Het individu dat organisch deel uitmaakt van een specifieke diersoort – ook wel genoemd ‘de mensheid’ –, een inmiddels destructief geworden diersoort, is die wel in staat om de kwaal te identificeren die haar ondermijnt? Het idee van ‘de mensheid’ dringt zich aan ons op door de existentiëel bedreigende planetaire overshoot – en tegelijk kan dit idee niet onze identiteit definiëren. Als dat wel zo was, dan zouden we ons één voelen. We zouden ons verbonden voelen met de gehele mensheid, en dat zou tot gemeenschappelijke actie kunnen leiden op wereldniveau. Maar we zien aan de hand van alle ontwikkelingen dat het zo niet werkt. Identitaire ontwikkelingen werken net zo goed verbindend als scheidend. Verbindend met het eigene, dat daarmee juist tegelijk werkt als scheidend tegenover het andere, het vreemde.
Het Antropoceen doet de klassieke scheiding tussen de geschiedenis van de natuur en die van de mensheid opheffen, zoals Bruno Latour ons overtuigend laat weten. Wat het echter niet doet, is een duidelijk nieuw leidend kader bieden om de planetaire overshoot tegen te gaan, want daarvoor is juist een gevoel van wereldeenheid als gemeenschappelijk collectief nodig en die raakt nu precies door dezelfde overshoot, met al zijn spanningsopbouw, steeds verder uit zicht. Onze wereld- en mensbeelden botsen op die manier innerlijk op elkaar. Ze zijn aan elkaar tegenstrijdig: geen eenheid wat betreft oplossingen, wel wat betreft het op het spel staan van de mensheid. Het ontbreken van die eenheid aan de ene kant veroorzaakt juist een eenheid aan de andere kant.
Dit betekent eenvoudig dat ‘we’ als soort de klos zijn (uiteraard samen met heel veel andere soorten). Wat de ethische, morele kant van de zaak betreft komen we nu uit bij reflectie op hopeloosheid als ethische houding. Het is een tragisch perspectief. Individueel kunnen we ons best doen - in de wetenschap dat ieder op zich geen deuk in een pakje boter slaat. Het is dan misschien eerder dat we het doen om er geen slecht gevoel van te krijgen: het ligt niet aan mij dat de wereld naar de kloten gaat. Als we ondanks onze persoonlijke inzet – het gaat hier dus niet zozeer om een fatalistische houding – realistisch beseffen dat omkering van de klimaatverandering niet langer mogelijk is, is het onze taak om ‘te leren sterven in het Antropoceen’.
Het Antropoceen als kapstok, voor zowel theoretisch denken als praktische omgang ermee, dwingt ons tot hernieuwde reflectie over ons collectieve en individuele bestaan. Het is ‘werk in uitvoering’ gezien de onzekerheid die gepaard gaat het dynamische karakter van het Antropoceen; het is een herziening van Holoceen-gerelateerde mens-, levens- en wereldbeelden; het is relativering van ideeën omtrent ‘vooruitgang’, ‘maakbaarheid’, ‘beheersbaarheid’ en van onze soort als de maat der dingen.
Om op de beginvraag terug te komen: we kunnen misschien alleen de kwaal identificeren als we deze niet alleen door kapitalistische dynamieken van de laatste eeuwen wensen te verklaren. Historicus Dipesh Chakrabarty betoogt dat het Antropoceen niet tot het kapitalisme te reduceren is, omdat het de randvoorwaarden betreft die de mens en al het andere leven op aarde nodig heeft. Het kapitalisme doet daarin mee als ‘slechts’ een gelegenheidsoorzaak die mogelijk werd gemaakt door miljoenen jaren voorafgaande evolutionaire ontwikkelingen.
Reactie plaatsen
Reacties