Een rimpeling in de evolutie

Gepubliceerd op 26 oktober 2026 om 21:45

De mens bestaat niet alleen, maar weet ook dat hij bestaat. In dit zelfbewustzijn bestudeert hij zijn wereld en verandert die naar zijn doeleinden. Hij heeft al in een ver verleden geleerd hoe hij kon ingrijpen in natuurlijke processen en dit ingrijpen is  een wezenlijk onderdeel van zijn wezen en daarmee van de evolutionaire voortgang geworden. De mens is geen volledig mens zonder zichzelf energetisch vermogen toe te eigenen uit zijn natuurlijke omgeving. Dit is een onontkoombaar fysisch basisaspect geworden. En we zijn mentaal nooit werkelijk buiten het geheel dat we ons voorstellen, een mentaal basisaspect. Van dit zelfbewustzijn kan niet worden verwacht dat het de oplossingen produceert waaruit het zelf, fysisch en mentaal, is ontstaan. We zijn geen Baron von Munchhausen die zichzelf aan zijn haren optrok uit het moeras.

We zijn nooit buiten het geheel dat we ons voorstellen. De nieuwigheid van Antropocene ontwikkelingen dwingen ons tot herziening van voorstellingen van wereld- en levensbeelden doordat het nieuwe vragen over schaal introduceert: astronomische en planetaire schalen voor ruimte, geologische schalen voor tijd en schaal van evolutionaire tijd voor de geschiedenis van het leven, op zoek naar begrip van de relatie tussen de geschiedenis van de atmosfeer van de planeet en haar levensdragende capaciteit. Het dwingt ons tot visies die de mens plaatst binnen een groter perspectief van leven en planetaire dynamiek. Tegelijk dringt daarmee een mensbeeld zich aan ons op vol dilemma’s, spanningen, tegenstrijdigheden, verdeeldheid. Kortom: mensonmogelijke spagaten wat betreft oplossingsmogelijkheden.

Het Antropoceen wordt gedefinieerd in relatie tot de geofysische kracht die het mensdier is geworden. Deze kracht deed en doet de levenssferen van de planeet als geheel veranderen, zoals dat een aantal keren eerder in de evolutionaire geogeschiedenis is gebeurd. Die kracht is deze keer geleverd, anders dan ooit in de geschiedenis van de planeet, door mensen. Het is echter een causale term die op zichzelf geen morele schuld betekent. Geen morele term, maar toch: op het moment dat we klimaatverandering (als onderdeel van de totale planetaire overshoot) niet alleen als een fysiek fenomeen, maar als gevaarlijk definiëren—in de uitdrukking "gevaarlijke klimaatverandering"—bevinden we ons in het domein van waarden en dus van onenigheid en politiek.

Het idee van ‘gevaarlijke klimaatverandering’ is op zichzelf geen wetenschappelijk idee. Het begrijpen en definiëren van ‘planetaire klimaatverandering’ is afhankelijk van wetenschappelijke kennis, maar ‘gevaarlijk’ is geen wetenschappelijk woord. Het is dus wanneer we de klimaatcrisis zien vanuit het idee van morele — en niet causale — verantwoordelijkheid, dat klimaatverandering een kwestie van rechtvaardigheid wordt en daarmee dus ook een politieke vraag. De mens is het politieke dier bij uitstek, met daarmee twee nogal tegenstrijdige, kenmerken. Ten eerste is het een entiteit die zichzelf in de toekomst kan projecteren als een doelgerichte instantie, ook al draagt het doel niet altijd universele goedkeuring. Maar we beschouwen deze mensheid ook als altijd al verdeeld door kwesties die op hun beurt gerechtigheidskwesties oproepen. ‘De mensheid’, een categorie die één suggereert, is nooit en nergens, in geen enkele georganiseerde institutie of andere vorm, een echte eenheid. Eenheid is nu nodig in de strijd tegen planetaire overshoot. Maar kunnen we ons wel  identificeren met een non-identiteit waar we ons nog nooit mee hebben hoeven identificeren? En kunnen we ons identificeren met nog groter geheel waartoe we behoren en wat verdedigd zou moeten worden: (al) het leven op deze planeet?

Het idee van ‘mensheid’ overkoepelt zowel de individuele mens als dat het tegelijkertijd de mensheid decentraliseert door de menselijke geschiedenis ondergeschikt te maken aan de evolutionaire geschiedenis van het leven en van de geologische geschiedenis. Deze ondergeschiktheid impliceert onderhevig -zijn aan mensoverstijgende krachten. Die overmachtige krachten werken nu structureel de verkeerde kant op wat betreft levensondersteuning. Dit realistische bewustzijn vraagt om uithoudingsvermogen in de spanningen van onoplosbaarheid.

Dit betekent niet dat we de ruimte voor politiek en conflicten over rechtvaardigheidskwesties tussen mensen afsluiten. We hebben altijd de mogelijkheid om zoveel als mogelijk te vertragen en te verzachten. Het impliceert echter wel dat de mens/mensheid deze overmachtige trend niet maakbaar en beheersbaar de andere kant op kan buigen. Dit besef verandert ons idee van maakbaarheid en vooruitgang. Een nieuw en uniek fenomeen vormt dus nu ons tijdperk: structureel onomkeerbare planetaire overshoot - iets waar mensen nooit eerder mee te maken hebben gehad in de vastgelegde of herinnerde geschiedenis. Ze werden zeker geconfronteerd met regionale klimaatveranderingen en andere milieuproblemen, maar er is iets fundamenteel anders aan onze tijd, betrekking hebbend op schaalgrootte en onomkeerbaarheid.

De tijd van de menselijke geschiedenis — waarin we verhalen vertellen over individuen en instituties — botst nu met de tijdschalen van twee andere geschiedenissen: zowel diepe tijd, de tijd van evolutie van het leven op de planeet, als de evolutionaire geologische tijd. Onze historische Holoceengerelateerde verhalen waren allemaal gebaseerd op de veronderstelling dat geologische en evolutionaire ontwikkelingen als een achtergrond waren op het podium waarop onze menselijke drama's zich ontvouwden. Deze achtergrond is op het toneel gekomen als hoofdrolspeler. Met deze samenval van meerdere chronologieën en bijbehorende perspectivistische verhalen — van soortengeschiedenis en geologische tijden in ons eigen leven, binnen levend geheugen — is de menselijke conditie veranderd.

We zijn gevallen in ‘diepe’ geschiedenis, in diepe, geologische tijd. Deze val in de diepe geschiedenis brengt mentale en fysische schokken met zich mee. We worden min of meer gedwongen om nu onze geschiedenis van de ‘beschaving’ en onze kleinere geschiedenissen van tegenstrijdige gehechtheden, verlangens en aspiraties te relateren aan de overmacht van diepe geschiedenissen met evolutionaire wetmatigheden van planetaire overshoot en massa-extincties.

We moeten (dus) onze verdeelde politieke geschiedenissen misschien niet alleen in de context van de geschiedenis van het mogelijk beïnvloedbare kapitalisme zien, de moderne geschiedenis van de laatste eeuwen, maar op het veel grotere canvas van geologische en evolutionaire geschiedenissen. Dit maakt (het bezit van) ons zelfbewustzijn en intelligentie tot een tragisch want tegenstrijdig gegeven: we moeten de illusie opgeven dat we er onze existentiële crisis mee kunnen oplossen en we zijn door dit type bewustzijn gedwongen om onze eigen onhoudbare positie onder ogen te zien. Het mensdier was, samen met vele andere dier- en plantsoorten, een zoveelste rimpeling in de evolutie.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.