Het ideaal van liefde voor het leven is onverminderd. De realiteit is onverminderd en het gevolg is een schril contrast tussen die twee, een rijke bron van lijdenservaringen. Aan de realiteit wordt nu de planetaire overshoot toegevoegd: het contrast wordt groter, de bron wordt rijker. Er voltrekt zich iets van fundamentele en radicale orde, over de gebruikelijke cycli van opkomst en instorting van beschaving heen; een vervallend tijdperk, het Holoceen verlustigd zich in haar ondergangsfase en verliest zich in het Antropoceen. De beschaving, die mondiaal  in haar instortingsfase verkeert, zal niet meer kunnen herstellen. Zal in het komende tumult het lieflijke, lieflelijke lijden standhouden onder het toenemende contrast? Zal de mens standhouden? Dit is het positieve: zolang er nog bovenmatig geleden wordt is er nog ergens een mens. En dit is net zo goed positief: het Antropoceen zal functioneren als een drastische verjongingsbron door een drastische stervensbron te zijn, een verlossingsbron. Nieuwe mogelijkheden voor verse, frisse, fruitige hoedanigheden, voor vlees wellicht, wie weet. De waarde van het vleselijke menszijn, het lijden dus, kan niet worden onderschat, evenals haar tegendeel, de verlossing. Heb het zijn lief, heb het niet-zijn lief en laten we niet vergeten straks collectief niet meer te zijn in dit theater alhier. Is het een tegenspraak, aarzel dan niet om uzelf tegen te spreken, om in tegenspraak te zijn met uzelf, om ambivalent te zijn overeenkomstig het wezen van de mens. Tot zover het brekende nieuws van de dag.