Wij verblijven in een tijdperk dat over datum zijnde nog maar net begonnen is. Hoe kan men zich nu in dit tijdperk van zijn geboorte bevrijden, van zijn toekomstig ongemak, van zijn onontkoombaar komend lijden? Het is nu eenmaal geschied en men kan wel voor eeuwig kwaad blijven op zijn verwekkers, maar die waren toch ook maar gewoon bezig met de liefde? Moet men dan de liefde haten? Of de haat en de angst die dit tijdperk met zich mee zal brengen liefhebben? Nou ja, de liefde, als we daar ook al een doodordinair potje seks onder moeten verstaan, waar blijven we dan? Dat is toch inflatie? Waarom is de seks zo aan inflatie onderhevig geraakt sinds de meeste kindertjes in leven bleven? Net zoals de geest en de ziel creëert de piemel zijn illusies en herschept ze direct daarna tot desillusies. Hij herschept zijn utopieën tot dystopieën. Acht en een half miljard en nog is het einde niet in zicht. Het Gelid, die grote herschepper, vindt geen rust en wil niets anders dan nieuw, vers lijden voortbrengen. Het is de piemel die uit de hand gelopen is en het Antropoceen zal er noodgedwongen korte metten mee maken, mee moeten maken. De spermatozoïden zullen in het stof moeten bijten en in geen enkele eicel meer trek hebben. De eiercellen zouden veel ellende kunnen voorkomen door stuk voor stuk een kuisheidsgordel aan te trekken.
De infiltratie van de piemel verliep weliswaar eenvoudig, haar moraal verving de abstracte hoogverheven stelsels en ideologieën en dat was goed, dat was vrijheid. De vrij van het rationele gestelde lid werd een praktisch instrument, niet alleen om te pissen, ook en vooral om therapie mee te bedrijven. Hij genas echter niks, bracht enkel ongeneeslijken voort en werd zelf een ongeneeslijke, een verslaafde. Zijn therapie ontbeerde de mythologie en de mystiek. Het begon op aarde te wemelen van overwoekerende zaadcellen en dat werd het begin van het einde. Zijn kracht werd een religie, een gebed, een gebod: “gaat heen en vermenigvuldigt u!” En zie hoe het er daarmee nu voorstaat. De wijsheid van de piemel is het laatste woord van een beschaving die haar einde nadert, van een soort die zijn einde nadert, van tijdperk die haar einde nadert, van een planeet die er ziek van werd en miljoenen jaren zal moet herstellen. De piemel, de driebenigheid is niet de wijze theoreticus van de glasheldere dood, geen held van de onverschilligheid, geen symbool van de redelijke beschouwing, enkel het surrogaat van het slappe woord, een slap aftreksel waarmee de taal van de ambivalentie wordt gesproken. Is zij het middel om haar eigen uitsterving mee te bespoedigen? Al penetrerende een eind gaat maken aan de penetrerende bij uitstek? Is hij de klaarkomer die nu het Antropoceen, dit Fuiktijdperk tot haar climax brengt, haar voltooiing, haar voleinding.
Wij zijn met onze eigen kloten in een klotentijdperk gelopen, welke waardigheid dan nog aan onze ballen te ontlenen? De piemel, de ballen, zij zochten het geluk en vonden hun tegendeel nu zij aan de poorten zijn gekomen, aan de randen van de leefbaarheid. Wij spermatozoïdioten zochten het geluk in blinde weerzin en grenzeloze waanzin, wij zochten de verlossing en wat vonden we? Wij waren de onrijpe driftige richtingloze helden van een overrijp tijdperk, we waren zowel bewonderaar als tegenstrever van onze tijd, deze tijd, we gaven blijk van onze betrokkenheid, van onze zaaddrift, van onze klotendrang. Wisten wij veel dat het tot falen ging leiden, moest leiden, tot subtiel verval? We voelden: er dreigt een Godt, laten we er voor zorgen dat de Godt zich niet in onze competitie mengt, laten we onze eigen strijd behouden, laten we er zelf een zootje van maken in plaats van de Godt. Want wie van ons zonder de zonde is, zonder de zondeval, zonder het zondeverzoek dat vrijwel dagelijks tot gebod, tot het gebod van de eindeloze rusteloosheid werd, - laat de zondeloze pseudo-Jezus ons toch verlossen en de rust van de dood-zonder-wederopstanding over ons werpen. We riepen vanaf den beginne de Zondeloosheid aan en wat kregen we? Een Zondeval, wat kon het ons anders brengen? Wij waren immers de geborenen, de zwervers, de zoekenden, de dolenden, de gespletenen. De onrijpen in een tijdperk dat nog maar net begonnen al ver over de houdbaarheidsdatum is.
*
Maak jouw eigen website met JouwWeb