*

We moesten het maar positief bekijken, een genezingsproces is gaande, een vitaal proces, een planeet vol lust en drang. Een planeet in de lust en de drang van de doodsangst. Eens in de zoveel miljoenen jaren wordt deze lust een drang van de buitencategorie en die tijd is nu weer aangebroken. Het bekruipt ons als een ziekte, maar het is juist het genezingsproces van de planeet zelf, een gezond proces waar zij van zal opknappen en wij zijn er toe voorbestemd om bij te dragen aan dat opknapproces door eindelijk eens te verdwijnen, het werd tijd. Voorbestemd al vanaf dat we rechtop gingen lopen en er onderdelen van ons lichaam vrijkwamen voor het uitbuiten van handigheid. De essentie van dit tijdperk? Uitverkoren te zijn tot de doodslustigste eeuw der eeuwen, een vitaal tijdperk, een dynamisch tijdperk, een verheven tijdperk, een goddelijk tijdperk, een tijdperk waarin een soort dapper volhardt door er nog een extra schepje bovenop te gooien, door het gezonde proces te helpen versnellen met haar genezingsproces. De planeet zal genezen via een herstart, de soort zal genezen door niet meer te zijn en we weten dat niets gaat boven niets, zelfs niet boven de heilige drie-eenheid van nihilisme, leegte en de humor van deze tijd. En, ondanks al die humor, zo blijkt, zijn we nog steeds bang, te bang om ons dood te lachen. Tot zover het brekende nieuws van de dag.

*

Wie was de filosofische aanstichter van het moderne optimisme? Van het vooruitgangsdenken? Laten we de naam Hegel vallen, dan dienen we te beseffen hoe dicht hij al het tijdperk van het Verval was genaderd, het tijdperk waarin de menselijke onderneming haar beëindiging zou vinden. Optimisme, vooruitgang, ja, ja … . Waaruit bestond deze onderneming anders dan uit eindeloos voortmodderen, voortploeteren, voortzwoegen en voortdurend tegen de wetten van de zwaartekracht en het verval inwerken, waar Sisyfus nog een puntje aan kon zuigen. Er zijn uitzonderlijke perioden waarin het bewustzijn tot de uiterste waanzin zal worden gedreven en zo’n periode is nu weer eens aangebroken. De geschiedenis bestaat uit niets anders dan de eeuwige wederopstanding van crises, van crisis naar crisis, en eens in de zoveel miljoenen jaren zal dat moeten culmineren in de Crisis der crisissen: een Verlossing van een uit de hand gelopen soort, verlossing van haar planetaire wandaden door te verdwijnen – het werd wel weer eens tijd. Een tijdperk met ballen zal nu drastisch ingrijpen in de geschiedenis van planetaire overshoot; er is gestrengheid nodig, de gestrengheid van een autoriteit die boven de soorten uitstijgt zonder aanziens des persoons. De scheppingen en instortingen van opeenvolgende tijdperken ondergaan hetzelfde wisselvallige lot als onze stemmingen, onze jaren, onze koortsen, onze teleurstellingen, onze ontbindingen. Er is geen geschiedenis zonder verloren Paradijs, geen geschiedenis zonder Zondeval, geen geschiedenis zonder Fuiktijdperk. De geschiedenis van dit tijdperk is een kosmische klucht in actie. Een klucht waar lieden zoals Hegel, of welke vooruitgangsgelovige dan ook, geen weet van konden hebben.

*

Welke mentale instelling moeten we betrachten, - voor zover we daarin een keuze hebben? Het zijn immers mentale houdingen die honderdtachtig graden tegengesteld zijn aan elkaar. Of, enerzijds: we moeten beslissen om niet langer somber te zijn; we moeten ons zelf de wil opleggen om het universum van het Goede, de Hoop en de Liefde binnen te gaan; we moeten ons intuïtief besef van de in gang gezette Ondergang de kop indrukken – óf, precies andersom, als ware het een reële keuze tussen het ene of het andere: we moeten ons maar neerleggen bij het romantische perspectief, het poëtische perspectief, het esthetische perspectief: de esthetica van de Instorting, van de Chaos, van de schoonheid en de liederlijkheid van het verval; niet zomaar welk willekeurig verval dan ook, nee, de pracht en glorie van het bovenmenselijke verval. Dit is het perspectief van de onthechting-bij-voorbaat, van de droogoefening van het sterven. Dit is de blik, de ware blik van de melancholicus, van de tragicus, van de treurende; de blik die om de zoveel miljoenen jaren de blik van de waarheid blijkt te zijn, van de extinctie der massa’s. Het sterven, is daar veel technische vaardigheid voor nodig? Ach, ieder mens kan het en de techniek van het uitsterven is niet veel anders dan de optelsom van waar iedere levende toe in staat mag worden geacht. Ietsjes vroegtijdiger misschien. 

*

Dit tijdperk drukt meer en meer zijn stempel op het gaande en het roept en schreeuwt: “ik ben nu de ziel van de wereld! Ik kleur het universum purperrood met mijn vlammen! Alles roept mij aan, van de puinhopen tot de mesthopen. Ben ik niet de stilte en het kabaal van de dingen? Ik ben het graf van de vonken, het afvoerputje voor de wormen, een groteske uitdrager van het firmament. Mensheid, u heeft uw grens bereikt en ik zet de Kroon op uw verval. Ik doe alles verrotten en vaar daar zelf zeer wel bij, ik ben duurzaam, de duurzame afgrond, ik blijf! Ik blijf om te genieten van uw ondergang.

Tsja, het was voor het Antropoceen niet moeilijk om de zwakke plek van de mens te vinden: zij kwam er immers zelf uit voort, uit de macht van de onmacht, uit de onmacht van de macht. Zij kwam voort uit de ambivalentie van indolentie, incoherentie, incontinentie. Een soort lult, lalt, liegt en bedriegt en doet dat al eeuwenlang met behulp van ‘fossiel’ en ‘overshoot’. En zie daar: een nieuwe tijdperk werd geboren. Zij werd geboren uit de technologische roof van een lullende, lallende, liegende en bedriegende soort, een soort van het bekwame kaliber van verwoesting en vernietiging. Geboren zijn als tijdperk is een kleinigheid, maar zie daarna maar weer eens op tijd te sterven. Dat lukt je niet met zo’n innovatieve en inventieve soort. Tot zover het brekende nieuws van de dag.

*

Het evenwicht van de wijze balanceert tussen ontgoocheling, onverschilligheid en onthechting, terwijl het evenwicht van het Antropoceen balanceert tussen begoocheling, wanhoop en de hechting van vlees en bloed. Dat matched dus niet met elkaar. De wijze staat het Antropoceen in de weg en andersom. We hebben dan ook weinig wijzen nodig in dit tijdperk, eerder dwazen. Een dwaze bezit tenminste nog het talent om zijn kop in het zand te steken – en daaraan zal het Antropoceen niet bezwijken. Dit tijdperk wordt gekenmerkt door de vaardigheid om de biotische geschiedenis van de aarde te verscheuren, zoals het een paar keer eerder is verscheurd van levensondersteuning naar levensvernietiging. Levensondersteuning was de plaats van onze gangbare oprispingen die ons weg hielden van de contraire wijsheid van het Antropoceen. Levensvernietiging daarentegen is de enthousiaste oprisping van een planeet die de begoocheling en de wanhoop als metgezel heeft. Deze afwisseling, deze noodzakelijke afwisseling van de ene naar de andere oprisping, daarin proeven wij de eeuwige overgankelijkheid van opbouw en afbraak, van vernieuwing en verval. De wonderen van de aarde – en die van de hemel des te meer – zijn het resultaat van deze duurzame fluctuaties der hysterie, de hoogste uitdrukking van opgezweepte zinnelijkheid, van transcendente misvorming. Tussen het Antropoceen en de dwaas is meer overeenkomst dan tussen dit Fuiktijdperk en welke wijze dan ook. 

*

De wet van behoud van ellende betrof in het vorige tijdperk de symmetrie van het evenwicht van vreugde en lijden. Deze wet is nu onder het huidige gesternte gemuteerd in de wet van de toenemende ellende, hetgeen betekent: de asymmetrische uit-evenwichtssituatie van de vreugde van het lijden. Niemand kan nog ontkomen aan de vreugde van dit nieuwe product tenzij vroeg genoeg gestorven of niet geboren. Het product wordt gratis verkrijgbaar, zodat, zoals het hoort, de rijken niks goedkoper uit zijn dan de armoedzaaiers. Het is een rechtvaardig product, een nivellerend product, een socialistisch product zeg maar. Probeer dus schouder aan schouder te staan, zij aan zij te lopen met hen die hetzelfde lot zullen moeten ondergaan. Rijk of arm, welke kant je ook oploopt, het maakt niks uit, je zult vastlopen. We zullen met elkaar vastlopen en wanneer jouw land overstroomt, of onderstroomt – ons om het even:  je zult moeten zwemmen, samen met je landgenoten, je lotgenoten, je lotgenieters. Arm of rijk, jullie zullen met één machtige dijkdoorbraak genivelleerde lotgenieters zijn, geniet daar samen van! En met z’n allen zullen jullie moeten zwemmen naar de diepten van de zee, of weer op land moeten kruipen naar het lot van de verdrogende, de verdorrende, de verbrandende, de verdorvene, de uitgestorvene. Je hoeft niet te zwemmen, je mag ook verzuipen. Je mag verhongeren, verdorsten, je mag. Het is de vreugde van de toename van het mogen.

*

Zo onbevlekt we dachten te zijn geboren, zo woest bevuilden we onszelf en de planeet met ons eigen zweet en bloed, wentelend in de drek van te warm, te zuur, te nat, te droog, te chemisch. De wereld vreet aan ons omdat wij de wereld aanvreten. We zijn de soort met de grote bek. We zouden onze woorden in stomheid moeten gieten en onze sprakeloze spijt in onhoorbare klanken. Een scheet, een boer, een rochel, laat het genoeg zijn, laat het toch het diepste spreken zijn, een laatste oprisping van de praatjesmaker van het universum. We treffen nu een Tijdperk aan dat verstrikt is geraakt in een onontwarbaar en redeloos universum, in een zich sluitend net, in een fnuikende Fuiktijd. Het is een tijdperk dat voor zichzelf een heel systeem van dwalingen heeft uitgedacht, volslagen absurde doelstellingen nastrevend, lijdend onder de onbenulligheden van een uit de hand gelopen diersoort, dat een pervers web over de werkelijkheid heeft gesponnen, met zijn babylonische gebazel, met zijn verkwistend gekwezel. Zijn bestemming (van de soort) en haar bestemming (van dit Tijdperk) corresponderen met elkaar als communicerende vaten, het ene holle vat holt het andere holle vat uit en zo hollen ze samen achteruit. Illusie vult desillusie, genot vult leed. Ze zijn een onverstandshuwelijk aangegaan van utopie en distopie, de eerste zich opsluitend in de onhebbelijkheden van de tweede. Is dit tragisch, lachwekkend of beide? Waarom toch maakt de mens er maar geen einde aan, aan zijn curieuze uitstervelijkheidsdrang, aan de creatie van zijn eigen ondergang? Hier het antwoord: de uitsterving is nog maar half begonnen en de gifbeker dient eerst tot op de bodem te worden leeggedronken. Zo nu en dan per eeuwigheid moet kennelijk de levensstrijd dodelijk en levensecht op soortnivo worden beslecht waarna de kansen wederkeren voor nieuwe levenssferen. Zo kwam het dus dat dood en stank en ongemak zich samenbundelden tot op zijn grenzen botsende hoogverheven mensenkak.

*

We kunnen niet aan het Antropoceen ontsnappen - noch door haar te snappen, noch door haar te bestrijden, noch door haar aan iemand te verkondigen gelijk een calvinistische dominee een donderpreek van hel en verdoemenis verkondigd – hetgeen ook nog nooit tot enige verlossing heeft geleid. We kunnen het enkel ondergaan en daarom correspondeert dit woord met ten onder gaan. Het is één en al passie zoals passé correspondeert met voorbijgaan. Het wordt heftig en hevig zoals dit begrip correspondeert met onderhevig zijn aan. Het loopt af, verkeerd af, en dat correspondeert weer met ondergang. Zo is de cirkelredenering keurig rond. We raken passé, dat raakt ons en daarom is het passie. Het klopt allemaal en als het klopt, dan zouden we het, hoe zinloos dan ook, toch moeten kunnen snappen? Het snapdier heeft immers een hoofd en wat moet men met een hoofd? Wat doet men met een hoofd als men geen paard is en toch gelijk een paard achter de wagen van het Antropoceen is gespannen? Wat moet zo’n hoofd nog, wat moet het nog willen als er geen ontsnappen mogelijk is omdat de cirkelredenering dat niet toelaat?

*

Wie de tijd heeft kijkt toe en ziet zichzelf kijken in een spiegel van miljoenen jaren. Wij koesteren het comfort van het beschouwen en eisen de last van bloed, zweet, tranen liever niet op. Wij leven liefst van deze erfzonde vrij, wij keren ons af van deze mensrijke epilepsie, de inspanningen die het bewustzijn van de ondergang verstikken. Wij vieren de ondergang op de rand van het massagraf, wij genieten haar peilloze diepte. Soms slagen we erin onszelf in iets te verliezen, maar hoe kunnen we onszelf nog in de wereld verliezen bij zoveel voorrecht? In een wereld die zichzelf verliest? Bestaan heeft nog maar één betekenis: de val, de val in de Geschiedenis, de val in het lijden. Die pas ten einde komt in de verzuchting na onze laatste zucht.

*

Het leven in het Antropoceen is voor zolang het duurt slechts mogelijk dankzij de gebreken van ons voorstellingsvermogen en ons verstand. Wij danken onze kracht aan dit gebrek en ieder hart is gemaakt voor slechts een bepaalde hoeveelheid leed. Wij danken onze volharding aan het weigeren te stoppen met ademhalen en piemelen en daarom dijt het leed uit zoals het heelal uitdijt. Zoals het heelal reeds zo vaak is uitgedijd en vervolgens onder haar eigen ijdelheid, haar eigen leegte, haar eigen entropie weer is ineengestort, ineengekrompen tot de leedloosheid van een punt … die een komma bleek te zijn en weer uitdijde tot het uiteindelijk - zoals ook nu in het Antropoceen -, weer overloopt van de volheid en de vervulling  van leed … die vervolgens weer onder haar eigen gewicht moet bezwijken. Vernietiging is getrouwd met vernieuwing. Elk leed behoeft een eigen universum tot vernietiging die moet leiden tot vernieuwing en die behoefte wordt deze keer in dit verbijsteringwekkende geologische en existentiële tijdsgewricht vervuld door een uit de hand gelopen verstand van een bepaalde soort, door onze geest, door onze ziel, zaligheid en gebreken. Ons verstand loopt vast op deze kosmische woekering en dat is goed. Een verstand dat niet vastloopt verloedert en dat is uiteindelijk dezelfde vorm van vastlopen en dat is goed omdat het zo gaan moet. Verstand zal per definitie waanzin moeten worden en verbijstering – om zo enkel door vernietiging uiteindelijk verlost te kunnen worden.

*

Als een tijdperk een erfgoed was – en dat is het – dan is ze een erfzonde. Reeds verwekt door het voorafgaande tijdperk, haar ouder, haar moeder, komt zij in een stuitende bevalling tot leven, tot groei, tot bloei. Het voorafgaande tijdperk, de ouder, sterft af en bewijst nu zijn nut door plaats te maken. Op een gegeven moment weekt de dochter zich los van de ouder. Dat is het ogenblik dat zij met enthousiasme begroet dient te worden – en dat ogenblik is nu aangebroken; we dienen het Antropoceen, dit schitterende tijdperk, met enthousiasme te verwelkomen. Haar erfzonde (haar geblèr, haar luierkak) dient in liefde omarmt te worden, genoeglijk genoten te worden, troostvol getroost te worden. Die erfzonde zal de kracht van een lot met zich meebrengen, we voelen dit aankomen, lijkstank hangt in de lucht. Duizenden jaren lang waren we slechts stervelingetjes, nu eindelijk zijn we tot de rang der Grootsterfelijkheid bevorderd. We moeten er niet aan denken dat dit alles ons bespaard had kunnen worden, wanneer het Holoceen, de ouder dus, zich wat bescheidener had opgesteld en wat minder CO2 had uitgestoten en wat meer besmettelijke ziektes teweeg had gebracht, wat meer negatieve afremmende stervensfeedback in plaats van positieve versterkende geboortefeedback. Optijdige afremmende feedback: het had vast een paar miljard gescheeld, een paar miljard actuele en toekomstige Grootsterfgangers. Het Antropoceen was dan nog lang niet tot de wijsheid van de volle wasdom gekomen en dat zou een zonde bovenop de erfzonde zijn geweest, een uitstel van wat we nu met enthousiasme mogen begroeten.

*

En de mens dan? Die fantastische veroorzaker van Antropoceen geweld, waar blijft de mens, waar blijft hij als slachtoffer? Hoe verhoudt zich het veroorzakerschap tot het slachtofferschap? Ach, de mens, what the fuck is de mens anders dan zoals een lelijke eend een lelijke eend is en een kwijlende boxer een kwijlende boxer. We moesten de ondergang maar romantisch en poëtisch benaderen: een boxer kwijlt zich een weg door zijn bestaan, een wolf blaft tegen de maan, de wereld is gek, aan Duivels geen gebrek, de wanhoop heeft niets anders te klagen dan door de mens te worden gedragen.
Een slachtoffer dient zich te gedragen als een voorbeeldig martelaar. Omdat niet iedereen talent heeft voor de rol van martelaar, moeten de meesten van ons het doen met visioenen van stromen van bloed. Wij hebben het voordeel van vroegtijdig sterven niet uitgebuit zoals de dertigplusser J.C. (Zoon van zijn Vader) dat heeft kunnen uitbuiten. Wij worden niet allemaal wereldberoemd. Onze dolende zielen botsen nu op de uiteindelijke grenzen van een bescheiden planeet. Een planeet die nooit de kunst machtig is geworden om zijn grenzen eens exponentieel op te rekken zoals van haar verwacht werd. Visioenen kunnen niet enkel visioenen blijven en zullen zich moeten verwerkelijken tot waarheden, tot ultieme waarheden van dit theater. Soorten worden uitgeworpen zoals keutels worden uitgeworpen en radicaal doorgespoeld door slechts één druk op de knop. Het is de knop. We moeten de knop in de gaten houden gelijk een kantelpunt.

*

Er is een naam, het heet noodlot, er is nog een naam, het heet tragiek. Ons faillissement alhier in dit uithoekje van het heelal zal zich kleden met deze namen, het zal haar identiteit zijn, haar favoriete identiteit, haar lievelingswoorden. We hebben behoefte aan een taal voor het onherstelbare, om verlichting te zoeken in de verbale vindingrijkdom van de rampen die als de taal van het Onheil over ons zullen komen. Woorden zijn barmhartig, ze kunnen ons misleiden, troosten en doen hopen, precies wat we nodig hebben: de troost van misleidende hoop. En al weten we precies wat we nodig hebben, en al weten we dat het noodlot niets te willen heeft, en hevig onderhevig is aan Overmacht, toch heeft het gewild wat ons overkomt, omdat we dit noodlot zelf in gang hebben gezet en zijn gang, zijn autonome gang hebben laten gaan. Tegen wie of wat moeten we vechten wanneer de door ons veroorzaakte hitte ons de laatste lucht uit onze longen perst, wanneer de zeespiegel jaagt op dezelfde lucht uit dezelfde longen? Er is een hoop te kiezen en we krijgen het: wanhoop, puinhoop, schroothoop, mesthoop – voldoende keuzestress. Hoe kunnen we in deze precaire situatie de frisheid hervinden van de opstandige engel? Die als een IJzeren Dame aan het begin van het kolonialisme, aan het begin van het imperialisme, aan het begin van het kapitalisme, kortom, aan het begin van alle gelegenheidsoorzaken waar het noodlot gebruik van heeft gemaakt, nog zo heerlijk onwetend was van de Antropocene geestdrift waarin we ons nu verslikken, waarin we zo romantisch zullen stikken?

*

We willen zo veel, maar wat we niet willen is precies datgene waar we door al ons willen niet aan zullen ontkomen. Ons willetje botst met Wil: de Wil van een zelforganiserende planeet. En uit het botsen ontstaat wrijving en uit wrijving ontstaat warmte, zo eenvoudig is het. De klimatologische systeemwetenschappers kampen met complexiteit en onzekerheid waar een kind dat de was doet en dweilt met de kraan open lekker geen last van heeft. Hoe echter zou het kind (wij dus) zijn willetje de nek om kunnen draaien om de Wil van de aardbol gunstig te stemmen? Zonder te stoppen met ademhalen? Zonder het leven te verraden? Enkel een bovennatuurlijke verrader zou dit kunnen: een Godt, zijn Zoon, of zijn Broer, de Duivel. Nee, wij staan op het menu, wij worden verorberd door minstens één van de drie. Wij worden verorberd doordat we op het menu zijn gezet, ongewild, ongevraagd, op het toneel, in dit ondermaanse theater van de lach van de traan. Wie van ons heeft om het menu gevraagd? Wie van ons heeft om de verorbering gevraagd? Wie van ons laat de laatste boer, de laatste scheet, de laatste oprisping, de laatste grap alvorens door de plee te worden gespoeld? Dwars door de krochten van het riool de beerput in te worden gezogen?

Maak jouw eigen website met JouwWeb