Dit gebeurt tijdelijk door het benutten van nieuwe mogelijkheden (zoals nieuwe niches of energiebronnen), maar leidt uiteindelijk tot correctiemechanismen zoals uitputting, ziekte, conflict of instorting. Overshoot kan naast biologisch, ook gezien worden als een existentieel patroon van het leven zelf: expansie, groei en intensivering zijn fundamentele eigenschappen van leven, betrokken op alle zijnsaspecten.
We kunnen dit plaatsen in een evolutionair perspectief, waarin menselijke ontwikkelingen (rechtop lopen, het gebruik van handen, vuur, cultuur) als nieuwe niches worden gezien. Hierdoor wordt overshoot niet gezien als moreel falen, maar als een systeemdynamisch patroon van evolutionaire aard.
De vraag naar verantwoordelijkheid is daardoor complex. Ook door de van-nature- ambivalentie en tegenstrijdigheid van de mens door zijn excentrische positionaliteit, waardoor theoretische moreel-ethische correcties, in deze evolutionaire fase van het Antropoceen vaak praktisch niet haalbaar zijn. De aarde reageert op verstoringen, niet op intenties of goede wil.
-
- Seneca-effect
Het Seneca-effect beschrijft dat systemen vaak langzaam groeien maar snel instorten. Dit gebeurt vooral in complexe systemen met sterke onderlinge verbindingen en feedbackmechanismen. Na een periode van groei kan opgebouwde spanning leiden tot een plotselinge en snelle neergang, zoals gezien bij ecologische systemen, financiële crises en beschavingen.
De huidige wereld, gekenmerkt door extreme complexiteit en overconsumptie, bevindt zich volgens dit idee in een fase van overshoot die kan uitmonden in een snelle ineenstorting op planetaire schaal. Daarna volgt een zeer langzame heropbouw, zoals ook blijkt uit eerdere massa-extincties in de geschiedenis van de aarde.
-
- Twee typen natuur-cultuurverstrengeling
We kunnen twee typen natuur-cultuurverstrengeling onderscheiden:
- Het ideaaltypisch type – een evenwichtige relatie tussen natuur en cultuur, zoals in kleine stammensamenlevingen die in harmonie met hun ecosysteem leefden, zonder destructieve technologie. Dit type bestaat tegenwoordig niet meer en is ook niet meer haalbaar; het idee van een transformatie van antropocentrisme naar ecocentrisme is praktisch onhaalbaar bij de huidige bevolkingsaantallen en technologische complexiteit.
- Het funeste type – de huidige situatie, gekenmerkt door een neerwaartse spiraal tussen natuursferen en cultuursferen, met voortdurende instabiliteit en ontregeling.
We zitten nu vast in het funeste type, waarbij inspanningen om de schade te vertragen en verzachten nog mogelijk zijn.
-
- Twee typen dissipativiteit; twee typen natuurcultuurverstrengeling
Er is een onderscheid te maken tussen twee vormen van dissipativiteit (energie- en grondstoffenverbruik; extractie).
- Niet-beïnvloedbare dissipativiteit: dit is de fysisch-biotische werkelijkheid van de aarde en het leven. Deze is gegeven en kan niet door mensen worden veranderd en is gekoppeld aan bronoorzaken.
- Wel beïnvloedbare dissipativiteit: dit hangt samen met menselijke ideeën en cultuur (zoals kapitalisme en antropocentrisme, als gelegenheidsoorzaken) die ons gedrag sturen en dus aangepast kunnen worden.
Het is belangrijk om deze twee niet te verwarren, omdat oplossingen anders misleidend worden. In samenhang hiermee kunnen we twee uiterste typen natuurcultuurrelaties beschrijven:
- Een ideaal evenwicht (zoals bij inheemse samenlevingen met lage bevolkingsdichtheid);
- De huidige situatie van onevenwicht met miljarden mensen en ecologische overschrijding.
Het romantiseren van inheemse, evenwichtige samenlevingen is niet realistisch in de context van de huidige wereld, omdat zulke ‘systemen’ alleen werken bij lage bevolkingsdruk en gunstige omstandigheden. De huidige mondiale situatie en verspreiding van de mens maken dat onmogelijk.
Dit samenhangende complex van bronoorzaken-gelegenheidsoorzaken, niet- en wel beïnvloedbare dissipativiteit en de twee natuurcultuur-relatietypen zal van belang zijn voor de twee typen transities: de theoretische en de praktische.
-
- Antropocene verandering; wetenschap; dualisme
We kunnen de grootschalige veranderingen van het Antropoceen onderzoeken, niet alleen als fysische processen (zoals de natuurwetenschap doet), maar ook als vragen van betekenis (heil of onheil). Natuurwetenschap richt zich op meetbare feiten, maar zodra wetenschappers uitspraken doen over de betekenis van klimaatverandering, begeven ze zich buiten hun strikt wetenschappelijke domein en spelen ook persoonlijke overtuigingen en wereldbeelden mee.
Ook de geesteswetenschappen kunnen betekenisvragen niet volledig oplossen, omdat alle wetenschap per definitie abstraheert en slechts delen van de werkelijkheid belicht. Daardoor blijven fundamentele verschillen in overtuigingen bestaan, die niet wetenschappelijk beslecht kunnen worden.
Het debat over de betekenis van het Antropoceen draait daarom minder om wat de wetenschap zegt en meer om geloofwaardigheid, onderliggende aannames en wereldbeelden. Wetenschappers hebben hierin niet per se meer autoriteit dan anderen.
E.e.a. pleit voor een niet-dualistische visie, tegen de scheiding tussen fysisch en mentaal, zoals de visie die volgt uit de meta-fysische procesfilosofie van Whitehead en ideeën uit het taoïsme. Hierin worden werkelijkheid en verandering gezien als een samenhangend proces met zowel fysieke als mentale aspecten.
-
- Samenwerking&stress&conflict
Deze tekst betoogt dat het menselijk samenwerkingsvermogen, evolutionair diep verankerd, in het Antropoceen steeds verder onder druk komt te staan door een fundamentele verstrengeling van natuur- en cultuursystemen. We hebben het, wederom, over een determinerende werking.
- Samenwerking onder stress / Samenwerking is altijd verbonden met concurrentie en machtsverhoudingen. Toenemende ecologische stress (zoals waterstress, klimaatverandering) leidt tot schaarste, spanningen, conflicten. Hierdoor neemt de kans op effectieve, grootschalige samenwerking af, ondanks de groeiende noodzaak.
- Antropoceen als kantelpunt / De mens heeft door zijn eigen ontwikkeling (technologie, economie, organisatie) een situatie gecreëerd van planetaire overshoot, hetgeen leidt tot klimaatverandering, biodiversiteitsverlies met een zesde massa-extinctie en systeeminstabiliteit. Deze processen zijn deels onomkeerbaar en versterken zichzelf als feedbackloops.
- Natuur-cultuurverstrengeling / De natuurlijke omgeving is geen stabiele achtergrond meer, maar een actieve, ontwrichtende kracht. Deze verandering tast het functioneren van menselijke systemen aan op het gebied van politiek en bestuur, economie en logistiek en sociale cohesie.
- Afname van samenwerkingspotentieel / De noodzaak tot mondiale samenwerking neemt toe, maar de geopolitieke spanningen groeien, nationalisme en wantrouwen nemen toe en instituties verzwakken. Dit creëert een dubbele druk: meer noodzaak tot samenwerking en tegelijk minder vermogen om die samenwerking te realiseren.
- Kritiek op ‘positieve social tipping points’ / Het idee dat de huidige multimegacrisis nog zou kunnen leiden tot betere samenwerking en collectieve veerkracht lijkt mij ernstig te betwijfelen. De huidige trends wijzen juist de andere kant op in de richting van negatieve kantelpunten, ontwrichting en fragmentatie.
- Escalerende systeemrisico’s / Er ontstaat een kluwen van onderling versterkende problemen: conflicten, migratie, ongelijkheid; economische en institutionele instabiliteit; psychologische en sociale ontwrichting. Deze dynamiek is niet-lineair, moeilijk te beheersen en deels onomkeerbaar. We zien dat het onomkeerbare deel het omkeerbare deel gaat verzwakken en overrulen.
- Individualisme en menselijke aard / Modern consumentistisch individualisme verergert de problematiek, maar ligt niet aan de basis. Dieper ligt de menselijke individualiteitsstructuur, gekenmerkt door ambivalentie, zelfbewustzijn (beide op mede op basis van de filosofie van Plessner omtrent de excentrische positionaliteit van de mens) en de spanning tussen individu en collectief.
- Structurele beperkingen van oplossingen / Effectieve oplossingen vereisen mondiale, geïntegreerde samenwerking. Zo’n niveau van samenwerking heeft nooit bestaan en is onder huidige omstandigheden onwaarschijnlijk. Deeloplossingen werken vaak tegen elkaar, hetgeen we kunnen benoemen als Haakse Problemen.
- Kernconclusie / Het Antropoceen ondermijnt systematisch het menselijk samenwerkingsvermogen. Dit leidt tot een vicieuze cirkel van ecologische verslechtering en maatschappelijke destabilisatie. Echte mondiale oplossingen worden steeds minder haalbaar.
-
- Wereldcollectief
Concurrentie en samenwerking zijn geen tegenpolen zijn, maar werken samen op meerdere niveaus. Volgens de evolutietheorie werken zowel individuele als groepsbelangen samen: groepen die goed samenwerken hebben een voordeel in de concurrentie met andere groepen. Onze identiteit richt zich daarom vooral op wat dichtbij en vertrouwd is, niet op een wereldwijd geheel.
In de natuur en samenleving is er voortdurend een spanningsveld tussen samenwerking en concurrentie: concurrentie stimuleert vernieuwing, terwijl samenwerking nodig is om te overleven. Dit systeem functioneert zolang het binnen de grenzen van de planeet blijft, maar wordt problematisch wanneer die grenzen worden overschreden.
In het huidige tijdperk draait overleving voor het eerst om balans tussen individu, groepen en de hele wereld. Dit mondiale besef van een wereldcollectief zit echter niet in onze menselijke natuur of identiteit ingebakken.
-
- Techno&COP’s
Echte rijkdom komt voort uit natuurlijke systemen zoals zon, bodem en water, niet uit financiële markten. Technologie is slechts een hulpmiddel waarmee de mens zijn natuurlijke tekortkomingen compenseert. Vooral sinds de industriële revolutie gebruiken we technologie om opgeslagen fossiele energie snel om te zetten in welvaart, maar dit leidt tot uitputting van de aarde en verstoring van natuurlijke balans.
De mens volgt daarbij natuurlijke principes zoals concurrentie en het maximaliseren van energiegebruik, maar dit werkt tegenwoordig tegen ons. Efficiëntere technologie vermindert het energieverbruik niet, maar verhoogt het juist door het zogeheten rebound-effect (Jevons paradox).
Wat als vooruitgang wordt gezien, is in feite het versneld uitputten van hulpbronnen, waardoor onze afhankelijkheid van technologie groeit. Internationale pogingen om dit probleem aan te pakken zoals klimaattoppen zijn ineffectief, maar het ontbreken ervan zou nog slechter zijn.
-
- Vooruitgangsval
Menselijke vooruitgang, gedreven door technologie en energiegebruik, leidt onbedoeld tot grote problemen. Dit wordt de ‘vooruitgangsval’ genoemd, waarvan het huidige tijdperk van het Antropoceen de grootste en meest ingrijpende vorm is. Anders dan vroeger zijn er nu nauwelijks herstelmogelijkheden, omdat de grenzen van de aarde bereikt zijn en de schaal wereldwijd is. We kunnen dit immanente tegenstrijdigheid noemen vanwege de holistische aard. De aarde, of de natuur is metaforisch gesproken in gevecht met zichzelf.
Hoewel de zichtbare problemen (zoals klimaatverandering, vervuiling en conflicten) toenemen, liggen de diepere oorzaken in de evolutionaire ontwikkeling van het mensdier, die afhankelijk werd van externe energiebronnen. Historische processen zoals industrialisatie en kapitalisme zijn slechts symptomen, geen hoofdoorzaak.
Het gevolg is dat de huidige ontwikkeling niet meer omkeerbaar is, hooguit bijstuurbaar in de richting van vertraging&verzachting. Er zal een ingrijpende correctie gaan plaatsvinden, die niet onder controle staat van de mens zelf.
-
- Fuiktijdperk
Het Fuiktijdperk is een kritische term, vaak gebruikt in artistieke context, die verwijst naar de huidige moderne tijd (Antropoceen) waarin de mensheid gevangen zit in destructieve patronen, vergelijkbaar met een vis die vastzwemt in een fuik. Het duidt op ecologische overschrijding, polarisatie en technologische afhankelijkheid.
Definitie en Context: Het wordt gebruikt als een term voor de "moderne tijd", specifiek in de context van de ecologische crisis en kwetsbaarheid van de mensheid.
Betekenis: De metafoor van de fuik (een visval) staat voor het idee dat we als mensheid steeds verder in een systeem vastlopen, zoals ecologische "overshoot" (waarbij we meer consumeren dan de aarde kan bieden) en confrontatie.
Artistieke uitingen: Kunstenaar Jaap Lont gebruikt de term ‘Fuiktijdperk’, ook gerelateerd aan Sapiënsocide om de huidige maatschappij en de kwetsbaarheid daarvan te duiden. Het hangt nauw samen met de discussie over het Antropoceen.
Het is geen gevestigde academische term, maar eerder een cultuurkritische duiding van onze tijd.
-
- Ethiek
Ethisch moreel gedachtengoed kan in het licht van de huidige planetaire overshoot opnieuw worden bevraagd: traditionele opvattingen over wat men behoort te doen (“OUGHT”, zoals bij David Hume) zijn mogelijk onvoldoende in het huidige Antropoceen.
De nadruk op cultuurlijke relaties door Buber, Levinas, Ubuntu, convivialisme, commons, taoïsme moet worden heroverwogen, daar waar dezen los worden gezien van natuurlijke beperkingen.
Bij Whitehead en een bepaald type christelijk denken wordt God gezien als Zelforganiserende functie met een primordiale natuur (mogelijkheden) en consequente natuur (actualisatie). Dit biedt inzicht in hoe schepping en vernieuwing plaatsvinden, maar roept de vraag op hoe ‘zorg voor de wereld’ mogelijk is terwijl menselijke activiteiten de natuurlijke beddingsfuncties aantasten.
Bij Dooyeweerd wordt het motief van Zondeval en Genade problematisch; het moreel ethische geweten functioneert minder effectief onder toenemende planetaire overshoot.
Kortom: veel ethische systemen, van dialogische verantwoordelijkheid tot moralistisch taoïsme, blijken beperkt toepasbaar onder structurele ecologische overschrijding. Dit wordt versterkt door de politieke ervaring dat traditionele morele argumenten (“links-moralisme”) weinig effect hebben bij Antropocene problemen.
-
- Angst&vrees
We kunnen angst van vrees en vrees onderscheiden zoals Karl Jaspers en Kierkegaard dat gedaan hebben. Angst is objectloos en onbepaald, terwijl vrees altijd gericht is op concrete dingen of situaties. Veel ogenschijnlijke angsten, zoals die over klimaatverandering, blijken bij nader inzien toch een concreet object te hebben.
Klimaatverandering illustreert dit. Abstracte angst ontstaat omdat de dreiging nog niet direct voelbaar is, terwijl concrete vrees optreedt wanneer de dreiging daadwerkelijk hier en nu wordt ervaren. Beide vormen van angst leiden tot ambivalente gedragingen: bij abstracte angst aarzelen mensen om voorzorgsmaatregelen te nemen; bij concrete dreigingen gaat het vaak om noodmaatregelen die lokaal kunnen leiden tot samenwerking, maar op termijn conflicten veroorzaken.
Het begrip ‘angstvrees’ beschrijft de interne tegenstrijdigheid: mensen willen hun huidige levensstijl behouden, maar beseffen vaak niet dat dit nu juist hun toekomst bedreigt. Deze ambivalentie manifesteert zich op individueel en maatschappelijk niveau, en draagt bij aan polariserend en reactionair gedrag, politieke verschuivingen en sociale spanningen.
Angst, vrees en angstvrees kunnen binnen een historisch-ecologisch kader van pré-Antropoceen versus Antropoceen worden geplaatst. Het moderne Antropoceen versterkt bedreigingen door zowel fysieke ecologische veranderingen als culturele spanningen, waardoor zowel materiële als ook immateriële verworvenheden en waarden onder druk staan.
We kunnen ons afvragen of de huidige kracht van de Zelforganiserende Natuur (Godt als zijnde Creativity en Antropocene bedding) goedwillend is richting het mensdier of niet, gezien het menselijk handelen dat deze structuren, patronen, systemen en krachten uitdaagt en vernietigt. Het vloeken tegen deze krachten (en daarmee tegen Godt) onderstreept de paradox en kwetsbaarheid van de menselijke positie.
-
- Determinisme-pessimisme-realisme
Stelling A. De huidige Antropocene ontwikkeling is een machtig samengaan van miljoenen jaren evolutionaire bronoorzakelijkheid, zelforganiserende wetmatigheden van samenwerking&concurrentie, het wezen van de mens, natuurcultuurverstrengeling en planetaire overshoot. Door dit samengaan krijgt het verdere verloop een steeds meer determinerend karakter.
Het voordeel hiervan is dat we ons kunnen focussen op de negatieve aspecten van de Antropoceen-ontwikkelingen, met
Stelling B: Het benadrukken van het bovenstaande, vervolgens gekoppeld aan onomkeerbaarheid, aan schaalgrootte, aan snelheid en aan ontbrekende structurele herstelmogelijkheden op menselijke tijdschalen.
De wetenschappers hebben in de loop van de laatste jaren steeds weer op alle betrokken terreinen hun scenario’s moeten bijstellen naar de bovenkant van de risicogrenzen. En toch kunnen die wetenschappers over het algemeen niet al te alarmistisch zijn willen zij nog enige invloed kunnen uitoefenen op beleidsmakers en politiek. Het past een wetenschapper ook niet om ongenuanceerd te zijn, het is terechte nuance op het specifieke gebied van hun puur wetenschappelijke kennis, met alle onzekerheden aan dat soort kennis. We zien twee actuele bewegingen, twee uitersten van een spectrum, waarvan de eerste al veel langer gaande is sinds de rationalisering van het wereldbeeld, en de tweede een zeer recente ongewenste tegenbeweging is: geloof in de wetenschap versus compleet wantrouwen in de wetenschap.
De realistische en dus pessimistische en dus deterministische blik probeert een evenwichtig beeld te geven, met de focus op feiten, op trends, op data, op waarschijnlijkheden, op wetenschap gebaseerde intuïtie, en op een dieper onderzoek naar de onder A. en B. genoemde componenten. De nuance van onzekerheid wordt hierbij niet genegeerd, maar gerelateerd en gerelativeerd aan statistische wetenschap met zijn rationele kennisvormen. Positieve ontwikkelingen worden niet volledig genegeerd, maar eveneens gerelativeerd geplaatst binnen de grotere context van de massieve en uiterst krachtige per saldo achteruitgang, met spanningsopbouw en dus met opbouw van (potentieel) conflictstof in de cultuurlijke sferen.
De konsekwentie van A. en B. wordt ingezien als een hard gegeven in meerdere betekenis: niet te negeren, niet serieus genoeg te nemen, keihard terugslaand als overmacht. Mogelijke oplossingen zitten in het spectrum van verzachten&vertragen. Contingente factoren zullen de spanningsopbouw en de toenemende conflicten op onvoorspelbare manieren en momenten doen uitbarsten. Het deterministisch karakter is logisch en verklaarbaar aan de hand van stelling A. en B. De reële ontwikkelingen blijken te velopen overeenkomstig het conceptuele van deze stellingen.
-
- Problematiek van landbouwtransities
De landbouwtransitie vraagt om grote veranderingen in de hele voedselketen, waarbij naast technische en economische factoren ook psychologische acceptatie belangrijk is. Hoewel vertraging en verduurzaming nodig zijn, gaat de huidige ontwikkeling juist richting versnelling en tegenstrijdige keuzes, zoals toenemende druk op landbouwgrond door andere functies. Tegelijk verergeren milieuproblemen zoals klimaatverandering en vervuiling de situatie. Innovaties zoals biomimetica kunnen helpen, maar hun impact lijkt beperkt gezien de schaal en snelheid van de huidige negatieve trends.
-
- De blik gericht op Afrika
Afrika is een regio waar veel onderling samenhangende problemen spelen die moeilijk op te lossen zijn door gebrek aan middelen en voorwaarden. Hoewel Afrika vaak minder aandacht krijgt in Europa, zullen ontwikkelingen daar juist grote gevolgen hebben voor Europa, bijvoorbeeld door migratie en de afhankelijkheid van Afrikaanse grondstoffen. De situatie zal waarschijnlijk verslechteren door toenemende spanningen, conflicten en instabiliteit, wat ook in Europa kan leiden tot meer onrust en politieke extremen.
Belangrijke uitdagingen in Afrika zijn:
Onderbenutting van grote minerale rijkdommen door gebrek aan infrastructuur en investeringen
Snelle verstedelijking die goed bestuur en planning vereist
Zwakke lokale overheden en noodzaak tot inclusieve financiering en ontwikkeling
Ernstige voedselcrisis, verergerd door klimaatverandering, conflicten en lage landbouwmechanisatie
Overbelasting van graslanden en aantasting van ecosystemen zoals wetlands
Ontbossing, waardoor bossen nu meer CO₂ uitstoten dan opnemen
Kortom: Afrika staat centraal in meerdere wereldwijde crises (grondstoffen, voedsel, klimaat), en zonder ingrijpende veranderingen dreigen de problemen verder te escaleren, met gevolgen die ook Europa direct zullen raken.
-
- Drie geschiedenissen
- Inleiding: het samenvallen van tijdslagen / In het denken over klimaat en geschiedenis heeft Dipesh Chakrabarty overtuigend laten zien dat twee voorheen gescheiden tijdsdimensies zijn samengevallen: de miljoenen jaren oude geologische geschiedenis van de aarde en de relatief korte geschiedenis van de mens. In het Antropoceen is het mensdier een geofysische kracht geworden. Het gaat dus uitdrukkelijk niet om twee (zoals vaak wordt gedaan, zie onder punt 7), maar om drie samenvallende geschiedenissen te onderscheiden: 1. de geschiedenis van mensendissipatie (GvMD); 2. de geschiedenis van het heden (GvH); 3. de geschiedenis van de toekomst (GvdT). Deze drie zijn analytisch te onderscheiden, maar empirisch onlosmakelijk verstrengeld.
- De geschiedenis van mensendissipatie (GvMD) / De GvMD beschrijft de lange ontwikkeling waarin het mensdier zich onderscheidt als een wezen dat structureel afhankelijk is van exogene middelen. In lijn met Helmuth Plessner kan de mens worden begrepen als een excentrisch wezen: hij verhoudt zich a. tot zichzelf (excentrische positionaliteit) en b. compenseert zijn biologische tekortkomingen via techniek, cultuur en energiegebruik (kunstmatig-van-nature).
Deze structurele ‘kunstmatigheid’ heeft geleid tot voortdurende uitbreiding van energie- en grondstofgebruik; toenemende externalisering van kosten naar natuur en toekomst; groeiende dissipatie van materie en energie. Wat begint als een evolutionair voordeel, ontwikkelt zich historisch tot een systeemlogica die uitmondt in planetaire overshoot.
- Van bronoorzaak naar systeemdynamiek / Het is cruciaal om onderscheid te maken tussen: bronoorzakelijkheid (menselijke constitutie) en historische systeemvorming (bijv. fossiele economie, kapitalisme). Dit ligt alle twee weer binnen de constituties die door Zelforganiserende evolutie via tijdelijke configuraties worden gesteld. De huidige crisis is niet simpelweg ‘de schuld van de mens’, maar van een specifieke configuratie waarin fossiele energie, technologische expansie en economische groeilogica elkaar wederzijds versterken. De GvMD bereikt in de late moderniteit een kritische fase van structurele en zelfversterkende overshoot.
- De geschiedenis van de toekomst (GvdT) / Met de GvdT bedoelen we een paradoxaal fenomeen: de toekomst als deels reeds vastgelegde en deels open dynamiek. Deze wordt gekenmerkt door traagheid in aardsystemen (klimaat, oceanen, biosfeer), kantelpunten, niet-lineariteit, zelfversterkende feedbacklussen. Hierdoor ontstaat een situatie waarin de richting in toenemende mate grotendeels bepaald wordt, maar de uitkomsten nog variabel zijn. De GvdT is dus geen volledig determinisme, maar een vernauwde mogelijkheidshorizon.
- Onomkeerbaarheid / De notie van onomkeerbaarheid moet worden gezien in het licht van de natuurcultuurverstrengeling, waardoor niet alleen geofysische processen onomkeerbaar raken (op menselijke tijdschalen) maar ook sociale. Hier hangt mee samen dat het cultuurlijke domein inherent tegenstrijdig is. Tegen dit denken is weerstand als zijnde te deterministisch en ons handelingsperspectief ondermijnend – waar tegenin kan worden gebracht dat juist de verstrengelde ontwikkelingen zelf ondermijnend werken op het handelingsperspectief. De vraag ‘welke toekomstvarianten blijven nog open?’ kan in dit realistisch licht worden gezien - waardoor realisme pessimistisch van aard wordt.
- De geschiedenis van het heden (GvH) / De GvH is het snijpunt waar GvMD en GvdT elkaar ontmoeten. Het heden is daarmee geen neutraal moment, maar een hoogspanningszone van causale krachten. In deze zone zien we dat ecologische druk zich vertaalt in geopolitieke spanningen (grondstoffen, energie), migratiestromen, sociale fragmentatie en polarisatie, autoritaire tendensen.
Hierdoor wordt duidelijk dat geopolitiek in het Antropoceen niet meer los te begrijpen is van ecologische systeemdruk.
- De blinde vlek van klassieke geschiedschrijving / Veel hedendaagse analyses — ook van vooraanstaande historici zoals Beatrice de Graaf en geopolitieke duider Rob de Wijk — blijven opereren binnen een kader dat historische analogieën centraal stelt (bijv. WO I / WO II), maar de planetaire dimensie onvoldoende integreert. Daardoor ontbreekt een cruciale laag: de interactie tussen aarde-systeemdynamiek en menselijke machtspolitiek. Een adequate duiding van de GvH vereist daarom een perspectief op een nivo hoger.
- Sociale tipping points en hun grenzen / Optimistische beleidsvisies wijzen op sociale tipping points, publieke steun en beleidsmixen. Maar dezen veronderstellen voorwaarden die zelf onder druk staan: politieke stabiliteit, institutionele capaciteit en sociale cohesie. Tegelijkertijd kennen negatieve dynamieken (polarisatie, conflict) vaak een lagere drempel en hogere snelheid. Daarom moet de vraag worden gesteld: zijn de voorwaarden voor positieve omslag nog realistisch aanwezig?
- De interne tegenstrijdigheid van het cultuurlijke domein / Het menselijk samenlevingsmodel bevat structurele spanningen: groei versus duurzaamheid, autonomie versus afhankelijkheid, nationale belangen versus mondiale problemen. Deze tegenstrijdigheden maken het moeilijk om gecoördineerd te reageren op planetaire grenzen. Het gevolg is dat het cultuurlijke domein deels tegen zichzelf in werkt, en dat dat gezien de gaande massieve en structurele ontwikkelingen zal toenemen.
- Conclusie: handelen binnen een vernauwde horizon / De drie geschiedenissen laten zich samenvatten als: GvMD → hoe we hier zijn gekomen, GvH → waar de krachten samenkomen, GvdT → welke richtingen nog mogelijk zijn.
In het Antropoceen handelen we niet meer in een open toekomst, maar in een toekomst waarvan de randvoorwaarden al deels vastliggen. Dit betekent echter niet dat handelen zinloos is. Verschillen in uitkomst (tussen bijvoorbeeld 2,5 en 4 graden opwarming) blijven enorm.
-
- Prioriteitenverschuiving
Het World Economic Forum Global Risks Report 2026 beoordeelt wereldwijde risico’s over drie tijdshorizonten: onmiddellijk (2026), kort tot middellang (tot 2028) en ‘lange termijn’ (tot 2036). Het rapport laat zien dat er een herprioritering van bedreigingen plaatsvindt:
Extreem weer is na vier jaar bovenaan nu teruggevallen naar de vierde plaats voor de komende twee jaar. Vervuiling is gedaald van de zesde naar de negende plaats. Verlies aan biodiversiteit en kritieke veranderingen in ecosystemen zijn verder naar beneden gezakt.
Deze verschuiving wordt toegeschreven aan geopolitieke spanningen en economische instabiliteit, die milieuproblemen tijdelijk overschaduwen. Het rapport waarschuwt dat de komende jaren niet-milieugerelateerde risico’s de beleidsagenda zullen domineren, waardoor belangrijke milieuproblemen minder aandacht krijgen.
Daarnaast wijst het rapport op een verslechterende internationale samenwerking op milieugebied, waarbij landen hun nationale belangen en korte termijnwinst boven gezamenlijke aanpak van mondiale milieurisico’s stellen.
Eigenlijk valt de zogenoemde ‘lange termijn’ tot 2036 nog steeds binnen de nabije toekomst, waardoor de feitelijke lange termijn nog buiten beschouwing blijft en beleidsprioriteiten steeds meer op kortetermijnrisico’s gericht zijn.
-
- Cultuurlijke navigatie en natuurcultuurlijke evolutionaire navigatieroute
De huidige transities, ofwel cultuurlijke navigatie naar duurzaamheid (zoals hernieuwbare energie, circulaire economie en regeneratieve landbouw) ondervinden vertraging door de diepere evolutionaire wetmatigheden van de natuurcultuurverstrengeling. Het Antropoceen laat zien dat menselijke macht beperkt is. De planetaire processen, ofwel de natuurcultuurlijke evolutionaire navigatieroute, die onze ecosystemen, energiegebruik en cultuur beïnvloeden, volgen eigen, bovenmenselijke dynamieken.
Kernpunten:
- Natuurcultuurverstrengeling: Cultuur en technologie zijn verlengstukken van evolutionaire adaptatie. Er is geen scheiding tussen natuur en cultuur; beide zijn processen van Zelforganisatie.
- Planetaire overshoot: Menselijke expansie, vooral via energie-intensieve technologieën, veroorzaakt een tijdelijke dominantie, maar leidt onvermijdelijk tot instabiliteit en chaos. Overshoot beperkt toekomstige mogelijkheden en creëert risico op grootschalig onheil.
- Procesfilosofie: Realiteit bestaat uit gebeurtenissen en relaties, niet uit dingen. Evolutie en cultuur zijn creatieve, relationele processen; overshoot is een disbalans in relationele energie.
- Het Antropoceen: Een fase van planetaire herconfiguratie door menselijke activiteit. Kenmerken zijn schaal, snelheid, onomkeerbaarheid, en dominantie van zelfversterkende, irrationele krachten.
- Overmacht en betekenis: Chaos en instorting zijn niet moreel, maar relationeel; ze tonen de interactie tussen menselijke activiteit en grotere evolutionaire/kosmische processen. Heil of onheil is metafysisch-existentieel, niet ethisch.
Conclusie:
Het menselijk vermogen om transities te sturen is beperkt. Overshoot, instabiliteit en chaos zijn inherent aan evoluerende systemen. Begrip van deze processen helpt verwachtingen bij te stellen en transities te navigeren, maar volledige controle is een illusie. Menselijke cultuur is een emergente expressie van natuurlijke processen, en het Antropoceen onthult onze relatieve nietigheid binnen grotere evolutionaire en kosmische dynamieken.
-
- Vanwaar dit borgingskader?
Deze teksten zijn bedoeld om een kader te bieden aan de filosofische burgerbijdrage van Jaap Lont aan het genoemde paper. En om zijn bijdrage te borgen in eventuele vervolgstappen die al dan niet zullen volgen. De nadruk ligt in essentie op het onderscheid en de relatie tussen bronoorzaken, via structurerende emergente oorzaken, naar contingente gelegenheidsoorzaken. Dezen moeten, voor zover het de bijdrage van Jaap Lont betreft, niet met elkaar worden verward en door elkaar gehaald.
Van bronoorzaken naar gelegenheidsoorzaken
Dit is de miljoenen jaren evolutionaire gang
- van primair naar secundair
- van fysische aspecten via fysisch-biotische aspecten naar fysisch-biotische-cultuuraspecten
- van niet-rationeel naar ook het rationele zijnsaspect, als te relateren aan de holistische totaliteit van alle modale aspecten
- van de intelligentie van de natuurlijke Zelforganisatie als Strevende Werking naar de onder-hevigheid van de ratio als deel uitmakend van de secundaire gerelateerde fysisch-biotische-cultuuraspecten
Het onderstaande moet gezien worden in de temporaliteit van eerder(=primair) naar later(=secundair, er bovenop gekomen) in de evolutionaire ontwikkeling naar mensachtigen en vervolgens Homo Sapiëns.
Bronoorzaken, gelegen in veranderingen binnen de primaire fysische en biotische natuuraspecten betreft: miljoenen jaren evolutie van bot- en spierstructuurverandering naar rechtopgang -> handenfunctie/handigheid -> hersenfunctie/slimheid -> kaakverandering/maag-darmverandering/verandering -> positie in de voedselketen -> ontharing -> het van nature technè moeten zijn.
Evolutionair gezien kent de pijl van de tijd maar één richting, in de regel naar toenemende complexiteit bij positieve feedback en naar vereenvoudiging (via verstoorde orde) bij negatieve feedback, waardoor fysisch-biotische vereenvoudiging niet mogelijk is vanuit endogene factoren, wel vanuit exogene factoren. D.w.z. deze fysisch-biotische temporaliteit (naar complexiteit dan wel naar vereenvoudiging) gaat de organismen te boven als overmacht. Niet vanuit endogene, wel vanuit exogene factoren: dit geeft precies aan waarom de mens nu onderhevig is aan Antropocene Overmacht die buiten zijn vermogens liggen.
Veranderingen gelegen in de cultuurlijke aspecten betreft:
-alle veranderingen in toenemende mate richting planetaire overshoot,
- als secundaire, latere gelegenheidsoorzaken en symptomen op basis van de primaire, eerdere, voorafgaande bronoorzaken,
- met als gevolg iedere keer weer een versnelling in dissipatieve afhankelijkheid en toenemend gebruik van exogene energie en overige grondstoffen;
- inclusief rigoureuze landverandering zoals ontbossing etc.
Kortom:
We hebben te maken met de evolutionaire wetmatigheden van overshoot. Het menselijk handelingsperspectief en samenwerkingspotentieel is daaraan ondergeschikt onderhevig. Onder-hevig zijn duidt in de combinatie van zenuwstelsels en (zelf)bewustzijn op affect.
Jaap Lont; 31-3-2026
Maak jouw eigen website met JouwWeb