Van iedere minuut denk ik 61 seconden aan het Antropoceen. Liever was ik een ding geweest, bij voorkeur een steen, al sinds die droom maar niet vervult wordt. Ik vrees de draaikolk der dagen waarin wij meegezogen worden. Hoe moeten wij het gezwel definiëren dat tot planetaire overshoot heeft geleid, dat kankergebroed dat van zichzelf dacht het gekrioel van de andere levende wezens te zijn ontstegen, het virus dat de builenpest ruimschoots overtrof, het gedrocht dat bezig is aan zijn laatste stuiptrekking? De geest bloeit op bij het naderen van zoveel einde, zijn mislukking verkiezend boven de natuur, vastlopend in gezond uitsterven, van eerste Adam tot laatste adem. De ultieme laatste adem, de onomkoombare laatste adem, de volmaakte laatste adem waaraan zoveel absurdisme is voorafgegaan, zoveel zijnspijn dat het lachen moest worden uitgevonden. Wat is de mens anders dan een fenomeen van rampspoed?
Terwijl alle andere wezens hun natuurlijke plaats innamen, bleef de mens een metafysisch zwerven schepsel, verloren in het leven, niet op zijn plaats in de Schepping. Niemand heeft een aannemelijk doel van de geschiedenis gevonden, maar iedereen heeft er wel een voor ogen en dat levert zo’n kakofonie aan doelen, aan religies, aan overtuigingen op dat ieder idee van doelmatigheid er door wordt opgeheven en vervluchtigd tot een bespottelijk hersenspinsel. Wat is dan nog de zin van de tijd die zich gehecht heeft aan de hoogmoed van geboren te zijn geworden? Te moeten geboren zijn geworden? De diepste goddelijke nederigheid van de hoogste mystiek is die der ongeboren te zijn gebleven. Wie daarin slaagt is een mysticus die alle geleefd moeten hebbende mystici naar de kroon steekt. Een nog levende mysticus dient zijn verlaging tot martelgang tot het einde vol te houden, tot zijn gewenste einde. Het is het Antropoceen dat in staat mag worden geacht om dit gewenste einde te versnellen.
Reactie plaatsen
Reacties