De Antropocene bedding

  1. klimaatverandering is ingebed in een veel breder veld van Antropocene veranderingen. Het maakt deel uit van het Planetairy Bouderies frame.
  2. in het bredere debat is er wel degelijk heel veel filosofisch gedachtengoed van toepassing dat nu betrokken kan worden op Antropocene ontwikkelingen.
  3. daarbij gaat het over de gelaagdheid van de werkelijkheid, de gelaagdheid van kennisvormen (rationele kennis is ingebed in onze lichamelijke ervaringskennis), de inbedding in Deep en Big History, verhardende condtionering, procesfilosofie (die nu beter aansluit op de veranderingen dan de meer traditionele substantiefilosofie), metafysica en ook ontologie.
  4. het gaat niet alleen om weten tegenover niet-weten. Het gaat ook om denken en overtuigingen (bv. ontologie). Met het besef dat er heel verschillend wordt gedacht, vanuit heel verschillende overtuigingen over Antropocene ontwikkelingen, zowel aan de oorzaakskant als aan de gevolgkant. En toch kunnen we daar niet omheen door het te versimpelen en te reduceren zoals Goff doet.
  5. metafysica impliceert dat het om betekenis gaat. En ja, de Antropocene ontwikkelingen zijn van existentiele betekenis.
  6. ieders blik op de werkelijkheid start met een impliciete kijk daarop vanuit impliciete overtuigingen. Dit is iets om ons bewust van te zijn in Antropoceendebat. Het kan verhelderend werken om deze impliciete ontologie waar mogelijk exliciet te maken.
  7. optimisme / pessismisme, realisme / idealisme zal deels te maken hebben met karakter, maar in ieder geval ook met ontologisch mens- en werelbeeld.
  8. de unieke dynamische kenmerken van het Antropoceen nopen ons om opnieuw naar onze Holoceengerelateerde denkbeelden te kijken. We vertoeven in een nieuwe werkelijkheid.
  9. praktische transities moeten ingebed zijn in realistische theorie.
  10. de wetenschappen hebben een geschiedenis van specialisatie doorgemaakt. Dit is nu problematisch in het Antropoceen. Er is inter- en transdisciplinairiteit nodig. Met inzet van alle kennisvormen, niet alleen de logicistisch-analytische. De vraag is hoe die aspectuele kennisvormen methodisch kunnen worden gemaakt. Denk aan inheemse kennis.
  11. de mensengeschiedenis en de planetaire geogeschiedenis vallen nu samen. Wat betekent dit voor ons handelingsperspectief?
  12. er is sprake van toenemende natuur-cultuurverstrengeling, zoals we tot voor kort niet gewend waren. Dit is van invloed op onze traditionele denkbeelden. En ook op die noodzakelijke integratie van wetenschappen. Het sociotische kan niet meer los worden gezien van het geotische aspect. Er zijn aard- en sociale wetenschappers bezig om te komen tot zoiets als een geo-sociologie.
  13. maar het gaat verder dan geo-sociologie. Het sociotische aspect is ingebed in een range van andere zijnsaspecten. En de samenhang van alle zijnsaspecten komen niet uit zichzelf voort. Het denken is niet de bron ervan, en de werkelijkheid van de mens wordt niet door zichzelf geconstrueerd. We komen daarmee weer terug op het ontische als het totaal van onze aspectuele gelaagdheid van onze werkelijkheid. Die nu onder de dynamische verhardende condtionering staat van de geogeschiedenis van de aarde. Daarmee hebben we het, breder en dieper dan geo-sociologie, over een geo-ontologie. 

*

Veerkrachtproblematiek

Begin mei 2026 wordt er een jaarlijke bijeenkomst georganiseerd van Europese aardwetenschappers. Deze keer gaat het voor een groot deel over het Antropoceen. Een programma-onderdeel over veerkracht betreft het volgende: ITS4.20/CL0.23 | PICO / Hoe bouw je veerkracht op? Kwantitatieve en kwalitatieve benaderingen om regionale veerkracht te begrijpen en te versterken, zodat we beter bestand zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering.

Er schuilt een paradox in de tekst: omdat we veerkracht ondermijnen door menselijke activiteiten moeten we veerkracht versterken.

De tekst vermeldt:  “Terwijl individuele aanpassingsmaatregelen zich richten op het verminderen van het risico dat verbonden is aan een specifiek gevaar voor een bepaald object, pakken veerkrachtkaders en de daarin voorgestelde gebieden algemene regionale structuren aan.” Maar de planetaire structuren pakken we onvoldoende aan en we kunnen gevoeglijk aannemen dat die planetaire schaal overheerst over de schaal van de regionale schalen. We mogen volgens ons veronderstellen dat natuurverslechtering precies ook de cultuurlijke veerkracht ondermijnt.

Is dit niet een blinde vlek in hoe ‘veerkracht’ wordt gebruikt? In veel beleidsteksten wordt veerkracht opgesplitst in een natuurlijk en een sociaal domein. Dat maakt het bestuurbaar of 'bestuurbaar'. Je kunt zo immers indicatoren maken, interventies ontwerpen, stakeholders betrekken. Maar die scheiding is slechts een analytische onderscheiding. Het kan geen ontologisch scheiding zijn vanwege precies die natuurcultuurverstrengeling.

Het lijkt ons op z’n minst een spanning te zijn die Antropocene theorievorming zal moeten duiden. We kunnen niet onbeperkt sociale veerkracht opbouwen terwijl de ecologische basis eronder wegvalt. Het mag toch niet zo zijn dat we denken dat sociale en technologische vernieuwing ecologische achteruitgang kan compenseren. We kunnen met sterke instituties beter omgaan met overstromingen, maar als zeespiegelstijging en bodemdaling doorzetten, verschuift de grens van wat überhaupt nog op te vangen is. En door de verstrengeling is de dynamiek nu juist richting verzwakking van instituties en bestuurlijk vermogen. Het probleem wordt niet afdoende aan de voorkant opgepakt. Dat is misschien ook niet helemaal, of nauwelijks mogelijk (ook door Antropoceentheorie te onderzoeken). Wij denken echter dat het niet mag leiden tot misleidende ideeën omtrent veerkracht. Dit vereist een Antropoceentheorie omtrent de aard van de dynamiek, gecombineerd met de harde Antropocene kenmerken zoals doorgaande overshoot.

Het heeft weinig zin om onhoudbare systemen te verdedigen, terwijl de spanning is dat we dus eigenlijk radicale transformaties nodig hebben - die echter maar niet afdoende ingezet (kunnen) worden. (wederom: deze kwestie vereist inter- en transdisciplinaire, niet-normatieve theorievorming.)

Er is een groeiende stroming die spreekt over sociaal-ecologische veerkracht: niet twee systemen (natuur en cultuur), maar één verweven geheel. Daarin is veerkracht juist het vermogen om relaties tussen mensen, soorten en systemen zó te organiseren dat ze samen kunnen voortbestaan. Maar dan hebben we het dus juist over radicalere inzet, onder de dynamiek van verhardende conditionering die transformaties steeds verder bemoeilijken naarmate ze niet op tijd worden ingezet.

Veerkracht opbouwen is afhankelijk van transitievermogen. Juist dit vermogen staat onder druk. Het heeft alle schijn van een vicieuze cirkel naar beneden. Het doet zich niet zomaar contingent voor maar het is een negatieve feedbacklus die onderhevig is aan patronen, structuren, dynamiek, wetmatigheden van toenemende overshoot. We kunnen niet veerkracht blijven toevoegen zonder de onderliggende relaties te veranderen. Maar die onderliggende relaties moeten we in Antropoceentheorie uitwerken, ook om de hardgebakkenheid ervan te bepalen. Anders zijn we hubrisch bezig. Transitievermogen, ofwel samenwerkingspotentieel, ofwel STP’s kunnen naar onze mening niet tegen de Antropocene dynamiek van spanningsopbouw en verhardende conditionering in groeien.

Bij de procesfilosofie van Whitehead en Deleuze is de kern dat de werkelijkheid niet bestaat uit stabiele dingen, maar uit processen, relaties en voortdurende wording. Dit duidt dus op één veld van sociaal-ecologische processen. Natuurculturrverstrengeling is hier geen probleem, maar juist het uitgangspunt. Dan is neergaande ecologie en afnemend transitievermogen geen fout in het systeem, maar een bepaald type dynamiek. Het is een ‘afglijdende wording’: relaties verstarren en het systeem verliest creatief vermogen. Whitehead zou zeggen: minder ‘intensiteit van ervaring’, met minder mogelijkheid tot nieuwe verbindingen.

Procesfilosofie verzet zich tegen lineair denken. Er zijn geen vaste trajecten, alleen velden van mogelijkheden. Elke situatie bevat steeds potentialiteit, een ongerealiseerd veld van  mogelijkheden. Zelfs in een crisis is het systeem niet gesloten. Maar de dynamiek stuurt het in een bepaalde richting van minder heilzame mogelijkheden. Ontologisch onderbouwd betekent dit ontisch: als ecosystemen verarmen, verarmen relaties, waardoor het transitievermogen daalt.

Procesfilosofen zouden weleens kritisch kunnen zijn op de tekst van ITS4.20/CL0.23. Er is geen stabiele toestand om naar terug te keren, dus de focus op stabilisering met behulp van veerkracht zou juist transitie kunnen blokkeren. De echte uitdaging ligt dan in meebewegen en herconfigureren. Maar we voorvoelen wel dat dit het spanningsveld niet doet verminderen. Procesfilosofisch kunnen we zeggen: een netwerk van relaties verliest zijn vermogen tot vernieuwing en raakt gevangen in zelfversterkende patronen. En de uitweg is niet meer veerkracht toevoegen, maar de relaties zelf transformeren.

De mens zit nu én eenmaal zelf in het dynamische netwerk van natuurcultuur relaties én hij is tegelijk de oorzaak van de dynamiek. Hoe dan die relaties zelf te transformeren? Dat lijkt toch een beetje op de Baron von Munchhausentactiek, die zich aan zijn eigen haren optrok uit het moeras. Veel van wat nu gebeurt is niet preventief maar reactief. In Nederland is wat dat betreft nu een sterke omgekeerde metafoor van toepassing: We dweilen met de kraan open in de verwachting dat er gewoon water uit de kraan blijft komen. We worden al jaren ernstig gewaarschuwd, terwijl ik vanavond nog een buurman zijn tuin zag besproeien. Er zijn Haakse Problemen met sterke belangentegenstellingen waardoor minister Karremans deze week zei dat hij een gestaffelde beprijzing niet zo zag zitten, op basis van een onderzoek uit 2024.

We hollen in algemene zin al decennialang achter de feiten aan. In het krachtenveld spelen tegengestelde krachten en we zien wat dat per saldo oplevert. Er zijn kennelijk structurele redenen waarom samenlevingen laat (te laat) reageren. Die redenen (ofwel onderliggende wetmatigheden, patronen, structuren) zouden bij een processuele ontologie die zo goed mogelijk past bij de dynamiek van het huidige ontische, (d.w.z. onder de te specificeren Antropocene kenmerken), geduid moeten worden. In eerste instantie moet die beschrijvende kant naar onze mening losgekoppeld zijn van de normatieve. Dat is immers wat een correcte realistische ontologie gewoon vereist.

*

Ontologische beelden

Ontologische beelden, ofwel vooronderstellingen, gelden voor iedereen. We ontkomen er niet aan. Het start niet bij het logisch-analytisch aspect. En het doet sterk mee in de beschouwing op klimaatverandering dat een onderdeel is van alle Antropocene verandering. Ze zijn meestal impliciet en dat zien we terug in discussies. Het is (dus) wel handig als ze daar waar mogelijk iets explicieter worden gemaakt. Dan zien we ook waar de meningsverschillen op gebasseerd zijn. Dat gaat nameijk veel verder en dieper dan het argumentistisch redeneren. Dus lijkt mij de vraag toch wel interessant:

Hoe nu kunnen ontologische beelden die betrokken zijn op het Antropoceen worden geanalyseerd?

Zodra we onderkennen dat ontologische beelden vaak impliciet zijn, hebben we een manier nodig om ze zichtbaar en vergelijkbaar te maken. We kunnen ontologische beelden rond het Antropoceen analyseren door systematisch te kijken naar wat er wordt verondersteld dat bestaat, hoe dat bestaat, en hoe die aannames doorwerken. Hieronder, zonder daar dieper op in te gaan, een aantal invalshoeken.

Expliciteren van basisentiteiten ; Relaties in kaart brengen ; Aannames over grenzen en schaal ; Analyse van taal en metaforen ; Impliciete normativiteit  blootleggen ; Reducties en blinde vlekken identificeren ; Vergelijkende analyse ; Praktische doorwerking onderzoeken.

Ontologische analyse van het Antropoceen is het systematisch blootleggen van aannames over wat bestaat, hoe het samenhangt en welke grenzen en mogelijkheden daaruit volgen. Dit is belangrijk omdat verschillende ontologieën leiden tot totaal verschillende mens- en wereldbeelden. Die verschillen zitten niet alleen in meningen, of redeneringen, maar in verschillende opvattingen van wat werkelijkheid is.

*

Nogmaals over veerkracht

Het procesdenken zoals bij o.a. taoïsme en Whitehead benadrukt het holistische idee dat alles in wezen één is. Zo is ook de scheiding tussen ‘ik’ en ‘de wereld’ uiteindelijk een illusie. En proces impliceert opvolgingsrelatie. Dit betekent voor de Dooyeweerdse aspecten dat dezen zowel in de Zelfheid (Ikheid, ‘Ik-Gij’-relatie bij Buber) als ook in de wereld kenbaar zijn. Opvolgingsrelatie is: we zijn elk moment met z’n tweeën: de ‘Oervader’ brengt het ‘Oerkind’ voort. Hier hoeft geen God aan te passen te komen, het is innerlijke immanente werkelijkheid, het is mystiek voor goddelozen. We zijn een tijdbloem die voor haar bloei desalniettemin juist ook afhankelijk is van de lagere aspecten.

We zitten hiermee al gelijk in het Antropoceen: onze materiële basis raakt ontwricht en we kunnen onszelf niet zodanig onthechten dat we niet van die basis afhankelijk zijn. Het fysische aspect fungeert, net als alle aspecten, in ‘ik’ en in ‘de wereld’. Een bloem moet ‘ergens’ kunnen zijn om te bloeien. Dit houdt plaatsbepaling in. Aan de kant van de relationele Zelfheid zijn wij plaatsbepaald met naam en identiteit. We worden benoemd en genoemd door de affectieve dialogische relatietaal van het Leven Zelf. Dat is de plaatsbepaling van ‘ik’. Aan de kant van ‘wereld’ is die plaatsbepaling een kwestie van gunstige dan wel minder gunstige omstandigheden, al naar gelang waar je geboren bent en in welk tijdperk. We kunnen ons koesteren in gunstige omstandigheden, zonder dat we dat zo beseffen. De zon is immers gratis? Nu onze elementaire ‘gratis gedachte’ omstandigheden niet meer gratis blijken te zijn, slaat dat via de fysisch-biotische aspecten aan de wereldkant terug op onze fysisch-biotische kanten in onze ervaring. En juist die lagere aspecten zijn nou eenmaal de basis voor ook het goed functioneren van de hogere.

We hebben ‘ik’ en ‘wereld’ hierboven weliswaar gescheiden gedacht, maar we begonnen ermee dat die scheiding een illusie is. We kunnen Omstandigheden of Wereldbedding niet loskoppelen van de dialogische ‘plaatsbepalende’ Naam en Identiteit van onze Zelfheid of binnenwereld – zoals hierboven geduid. We zijn tijdbloeiers en dat is een manier om het universum te zijn, in zijn volle holistische betekenis.

Waar stevenen we nu op af, holistisch gezien? Voor tijdbloeien is vrijheid nodig, heel veel vrijheid. Die vrijheid moeten we veroveren op noodzakelijkheid en vervolgens in onszelf geactualiseerd houden. Alleen die vrijheid maakt het ons mogelijk om de wereld de goeie kant op te duwen. We zijn echter geen vrijheid aan het opbouwen, integendeel. Of we het nu zelf doen of dat we voertuig zijn van evolutionaire processen: ons wordt conditionerende verharding opgedrongen. Dit is: we leven in het Fuiktijdperk.

Dus: zelfs deze mystiek (die geen kennis over het goddelijke, maar een directe ervaring ervan is of zoekt), kan niet zonder een gezonde fysische basis. We hebben het over veerkracht als kwaliteit in de volle holistische ‘diepte’ van de aspectueel gelaagde werkelijkheid. Mystiek kan niet loszweven van de lagere aspecten. Het gaat om veerkracht over de hele verticale aspectenkolom die nu eenmaal onze ervaringswerkelijkheid is.

*

Onze basis; ons huis

Onze basis is ontisch, ofwel het zijnde. Het is de volle concrete werkelijkheid waar niets van geabstraheerd is. ‘Niets van geabstraheerd’ wil dan zeggen de erkenning dat de werkelijkheid gelaagd is in zijnsaspecten, van de onderste/eerdere/lagere natuurgerelateerde, tot de bovenste/latere/hogere cultuurgerelateerde. Maar wat is ‘hogere’ als die hogere juist afhankelijk zijn van de lagere. Waar ligt dan de macht, die onder Antropocene omstandigheden gezien kan worden als overmacht?

De mens maakt concreet deel uit van het universele en dat betekent ook dat niets universeels de mens vreemd is. Dit betekent dat de zijnsaspecten fungeren zowel ‘binnen’ als ‘buiten’ de mens. En dat we er dus ook ervaring van hebben, van die universele gelaagdheid. Zodra het fysische is, is er al sprake van gelaagdheid. Het fungeert immers in het numerieke, het ruimtelijke en het kinetische aspect. Zodra er ‘daarbovenop’ leven ontstaat is er sprake van een volgende laag: het biotische fungeert in het numerieke, het ruimtelijke, het kinetische en het fysische aspect. Enzovoorts t/m de aspecten die meer cultuurgerelateerd zijn.

Waar de ‘hogere’ aspecten onder Holocene omstandigheden min of meer vrij van de lagere aspecten konden worden gedacht (hoewel een misvatting, naar we nu ervaren), blijkt nu juist een toenemende inkapseling van de ‘hogere’/latere aspecten in de overmacht van die lagere/eerdere aspecten. De ‘hogere’ aspecten konden een tijdlang tegen de lagere ingaan, totdat bleek dat de planeet niet groter is dan deze is. En daarbovenuit geen levensondersteuning kan toevoegen, maar wel kan inperken. Wat dan wordt ingeperkt is vrijheid.

Het is niet alleen onze levenswijze, maar juist ook de expansie van evolutionaire wetmatigheden die geleid hebben tot onomkeerbare overshoot. Er is een voornamelijk cultuurgerelateerd traject, dat gepaard ging met een voornamelijk natuurgerelateerd traject en je kunt ze niet uit elkaar halen. Was dat cultuurlijke traject een onlogisch traject? Was het een rationeel traject? Of moet correcte Antropoceentheorie kunnen aantonen dat het een niet-onlogisch irrationeel traject was? Dat lijkt ons van wel.

 We kunnen het cultuurlijke net zo goed zien als niche-voortzetting van het natuurlijke. En daarmee net zo goed onderhevig aan natuurlijke expansiewetmatigheden. Waar we nu dan tegenin moeten roeien. Maar hoe dan? Dat ‘hoe dan’ vergt een gefundeerde Antropoceentheorie in plaats van een boven de onderste aspectlagen zwevende.

Stel nu dat de aarde 2 keer zo groot was als dat hij is. Dan hadden we het overshootprobleem nog niet gehad. Nog niet. Dan hadden we onze levenswijze gewoon voortgezet. Dus zouden we, naast protesteren tegen onze levenswijze net zo goed moeten protesteren tegen de te kleine aarde. Ik liep vandaag nog met twee protestbordjes door het centrum. Op de ene stond: “stop de klimaatverandering”. Op de andere stond: “stomme aarde, waarom ben je zo klein?” Het winkelend publiek (50% kledingzaken, 40% horeca, 30% drogisterijen, 20% supermarkten),  was het weer roerend met mij eens.

We hebben het dus over de onderste aspecten als sterk (mede)sturend. De aantallen, het fysische, het biotische, een deel van het psychische. Stel nu, als voorbeeld, dat we door verandering van ‘niet-onderste-lagen-gerelateerde-aspecten’, de CO2 toevoeging, met 60% ( = ongekend zeer fors, zeer snel, zeer radicaal, met alle pijn erop en eraan), weten terug te dringen. Dan kunnen we trots op onszelf zijn – en dan gaan we jaarlijks nog steeds met 1 ppm omhoog. Van 430 zitten we dan over een eeuw op 530, ofwel bijna het dubbele van pré-industrieel.

De ‘hogere’ aspecten kunnen niet tegen de lagere in werken, in die zin dat het haar basis is. Schoffelt ze haar basis onderuit, haar woning, haar habitat, dan is het niet meer dan logisch dat ze zichzelf onderuit schoffelt.

Ook het mystieke gedachtengoed (wanneer een bijdrage aan Antropoceentheorie) ontkomt niet aan de levensfundering.

*

Procesfilosofie en de taal van het Leven Zelf

Wanneer we het Antropoceen beschouwen moeten we beoordelen wat realistisch is en wat naïef. We moeten kijken naar patronen, structuren, dynamiek, wetmatigheden. Het is precies de procesfilosofie die nu sterk overeenkomt met wat er gaande is. De procesfilosofie is daarmee een ontologie die het ontische zo goed mogelijk kan beoordelen. Het gaat om krachten en krachtsverhoudingen. We weten intuïtief dat dezen nu aan het verschuiven zijn. Dat maakt de procesfilosofie tot een diagnostisch instrument. En dat instrument staat niet haaks op die van Dooyeweerd. Integendeel: de werkelijkheid is een verstrengeld-gelaagde temporaliteit als Werking, als Wording. Het is  de gelaagde actualisatie uit de actueel vigerende mogelijkheden. Wellicht valt zo 'Dooyeweerd' en 'Whitehead' te combineren als één diagnostisch instrument.

Whitehead zegt met andere woorden dat het de verschuivende Bedding is, die verschuift door de kracht van het stromen, die medebepalend is voor de mogelijkheden van Creativity. Waardoor de totale rivier nu, met alles erop en eraan, d.w.z. van onderste/eerste aspect t/m bovenste/laatste aspect, als Antropoceen Gesternte moet worden gezien in plaats van pré-Antropoceen Gesternte. Maar wat betekent dat dan: Antropoceen Gesternte? Slaat het niet op een bepaalde overmacht, waar niet alleen al het cultuurlijke, maar ook alle organismen aan onderhevig zijn? Zo ja, welke cultuurlijke bijsturingsmacht heeft de mens dan nu nog? En hoe verschuift die bijsturingsmacht? In welke richting? Onder welke procesmatigheden? Die cultuurlijke bijsturingsmacht is gerelateerd binnen het geheel. Moesten we deze dan maar niet eens ernstig gaan relativeren? Dat is wel hoe team Lont erin staat.

Wat we over de realiteit weten, dus ook over het verleden, is meer dan wat empirisch-historisch erover te zeggen. We kunnen immers, zoals Whitehead op metafysische wijze gedaan heeft, de natuurcultuurverstrengelde wetmatigheden ervan opsporen. Dit betreft niet alleen de wetmatigheden binnen het gerealiseerde, maar ook hoe het gerealiseerde steeds conti-nu geschapen wordt. Het betreft dus ook de voorafgaande bronoorzakelijke primordialiteit ervan, die voorwaarden-scheppend werkt. Hoe we die twee typen wetmatigheden kunnen opsporen, - de wetmatigheden van binnen de gerealiseerde aspectuele gelaagdheid en de temporele of processuele wetmatigheden van de bronoorzakelijkheid daarvan - kunnen we ook betrachten aan de hand van het oorspronkelijk taoïsme. Dus niet de normatieve van Confusius en ook niet dat wat in hexagrammen wordt gepresenteerd.

Dat zijn kennislagen die instinctmatig-intuïtief, voor- en bovenwetenschappelijk (ofwel voor- en bovenrationeel) zijn. Voorwetenschappelijk: we worden er mee geboren, hoewel uiteraard niet gearticuleerd. Bovenwetenschappelijk: we hebben het in de loop van onze persoonlijke ontwikkeling op ons in laten werken en tot ons door laten dringen, terwijl we tegelijk wetenschappelijke kennis hebben. Het is de kennislaag van Buber, van de mystiek. Het is weetvoelen. Het is de taal van het Leven Zelf, met al zijn affectieve zeggingskracht over heil en onheil. 

*

Waarom volgt het Antropoceentraject een bovenrationele logica? (met een Nederlands voorbeeld)

De unieke Antropocene structuurkenmerken, waaronder toenemende massieve overshoot op 7 van de 9 kritieke planetaire grenzen, brengen een dynamiek met zich mee die gaat in de richting van verhardende conditionering. Overshoot ondermijnt het vermogen om nog adequaat te reageren. We zien dit op de verschillende niveaus terug die de aspectuele gelaagdheid van de werkelijkheid representeren: (a) Fysisch: toenemende opwarming, chemische vervuiling, stikstof- en fosforkringloop; (b)Ecologisch: systemen worden schokgevoeliger; (c) Sociaal: minder collectieve slagkracht en (d) Temporeel: reagerend op het gerealiseerde traject. We kunnen dit noemen: structureel achter de feiten aanlopen.

Relaties verharden, mogelijkheden vernauwen en systemen raken gekanaliseerd. De voorheen meanderende Bedding, die rijkere realisatie mogelijk maakte uit levensondersteunende mogelijkheden, wordt strakker en beperkender. We zullen zo gezien een tragisch realisme moeten betrachten, ondersteund door realistische Antropoceentheorie, die wetmatigheden, patronen, structuren en dynamiek opspoort. Wij noemen dit antropocenica. Hoewel de uitkomsten niet volledig vastliggen, geldt wel: we zijn laat, de ruimte krimpt, uitkomsten worden ongunstiger, minder heilzaam, riskanter, ongelijker. Het probleem is niet alleen dat we grenzen overschrijden, maar dat we dat doen (of dat het ons overkomt) op een manier die ons vermogen om nog bij te sturen zelf aantast. Handelingsruimte krimpt.

Die verharding treft de volledige aspectuele gelaagdheid van de werkelijkheid. Niet alleen ecologisch, maar ook machts- of vermogensstructuren om zaken aan te pakken. De schade is materieel en immaterieel, natuurlijk en cultuurlijk. Waterstress geeft problemen in het fysische en in het sociale domein. Verlies van leefbaarheid verloopt van de biotische gelaagdheid tot en met de cultuurlijke gelaagdheid. Vastlopende systemen betreffen de aspecten van materiële infrastructuren (het technisch-formatieve aspect) en beleidspaden (formatieve, juridische, economische, sociale en normatieve aspecten).

Die systemen zijn in die zin open dat het reorganisatiefases betreffen die boven gunstige omstandigheden voor het levende uitsteekt. Ook binnen omstandigheden voor het leven zijn reorganisatiefases, ofwel transities, die nog invloed kunnen hebben op vertragen&verzachten, ofwel meer dan wel minder ongunstige omstandigheden. In de procesfilosofie is ‘werkelijkheid’ een netwerk van ‘actual occasions’ (processen, gebeurens). Elke dynamische situatie bevat gegeven beperkingen (Bedding) en resterende mogelijkheden (Creativity). Zelfs onder extreme overshoot verdwijnt ‘mogelijkheid’ niet, maar ze wordt selectiever, duurder, meer ingeperkt. Er is geen eindpunt maar er zijn steeds fase in een herconfiguratieproces. Zo kunnen we het Antropoceen als tijdperk indelen in sub-tijdperken of fases.

Op deze wijze is de hoofdlijn van de planetaire geschiedenis is als enkelvoudig te duiden: er is een duidelijke massieve richting die de gehele aarde betreft, ruimtelijk en temporeel, in al zijn aspectuele gelaagdheid van numeriek, fysisch, ecotisch en sociotisch, materieel en immaterieel. Echter, op geografisch en temporeel detailniveau is er geen enkelvoudige gelijktijdige richting, maar juist een zeer ongelijke verdeling van instorting. Wat men nu ervaart in de Sahel-landen, zo ervaart men dat in het ‘rijke’ deel van de wereld nog niet. ‘Sahel’ is een ver van ons bed, ‘Oekraïne – Iran – Israel’ leeft onder ons. Maar dat is onze blinde vlek. ‘Sahel’ is nabij in de zin van een voorafschaduwing van wat steeds grotere delen van de wereld te wachten staat. En dat ‘te-wachten-staan’ is stress in al zijn ‘verticale’ gelaagdheid. Van fysisch tot ethisch. Het is stress waarbij we niet kunnen verwachten dat stress in de materiële onderlagen gecompenseerd kan worden door tegengestelde ‘veerkracht’ in de bovenlagen. Stress in de onderlagen gaat gepaard met stress in de bovenlagen in dezelfde richting. Anders heeft natuurcultuurverstrengeling geen betekenis.

Op hoofdlijnen, zo kunnen we zeggen is sprake van een massief instabiliteitsbeeld terwijl er op ruimtelijk-temporeel detailniveau sprake is van juist een gedifferentieerd instabiliteitsbeeld.

Als voorbeeld van het tweede: het waterdomein in Nederland. Dit laat zien hoe overshoot, vertraging, verharding én mogelijke omslag tegelijk in één gelaagd systeem bestaan. We splitsen het in vier lagen: fysisch-fysiek, institutioneel, economisch en dynamisch (procesmatig).

  1. Fysisch-fysieke laag. Nederland zit hydrologisch in een paradox: te veel water en tegelijk te weinig water. Recente waarschuwingen over structurele drinkwatertekorten in de toekomst zijn niet acuut overal, maar wel in scenario’s richting 2030–2050. Ecologische condities verschuiven sneller dan dat het systeem zich aanpast.
  2. Institutionele laag. We hebben robuuste waterinstituties, maar het kernprobleem is fragmentatie plus traagheid. Het systeem is sterk, maar niet snel genoeg voor de huidige dynamiek.
  3. Economische laag. Water is lange tijd bijna gratis behandeld. Industrie, landbouw en particulier zijn geoptimaliseerd op goedkope beschikbaarheid. De infrastructuur is gebouwd op stabiliteit, niet op schaarste. Het systeem is geoptimaliseerd voor een wereld die niet meer bestaat.
  4. Dynamische (kinematische) laag. We zien nu drie gelijktijdige processen: de ecologische druk neemt toe; flexibiliteit neemt af; reactie versnelt, maar laat.

We kunnen drie zones onderscheiden: inertiële zone zoals landbouwstructuren, woningbouwpatronen, bestaande waterinfrastructuur en datacenters; adaptatiezone een  langzaam verschuiven van reactie naar preventie en een stresszone door dynamische veranderingen (lees: verslechteringen). Dit betreft capaciteitsproblemen in droge piekperioden, verzilting in kustgebieden en concurrentie tussen functies. Echte schaarste dwingt verandering af, in een veld van verhardende keuzes zonder overall-oplossingen.

In filosofische procestaal gaat het om een veld van voortdurende actualisaties, die herconfigureert wat water ‘is’ in Nederland. Waterzekerheid wordt waterlogica. Er is een overgang van een stabiel overschot-systeem naar een instabiel schaarste-systeem.

De dynamiek ligt weliswaar nog binnen de menselijke mogelijkheden: er is sprake van geen massief overmachtige problematiek, maar de keuzeruimte krimpt, de kosten van uitstel stijgen en de aanpassing wordt minder vrijwillig en meer gedwongen. Dit is dan een voorbeeld van een gedifferentieerd instabiliteitsbeeld. Water wordt een ruimtelijk sturend criterium in plaats van een randvoorwaarde.

De vraag is hoe snel water een hard randvoorwaarde-systeem wordt in plaats van een flexibele achtergrondfactor. Er zijn nog goede paden en slechte paden te bewandelen. Maar dit zou weleens veel meer landelijke sturing vereisen op het gebied van tegengestelde belangen op de gebieden van ruimtelijke ordening, landbouw, drinkwater (prijs, prioriteit, verdeling, gescheiden infrastructuur van drink- en ander water), economisch (groei)model, ecologisch herstel, bestuur & instituties. Op dit moment missen we delen van de voorwaardelijkheden die nodig zijn voor een adequate aanpak.

We zien hieraan: een wicked-problem in een wereld van bovenrationele megawicked-problems.

*

De in de lagere zijnsaspecten gefundeerde mystiektheorie als nuttige aanvulling op Antropoceentheorie

Hoe we onszelf zien in relatie tot de wereld raakt weliswaar het Antropoceendebat, maar ‘hoe we onszelf zien’, ofwel onze denkbeelden, en hoe we die al dan niet kunnen transformeren, is lang niet het hele verhaal. De Antropocene veranderingen zijn veel dieper ingebed in harde conditionering door de numerieke, fysische, biotische en deels psychische aspecten.

Evenwel, wat betreft die denkbeelden over de ‘plaats van de mens’, kan de theoretische mystiek misschien een bijdrage leveren aan theorievorming omtrent Antropocene kenmerken, ontwikkelingen en dynamiek. Niet ziet als vervanging van wetenschap, maar als een aanvullend denkkader. Veel Antropoceen-theorie koppelt de reële zijnsaspecten in de bovenlaag nog los van de reële zijnsaspecten in de onderlaag. Theoretisch kan dan helpen om modellen te ontwikkelen waarin die onlosmakelijke gelaagdheid juist ten volle wordt meegenomen. Dat betekent dat de fysische en biotische aspecten voor honderd procent en niet halfslachtig moeten meedoen in de ideeën over bijvoorbeeld veerkracht. De onderste aspecten zijn hardgebakken in de evolutie, ze zijn hardgebakken in de natuurkant, ze zijn hardgebakken in onszelf. Het is de basis. Ze kunnen worden gezien als bronoorzakelijkheid of bronvoorwaardelijkheid waarop alle latere gelegenheidsoorzaken, die te relateren zijn aan de hogere cultuurlijke aspecten zich konden voordoen.

Wanneer we enkel of in hoofdzaak gelegenheidsoorzaken zoals denkbeelden omtrent bv. economie willen aanpakken, dan kijken we niet goed genoeg naar de bronvoorwaardelijke oorzakelijkheid die gelegen is in de onderste aspectlagen. Deze zijnsaspecten bepalen ‘de plaats van de mens’ in de evolutieketen die vervolgens via gelegenheidsoorzaken geleid heeft tot een structurele dynamiek van onomkeerbare overshoot. De ‘plaats van de mens’ hoeft dan niet gezien te worden als externe verstorende factor, maar als intrinsiek onderdeel van evolutionaire processen.

Mystiek die concreet en radicaal is gefundeerd in de onderste aspectlagen biedt een ontologie die correspondeert met de procesfilosofie: niet gebaseerd op losse objecten, maar op relaties, processen en eenheid. In klassieke wetenschap wordt bewustzijn vaak buiten beschouwing gelaten. Mystiek plaatst juist ervaring en bewustzijn centraal. Dat opent een ruimere blik op fundamentele vragen: Is het Antropoceen alleen een geologisch tijdperk, of ook een bewustzijnscrisis? In hoeverre beïnvloeden percepties, waarden en collectieve betekenissen de dynamiek van het systeem?

Het affectieve Leven Zelf als ervaring en bewustzijn is ingebed in een evolutionaire ontwikkeling die verliep van primair natuur, naar secundair (er bovenop gekomen) cultuur, die nu niet anders dan gezien kan worden als natuurcultuurverstrengeling. Dit betekent dat ook de mystiek zich niet kan laten loszingen van de primaire basale funderende onderste aspectlagen. Dit raakt aan interdisciplinair werk tussen filosofie, cognitiewetenschap, milieustudies, sociologie, geologie, ontologie. Het raakt aan alles.

Mystiek benadrukt dat taal tekortschiet om de werkelijkheid volledig te beschrijven. Dat lijkt abstract, maar het is juist concreet omdat het de taal van het Leven Zelf is. En het is relevant als aanvulling op bepaald Antropoceen-discours waarbij grafieken, modellen, scenario’s, statistiek, etcetera centraal staan. Dezen suggereren vaak een mate van controle en helderheid die er niet volledig is. Mystiek kan helpen om theoretisch ruimte te maken voor onzekerheid, ambiguïteit en het ‘onzegbare’ in complexe systemen. In plaats van objectiverende systeemtheorie is het de ontische reële subject-object-relatie die hier in meegenomen wordt. Het gaat immers in wezen om affect en betekenis?

Veel Antropoceen-theorie doet alsof ze puur beschrijvend is, maar bevat impliciete waarden, bv. over wat ‘duurzaam’ of ‘goed is. Mystiektheorie zou dit expliciet kunnen maken. Dan worden verborgen waarden blootgelegd. Mystiektheorie moet dus niet onkritisch worden toegepast als zwevend boven de fysisch-biotische zijnsaspecten uit. Het moet er juist specifiek in gefundeerd zijn. De bijdrage van mystiektheorie ligt dan in de ‘meta-theoretische laag’: het herdenken van basisbegrippen (mens, natuur, agency) ; het bevragen van aannames en het openen van nieuwe interpretatiekaders.

Een richting die verwant is aan de mystieke is de fenomenologie van de belichaamde ervaring. De filosofen Maine de Biran en Maurice Merleau-Ponty benadrukken dat we de wereld niet van buitenaf waarnemen, maar er altijd al in verweven zijn. Perceptie is relationeel: lichaam en wereld vormen samen ervaring. Wanneer we het zo benoemen: belichaamde ervaring, dan voelen we direct wel aan dat e.e.a. in de fysisch-biotische lichamelijkheid gefundeerd moet zijn. Ook dit duidt op de directe, non-dualistische concrete ervaring van werkelijkheid, vóór abstracte scheidingen.

De moderne stromingen vormen een soort ‘geseculariseerde mystiek’: ze vertalen oude intuïties over eenheid, verbondenheid, ego-transcendentie en lichamelijkheid naar hedendaagse theorieën over het Antropoceen. De filosofie van Martin Buber geeft een precies relationeel begrippenpaar om op de mystiek en de belichaamde ervaring aan te sluiten. Zijn onderscheid (geen scheiding) tussen ‘Ik–Het’ en ‘Ik–Gij’ kunnen we bijna één op één leggen over de dynamiek van het Antropoceen. In de ‘Ik–Het’relatie verschijnt de wereld als object, als iets dat je kunt meten, gebruiken, beheersen. Het is instrumenteel, analyserend, afstandelijk. In de ‘Ik–Gij’relatie verschijnt werkelijkheid als een innige levende aanwezigheid als dialogische relatie. Het is wederkerige on-middellijkheid, direct. Niet-bemiddeld, niet-onderscheidend, niet-reducerend zoals in de ‘Ik-Het’relatie. Dit zijn geen morele of normatieve connotatie, het is de fundamentele twee wijzen van zijn.

Maar ook hier mag dit niet losgezongen zijn van onze fysich-biotische materiële basis. Het Antropoceen kan weliswaar worden begrepen als een historisch tijdperk waarin de ‘Ik–Het’relatie systemisch is geëscaleerd, terwijl de Ik–Gij-relatie is gemarginaliseerd, maar het doet niets af aan evolutionaire bronoorzakelijke voorwaardelijkheid voor latere gelegenheidsoorzaken waaronder de uit de hand gelopen ‘IK-Het’relatie.

*

Een methodologische insteek omtrent theorievorming en een diagnostisch instrument.

Theorievorming over het Antropoceen wordt al volop ontwikkeld. De uitdaging is, zo lijkt ons, om dit methodologisch scherper en consistenter te maken over disciplines heen. Het vraagt niet alleen om inter- en transdisciplinair, maar ook om reflectie. De bredere existentiële benadering van het Antropoceen is (ook) normatief en politiek geladen. Hoe kunnen we zowel de descriptieve kant als ook de normatieve kant methodologisch expliciet maken, zonder ze stilzwijgend te vermengen?

Het Antropoceen gaat over de koppeling van micro (individueel gedrag), meso (instituties) en macro (planetaire systemen). Methodologisch vertaalt zich dat in gemixte methoden van kwantitatieve en kwalitatieve analyses. Normativiteit moet daar niet in verstopt zitten, maar expliciet worden gemaakt. De reden is: anders kunnen we geen inschatting maken van het realiteitsgehalte ervan. Reflexiviteit is essentieel omdat we zelf ín de dynamiek van het Antropoceen staan. We zijn betrokken en dat heeft betekenis voor onze vooronderstellingen die we al dan niet bewust, al dan niet expliciet, inbrengen in onze concepten en denkbeelden omtrent ontologie, mens- en wereldbeelden. Hoe combineren we dan een robuuste methodologie voor Antropoceen-theorie die dit alles (betrokkenheid, descriptie, normativiteit, ontologische beelden) wel omvat maar toch expliciet in eerste instantie uit elkaar trekt en afzonderlijk benoemt?

Het loopt door elkaar, het is nieuwigheid, het is existentieel. Er liggen wat dat betreft unieke uitdagingen voor verdere ontwikkeling van Antropoceentheorie. We kunnen enerzijds niet wachten op een gefundeerde theorie en we kunnen anderzijds voor de praktische aanpak niet zonder een gefundeerde theorie. Precies ook voor transformatie van inter- en transdisciplinaire routes.

‘Zwevend idealisme’ voorkomen we niet door normativiteit uit te stellen, maar door haar te verankeren en toetsbaar te maken. Normatieve claims moeten dan expliciet gekoppeld worden aan ontologische aannames, empirische bevindingen en concrete handelingscontexten. Normen mogen ambitieus zijn, maar moeten altijd terug te leiden zijn naar hoe de wereld in elkaar zit én hoe interventies daarin daadwerkelijk uitpakken.

De samenhang met vooronderstellende ontologieën, wereld- en mensbeelden is fundamenteel, zo blijkt ook uit de eeuwige discussie tussen team vd Linde en team Lont. Wat als realistisch of haalbaar gezien wordt hangt daar sterk vanaf. Het punt is dan dus niet om die vooronderstellingen te elimineren, dat kan niet, maar om ze zichtbaar en vergelijkbaar te maken.

Een diagnostisch instrument

We kunnen hier de modale aspectenleer van Herman Dooyeweerd, over hoe de werkelijkheid gelaagd in elkaar steekt, als diagnostisch instrument inbrengen. Het is dan namelijk een al expliciet uitgewerkt kader dat expliciet naast andere ontologieën gezet kan worden. Zijn idee van modale aspecten (van het numerieke en fysische tot het sociale, juridische en ethische) biedt precies die gelaagdheid die in het Antropoceen vaak impliciet blijft, maar die nu juist sterk naar voren komt, zoals ook Latour duidelijk maakt met zijn ideëen over natuurcultuurverstrengeling. De aspecten zijn verstrengeld gelaagd. Het helpt om te zien dat één en hetzelfde fenomeen (het Antropoceen), tegelijk numeriek (bevolkingsaantal) fysisch (CO₂), biotisch (verlies) economisch (prikkels), juridisch (rechten/plichten) en ethisch (zorg, verantwoordelijkheid) is. Methodologisch dwingt dat tot aspectuele differentiatie: per laag expliciet bekend maken wat de relevante variabelen, wetmatigheden, structuren, dynamiek, normen en vormen van kennis zijn. Toch is het een abstrahering wanneer het enkel 'per aspect' blijft. De aspecten zijn onlosmakelijk in wisselwerking verbonden in een ontische, holistische totaaldynamiek.

In zijn aspectenleer heeft elk aspectdomein eigen wetmatigheden. Zo kunnen gelaagde wetmatigheden, die in onderling onlosmakelijk verband staan zoals het Antropoceen uitwijst, hun wetmatige positie krijgen binnen het geheel. Zo kunnen ook spanningen tussen de aspecten zichtbaar worden gemaakt. Veel ‘zwevend idealisme’ ontstaat wanneer normen uit één aspect worden verabsoluteerd (reductionisme).

De aspecten kunnen worden verbonden met ruimtelijke en temporele schaalniveaus (lokaal–planetair). Fysische processen spelen vaak op planetaire schaal, terwijl juridische en sociale interventies lokaal/nationaal zijn. Hier kan Dooyeweerd gecombineerd worden met instrumenten uit aardwetenschappen en bijvoorbeeld politieke economie om te zien waar koppelingen breken.

De aspectenleer kan naast andere ontologische kaders gezet worden, bijv. politieke ecologie of postkoloniale analyses. Dat voorkomt dat Dooyeweerd zelf een ongetoetste vooronderstelling wordt. Het kan gebruikt het als vergelijkingsraam: waar legt elk referentiekader accenten, wat blijft onderbelicht?   De aspectenleer kan ons helpen om normativiteit te aarden door haar te spreiden over onderscheiden maar gekoppelde lagen van de werkelijkheid. Methodisch vertaalt zich dat in : aspect-mapping, meervoudige normen, en systematische consistentietoetsen. Dit kan gecombineerd worden met empirische data en scenario’s. Zo kan voorkomen worden dat normen gaan zweven, zonder ze te reduceren tot louter één aspect.

Dit kan bijvoorbeeld vervolgens, als voorbeeld, toegepast worden op het convivialisme (cvv). Het cvv pleit voor een beter samenleven. We kunnen het cvv positioneren t.o.v. Dooyeweerd’s aspectenleer. Cvv formuleert vier kernoriëntaties (gemeenschappelijkheid, conflictbeheersing, individuatie en begrenzing). De vraag is: hoe goed zijn die per aspect verankerd, geoperationaliseerd en consistent met andere aspecten?

Diagnose per (selectie van) aspecten, met behulp van Sjet:

Ethisch/sociaal (zorg, wederkerigheid, pluraliteit). Hier is convivialisme sterk en niet per se naïef. Het bouwt op robuuste inzichten uit sociale wetenschappen over samenwerking en conflict. De normativiteit is expliciet en intersubjectief toetsbaar (praktijken van deliberatie, coöperatie).

Juridisch/politiek (instituties, conflictregulering). Redelijk realistisch zolang het vertaald wordt in concrete institutionele vormen (regels, procedures, handhaving). Zonder die vertaling blijft het snel te algemeen. Hier ligt dus een scharnier: goede uitwerking → realistisch; vage principes → zwevend.

Economisch (begrenzing, matiging, herverdeling). Gemengd. Het principe van “limitation” sluit aan bij biogeofysische grenzen, maar wordt pas realistisch als het wordt gekoppeld aan prikkels, eigendomsregimes en transitiepaden uit politieke economie. Anders blijft het enkel een morele oproep.

Fysisch/biotisch (planetaire grenzen, ecosysteemdynamiek). Hier wint het aan realisme wanneer het expliciet leunt op Aardsysteemwetenschap. Doet het dat niet (of slechts retorisch), dan ontstaat spanning tussen morele doelen en systeemlimieten. Vooral wanneer convivialisme impliciet uitgaat van een te optimistisch mensbeeld (“mensen zullen, mits juist georiënteerd, matiging en samenwerking verkiezen”) zonder voldoende aandacht voor macht, belangen en pad-afhankelijkheid. Kritische kaders uit politieke ecologie laten zien dat conflicten niet alleen moreel maar ook materieel verankerd zijn.

Hoe maken we het methodisch realistischer binnen de aspectenleer?

  1. Aspect-matrix + indicatoren
    Koppel elk principe aan indicatoren per aspect (bijv. ethisch: verdelingsmaatstaven; juridisch: nalevingsgraad; economisch: prijs- en eigendomsstructuren; fysisch: emissietrajecten).
  2. Inter-aspectuele consistentietoets
    Check systematisch of oplossingen in het ene aspect niet botsen met een ander (efficiëntie vs. rechtvaardigheid vs. planetaire limieten).
  3. Mechanismen expliciteren
    Laat zien hoe normen gedrag en uitkomsten veranderen (prikkels, instituties, sociale normen), niet alleen dat ze dat zouden moeten doen.
  4. Scenario’s en haalbaarheid
    Test de principes onder verschillende aannames (technologie, politiek draagvlak, ongelijkheid) om te zien waar ze breken of robuust blijven.
  5. Machts- en verdelingsanalyse
    Specificeer wie wint/verliest; zonder dat blijft “beter samenleven” te abstract.

 Conclusie. Convivialisme is ethisch sterk en richtinggevend, institutioneel en economisch conditioneel realistisch, afhankelijk van de uitwerking. Het is empirisch robuust voor zover het expliciet gekoppeld wordt aan aardsysteemkennis. Met Dooyeweerds gelaagdheid zien we dus geen simpele score, maar een diagnostisch patroon: waar het al goed geaard is en waar verdere operationalisering nodig is om zweven te voorkomen.

Hetzelfde kunnen we doen met het gedachtengoed betreffende de Commons. Het Commons-denken scoort gemiddeld genomen realistischer, maar óók hier zien we variatie per aspect. Met Dooyeweerd’s aspectenleer kunnen we dat diagnosticeren. Een belangrijk verschil met convivialisme is dat commons-denken sterk empirisch is gevoed, door o.a. door Elinor Ostrom. Haar ontwerpprincipes (duidelijke grenzen, monitoring, sancties, conflictresolutie, enz.) maken normativiteit meteen institutioneel en toetsbaar. Dat drukt het risico op zwevend idealisme.

Diagnose per (selectie van) aspecten:

  • Sociaal/ethisch (wederkerigheid, collectieve zorg)
    Sterk en concreet: normen zijn ingebed in praktijken (coöperaties, gebruikersgemeenschappen). Geen puur morele oproep, maar geleefde regels.
  • Juridisch/politiek (regels, eigendom, handhaving)
    Ook sterk, mits goed uitgewerkt. Commons-structuren specificeren wie mag gebruiken, wie beslist en hoe conflicten worden beslecht. Dat maakt de normativiteit procedureel afdwingbaar i.p.v. vrijblijvend.
  • Economisch (allocatie, prikkels, duurzaamheid)
    Relatief realistisch omdat prikkels intern worden georganiseerd (toegang, bijdragen, sancties). Wel gevoelig voor schaal: wat lokaal werkt, schaalt niet automatisch naar grotere systemen zonder aanvullende instituties uit Politieke economie.
  • Fysisch/biotisch (draagkracht, regeneratie)
    Hier kan commons-denken goed aarden als het expliciet rekent met grenzen en feedbacks uit Aardsysteemwetenschap. In succesvolle commons zie je vaak regels die direct op ecologische indicatoren sturen (quota, seizoenen).

 Waar dreigt naïef idealisme?

  1. Opschaling en complexiteit
    Succesvolle lokale commons worden soms te snel geëxtrapoleerd naar nationale of mondiale schaal. Zonder aanvullende lagen (wetgeving, markten, internationale coördinatie) kan dat onderschatting van coördinatieproblemen zijn.
  2. Machtsasymmetrieën
    Commons-verhalen kunnen machtsverschillen en uitsluiting onderschatten. Inzichten uit Politieke ecologie laten zien dat niet elke “gemeenschap” intern gelijk is.
  3. Romantisering van gemeenschap
    Een te rooskleurig mensbeeld (coöperatief zodra je het maar goed organiseert) kan botsen met freerider-problemen en conflicten.

Hoe maken we commons-methodologisch nog ‘realistischer’ met de aspectenleer?

  • Aspect-matrix + indicatoren
    Koppel per aspect concrete grootheden:
    • fysisch: voorraad/aanwas, drempels;
    • economisch: gebruiksrechten, kosten/baten;
    • juridisch: regels, sancties, geschilprocedures;
    • sociaal/ethisch: participatie, vertrouwen, inclusie.
  • Inter-aspectuele consistentie
    Check of regels die economisch efficiënt lijken ook ecologisch houdbaar en juridisch afdwingbaar zijn.
  • Schaal-architectuur (polycentrisch)
    Ontwerp meerdere niveaus (lokaal–regionaal–nationaal) die op elkaar aansluiten—een les die goed past bij zowel commons-praktijk als Aardwetenschappen (verschillende schalen van processen).
  • Mechanismen expliciteren
    Maak duidelijk hoe monitoring, sancties en sociale normen daadwerkelijk gedrag sturen (geen impliciete aannames).
  • Machts- en inclusie-analyse
    Specificeer wie toegang heeft, wie beslist en wie risico’s draagt; voorkom dat “de gemeenschap” een black box blijft.

 Conclusie. Commons-denken is sterk verankerd in sociale, juridische en vaak ook ecologische aspecten, en daardoor doorgaans meer realistisch dan puur normatieve programma’s. De kwetsbaarheden zitten vooral in opschaling, macht en romantisering.

Hetzelfde diagnostisch instrument toegepast op het gedachtengoed van Eileen Crist levert interessante inzichten op daar waar EC vaak expliciet tegen dominante (groei- en technofix-)kaders ingaat. Met Dooyeweerd’s aspectenleer kunnen we vrij scherp zien waar haar normativiteit sterk geaard is en waar het risico op ‘zweven’ toeneemt. De kern van Crist’s positie is: kritiek op antropocentrisme en economisering van natuur; pleidooi voor decentrering van de mens, bescherming van biodiversiteit, en vaak ook degrowth/ontgroei-achtige oriëntaties. Dat vraagt om zorgvuldige verankering per aspect.

Diagnose per (selectie van) aspecten

  1. Fysisch/biotisch (ecologie, biodiversiteit). Hier is Crist doorgaans sterk gegrond. Haar normativiteit leunt expliciet op inzichten uit Aardsysteemwetenschap en biodiversiteitsonderzoek: soortenverlies, habitatfragmentatie, planetaire grenzen. Realistisch gehalte: hoog, mits concrete drempels/indicatoren (beschermde areaal, uitstervingsrisico’s) worden gespecificeerd.
  2. Ethisch (intrinsieke waarde van niet-menselijk leven). Zeer expliciet en consistent: een niet-antropocentrische ethiek. Binnen de aspectenleer is dit een duidelijke normatieve verankering, geen impliciete bias. Niet naïef, maar wél afhankelijk van hoe je de brug slaat naar andere aspecten. Het risico zit in de vertaling, niet in de ethiek zelf.
  3. Sociaal/cultureel (mensbeeld, praktijken). Crist problematiseert het dominante mensbeeld (consumptie, beheersing) en bepleit andere levenswijzen. Gemengd realisme: overtuigend als kritiek, maar kan ondergespecificeerd blijven qua veranderingsmechanismen (hoe verschuiven praktijken concreet?).
  4. Economisch (degrowth, anti-commodificatie). Hier ontstaat vaak de grootste spanning. Het normatieve pleidooi voor begrenzing en het terugdringen van economische expansie is consistent met ecologische grenzen, maar: institutionele paden (werk, inkomens, internationale handel) blijven soms globaal geschetst; prikkels en transitiekosten krijgen niet altijd voldoende uitwerking. Realistisch onder voorwaarden, anders kwetsbaar voor ‘zweven’.
  5. Juridisch/politiek (bescherming, rechten, beleid). Crists werk ondersteunt sterke bescherming van natuur (bijv. uitbreiding van beschermde gebieden). Realistisch wanneer gekoppeld aan concrete instrumenten (wetgeving, handhaving, financiering); kwetsbaar als het bij algemene oproepen blijft.

Waar dreigt naïef idealisme?

  1. Mensbeeld en gedragsverandering. Een impliciete aanname dat normatieve heroriëntatie (meer respect voor niet-menselijk leven) zich relatief direct vertaalt in gedrag en beleid. Zonder uitgewerkte mechanismen (instituties, prikkels) kan dat te optimistisch zijn.
  2. Economische transitiepaden. Degrowth-achtige voorstellen zijn normatief coherent, maar worden snel zwevend als ze niet worden gekoppeld aan concrete verdelingsvraagstukken, arbeidsmarkten en geopolitieke realiteiten uit Politieke economie.
  3. Schaal en implementatie. Sterke ecologische doelen (bijv. grootschalige bescherming) botsen met lokale belangen en mondiale ongelijkheid als de multi-level governance niet wordt uitgewerkt.

 Hoe maak je dit methodisch ‘geaarder’ met de aspectenleer?

  • Aspect-matrix + indicatoren
    • fysisch/biotisch: soortenindexen, beschermd areaal, drempelwaarden;
    • economisch: inkomenseffecten, werkgelegenheidstransities;
    • juridisch: naleving, sancties, rechten van natuur;
    • sociaal: gedragsverandering, participatie.
  • Inter-aspectuele consistentietoets
    Check of ecologische doelen (biotisch) haalbaar zijn gegeven economische en juridische randvoorwaarden, en omgekeerd.
  • Mechanismen expliciteren
    Hoe leiden ethische verschuivingen tot ander gedrag? Via onderwijs, prijsprikkels, verboden, eigendomsregimes?
  • Scenario’s en schaalarchitectuur
    Werk meerdere paden uit (bijv. snelle bescherming vs. gefaseerde transitie) en koppel lokaal–nationaal–globaal.
  • Machts- en verdelingsanalyse
    Wie draagt de kosten van bescherming en ontgroei? Zonder dit blijft het normatief kwetsbaar.

Conclusie

  • Sterk gegrond: fysisch/biotisch + ethisch (duidelijke, empirisch ondersteunde en expliciete normativiteit).
  • Conditioneel realistisch: juridisch/politiek (afhankelijk van institutionele concretisering).
  • Meest kwetsbaar: economisch en sociaal (waar implementatie, prikkels en gedragsmechanismen vaak nadere uitwerking vragen).

Met D’s gelaagdheid zien we dus geen simpele score, maar een asymmetrisch profiel: Crist’s denken is diep verankerd in ecologische realiteit en morele helderheid, maar moet — wil het niet als naïef weggezet worden — systematisch worden doorvertaald naar economische en institutionele mechanismen.

Zo zijn er misschien wel meer diagnostische instrumenten te bedenken naast die van Dooyeweerd. Als onderdeel van verdere Antropocene theorievorming.