Antithetische problematiek rond systeemdenken en convivialisme, uitgaande van de procesfilosofie

Systeemdenken beweert: de toekomst is open. Dit moet volgens ons op 2 nivo’s worden gezien. Op het nivo van Creatieve Zelforganisatie is deze per definitie open. Op het nivo van de organismen niet persé: het hangt er maar vanaf. Juist nu wanneer de Antropocene kenmerken, de dynamiek en de bronoorzakelijkheid verloopt zoals die verloopt, is die openheid afhankelijk-van. En we zien een dynamiek van massieve snel verhardende conditionering, hetgeen hetzelfde betekent als rap afnemende openheid op organismenivo. Ook een Antropoceentheorie zou kunnen uitwijzen dat die openheid nu massief in de richting gaat van afgesloten trajecten onder verhardende conditionering. Massief betekent: over het gehele spectrum van de ‘verticaal’ gelaagde en ‘horizontaal’ dynamische werkelijkheid in een eenduidige richting op hoofdlijnen. Er is weliswaar slingerdynamiek op detailnivo, maar die wordt en zal steeds worden overruled door de stellige dynamiek die gaande is. Dit betekent in termen van Affectieve Betekenis dat het onheil in de fysisch-biotisch-ecotische sferen niet gecompenseerd kan worden voor ‘veerkrachtheil’ in de sociotische sferen. De dynamiek gaat, in de termen van complexe systeemtheorie, in dezelfde richting. Sterker nog: systeemtheorie loopt nog steeds het risico er een dualistisch getinte zaak van te maken door te spreken van systemen (meervoud).

De procesfilosofie van Whitehead heeft dat overwonnen en overkoepeld. Het Ene is holistisch en toont zich als het vele. Het toont zich als het vele, maar de primordiale wetmatigheden maken dat onderscheid helemaal niet. En toch gaan volgelingen er weer enigszins dualistisch mee aan de haal door het wel als min of meer afzonderlijke systemen te benoemen en als zodanig gescheiden te onderzoeken. Op basis daarvan zeggen zij: we weten niet precies hoe dat in de sociale systemen zal verlopen – met vaak daar achteraan: dat moet eerst nog verder worden onderzocht. Ons team meent dat anders te mogen zien, ook aan de hand van de rijk gelaagde kennisvormen, breder dan enkel (systeem)wetenschap: op hoofdlijnen weten we welke kant het aan het opgaan is. (met de nadruk op is – dit betekent: het is minder hypothetisch en minder speculatief dan hier en daar gedacht wordt: we kennen het gaande zintuigelijk-empirisch en via de systeemwetenschappen. We moeten daarvan de ‘harde’ kenmerken en de onderlinge dynamiek goed in het oog krijgen. Dit is: we moeten de logica ervan in het oog zien te krijgen. En dat gaat naar onze mening én via de (systeem)wetenschappelijke lijn van het analytische aspect én via alle andere kennisvormen, die mogelijk via de filosofische lijn (die gefundeerd moet zijn in affectieve ervaringswerkelijkheid) naar boven kan worden gebracht.

Nogmaals, wat betreft convivialisme: team Lont is daar uiterst sceptisch over. Het moet daar sceptisch tegenover staan vanuit haar perspectief gezien. Het volgt in de volgende paragrafen, waartoe eerst nog wat inleiding nodig is, via procesfilosofie en systeemdenken (die wel aan elkaar verwant zijn, maar niet op één lijn kunnen worden geschakeld naar onze mening, hetgeen met name betrekking heeft op 'openheid', 'onzekerheid', 'voorspelbaarheid').

*

De procesfilosofie biedt een bruikbaar kader om de dynamiek van het huidige Antropoceen te begrijpen. Het centrale idee is dat werkelijkheid niet bestaat uit stabiele ‘dingen’, maar uit voortdurende processen, relaties en transformaties. Dat verandert hoe we kijken naar klimaatverandering, ecologische instorting, technologie en menselijke macht.

Alles ontstaat voortdurend in interactie. Bossen, oceanen, economieën, steden, technologieën en mensen zijn geen losse objecten, maar knooppunten van evolutionaire processen. Wat nu gaande is, is een verstoring van planetaire relatieprocessen. Klimaatverandering is een kettingreactie van gekoppelde processen: energiegebruik, kapitalistische versnelling, logistieke netwerken, landbouw, extractie, atmosferische feedback, migratie, psychologische reacties, politieke instabiliteit. Procesdenken maakt kenbaar wat het Antropoceen zichtbaar maakt.

De mens is hierin ingebed. Hij bewoont de wereld, in een web van wederzijdse beïnvloeding. Het is een wereld en een werkelijkheid die Fndmnt heeft. Dit Fndmnt is al in miljoenen jaren gelegd. Fndmnt is waarschijnlijk niet geheel te kennen: het gaat namelijk aan ons kennen vooraf. Het lijkt Godt wel. Sterker: het is Godt: het is de Beddingsfunctie van Zelforganisatie.

De mens zelf wordt gedragen door Fndmnt, dat door en in evolutionaire fysisch-biotische aspecten is gelegd. De mens is als mede-voertuig van evolutie wel in staat om zijn Fndmnt verder aan te tasten, zo blijkt. Maar er moet nu dringend naar onderliggende redenen en logica van evolutionaire wetmatigheden worden gezocht waarom zhij, deze diersoort, niet in staat is om Fndmt te herstellen. Is het dat zhij daar niet bij kan omdat het zowel ‘horizontaal’ al in het verleden ligt als ook in de actualiteit de verticaal gelaagde werkelijkheid draagt? Betekent dit dan tegelijk ook dat bronoorzakelijkheid zowel al in het verleden ligt, als de actualele dynamiek stuurt? En dat daarmee het kernkantelpunt eveneens al in het verleden kan worden gezien? Ons team vooronderstelt dat. Het is - meer dan een hypothese -, haar (religieus – in brede zin) uitgangspunt. Precies omdat dat (slechts) de  stevige, hardnekkige, onomkeerbare aard van de gaande dynamiek verklaart.

De systeemwetenschappen denken in termen van kantelpunten, maar het meest wezenlijke kantelpunt, dat volgens ons dus al in het verleden ligt, wordt naar de mening van ons team over het hoofd gezien. Dat is naar onze mening van belang omdat het Antropoceen dubbelzinnig is: enerzijds lijken mensen een geologische kracht te zijn geworden (hetgeen lijkt te duiden op  macht&kracht van deze diersoort), terwijl we anderzijds juist niet de macht&kracht bezitten om Fndmt te herstellen. Met andere woorden: we doen aan symptoombestrijding. Dat betekent in de praktijk misschien wel hetzelfde als vertragen&verzachten.

Dit is van betekenis voor de kijk op convivialisme en dergelijke idealistische bewegingen. We vertoeven in een dynamiek van spanningsopbouw en de betekenis van spanningsopbouw, - die over de volle breedte van de gelaagde werkelijkheid moet worden gezien - , is (nu eenmaal):  weg van convivialistische mogelijkheden.

*

Procesdenken benadrukt duur, wording en temporaliteit. In het Antropoceen vallen verschillende tijdssnelheden samen door op elkaar te botsen: menselijke politieke cycli (4 jaar), economische snelheid (milliseconden), ecologische regeneratie (decennia/eeuwen), geologische verandering (millennia). We leven technologisch razendsnel, terwijl ecologische systemen traag reageren. Tot ze plots kantelen. Verandering wordt accumulatief opgebouwd. De evolutionaire verandering is volgens ons al zodanig (in het verleden met doorzetting in het heden) opgebouwd dat wij beweren dat hierdoor, zoals gezegd, het kernkantelpunt al in het verleden ligt. Evolutionaire (groei)wetmatigheden verliepen sinds de DeepHistory via het mensdier, die ons bekende rechtopganger, als voertuig. Ook op planetair nivo moet dat al lang gaande zijn – al veel langer dan toen het zich halverwege de vorige eeuw toonde.

Bij Whitehead is werkelijkheid fundamenteel creatief: de toekomst ligt nooit volledig vast. En toch wordt er nu, meer en ‘duizenden malen’ sneller dan in het Holoceen, een Antropoceen pad bewandeld langs snel en sterk veranderend (lees: verslechterend) Fndmt en Bedding - waar al het gebeurende zich in de basis fundamenteel aan heeft te houden. Radicale transformatie is mogelijk, maar endogeen (door de mens) zeer beperkt (tot niet (wat het benodigde 'radicaal' betreft - als we de realiteit tot nu toe mogen geloven, en laten we dat maar doen) en exogeen (de mens te boven gaand) onontkoombaar als Zelforganisatie die nu niet anders kan dan zichzelf in stand houden via dynamisch veranderend Fndmt ofwel Bedding. Zelforganisatie is dus per definitie open, terwijl dat op organismenivo niet persé zo hoeft te zijn. Dit betekent dat instorting nooit op het nivo van Zelforganisatie kan plaatsvinden, maar wel op organismenivo.

Dit impliceert volgens ons dat uitspraken over ‘openheid' (van toekomst) en ‘onvoorspelbaarheid’ en ‘onzekerheid op twee nivo’s, of vanuit twee perspectieven moet worden gezien. Dit is van betekenis voor relationele ecologie, systeemdenken, posthumanisme, Gaia-theorie. En ook convivialisme.

Kunnen we het dan zo zien dat de overmacht ligt bij evolutionaire processen, waaraan de organismen onderhevig zijn? Ja, volgens ons wel, maar procesfilosofisch betekent dat niet hetzelfde als determinisme, let wel: op het nivo van Zelforganisatie. Op dat nivo heerst per definitie geen determinisme. Dat wordt vaak over het hoofd gezien als er een beroep wordt gedaan op de procesfilosofie (door de systeemwetenschappen). Men denkt dan abusievelijk dat de gebonden openheid die Zelforganisatie kenmerkt, precies op dezelfde manier kan worden gezien voor het mensdier. Het mensdier heeft toch intelligentie? Het heeft toch herstelvermogen? Dat idee kunnen wij pertinent niet onderschrijven. Wij kunnen onderschrijven: bijsturingsvermogen in de zin van vertragen&verzachten. Dat is nu volgens ons team de betekenis van 'openheid' op het nivo het mensdier.

Organismen participeren weliswaar zelf actief in Zelforganisatie, als organisch voertuig ervan, - ze beïnvloeden Bedding en daarmee Creativity die het met die Bedding moet doen - , maar ze zijn er wel degelijk aan onderhevig en de mens is een organisme die - zoals we inmiddels toch wel beseffen - niet uitsteekt boven de andere diersoorten. Ondanks dat de mens wordt gekenmerkt door een bepaalde vorm van intelligentie, is dat niet die intelligentie die nu Fndmt en Bedding weer kan opbouwen, precies omdat ook deze intelligentie als evolutionaire niche-vorm nu juist gefundeerd is in Fndmt en Bedding. (misschien moeten we ook schrijven Bdng: we kennen het niet volledig, het is (deels) voorbij onze ervaringshorizon als datgene wat ook onze ervaringshorizon draagt. Het is een functie van Godt, een functie van Tao)

*

Evolutie is een veld van krachten. Het is vanuit procesdenken geen lineair programma met een einddoel, maar een open, contingente, relationele dynamiek. Organismen ontstaan en vergaan binnen krachtenvelden van mutatie, selectie, symbiose, klimaat, competitie, samenwerking, technologie, toevalligheid. Procesfilosofie radicaliseert de inzichten van Darwin door te zeggen dat niet alleen soorten evolueren, maar dat relaties voortdurend evoluerend veranderenDit overkoepelt het organische en het anorganische: alles evolueert organisch. Dat is ook de betekenis van de organismefilosofie van Whitehead – die dus niet moet worden gezien als de filosofie van de organismen. Hij maakt hiermee ‘Darwin’ veel holistischer. De evolutie verloopt via doorgeving, met een fysische en een mentale pool, op alle gelaagde nivo’s van werkelijkheid, ook de anorganische, die zich realiseert en manifesteert uit het veld van mogelijkheden als energetisch werkende Wording.

Het Antropoceen laat onze ingebedheid zien. Het openbaart onze bedding, ofwel ons Fndmt. Dit geeft een beeld van waar de evolutionaire kwetsbaarheid, de ecologisch inbedding en de afhankelijk van complexe systemen ligt. De evolutie verandert blind deze relaties met nu de mens als voertuig. Het is blind en wordt toch gekenmerkt door richting. De overmacht ligt daardoor bij de evolutionaire processen die veel groter zijn dan individuele intenties van welk organisme dan ook. Dit betekent ook: het intentionele van de mens is ingebed (gefundeerd) in pré-intentionaliteit die aan de mens vooraf gaat.

Creativity ligt dus op het diepste primordiale nivo van Zelforganisatie en alle creativiteit van de organismen is daarin gefundeerd. Dit geeft een beeld van overmacht en onderhevig zijn aan overmacht. We (incl. de procesfilo en de systeemtheo) wijzen het woord determinisme af, en dat is terecht. Maar wat daar voor in plaats komt is ‘verhardende conditionering op het biotische organismenivo’. We moeten naar onze mening echter wel twee nivos van Creativity in het oog houden, zoals gezegd: Creativity (vrijheid in gebondenheid) van Zelforganisatie en creativiteit (idem) op organismenivo. De dynamiek gaat massief, in de volle ‘verticaal’ gelaagde en ‘horizontaal’ evolutionaire werkelijkheid, nu in de richting van verhardende conditionering. Het kan volgens onze mening niet zo zijn dat ‘iets in de werkelijkheid’, zeg maar de ‘hogere aspecten’ daarvan uitgezonderd kunnen worden gedacht als hebbende een mogelijke tegenovergestelde richting. Dat is ook niet wat de reële ontwikkelingen ons toont. Nogmaals, dit alles is onze kritiek op het naar onze mening ‘losgezongen zwevende’ convivialisme.

*

Het mensdier kanaliseert als evolutionair voertuig nu de Antropocene Bedding in een richting van verhardende conditionering, als machtsfactor. Waardoor planetaire processen zich nu versnellen in structurele planetaire overshoot. Dat levert een diepe paradox op: hoe machtiger de mens werd, hoe duidelijker bleek dat hij niet boven de processen staat die hij activeert. Dus menselijke dominantie slaat om in afhankelijkheid van systeemdynamieken. Wij zijn niet buiten de evolutie geplaatst; wij zijn manieren waarop evolutionaire processen zich tijdelijk bewust worden van zichzelf. Maar dan slechts ten dele, want aan ons bewustzijn, aan ons denken, aan onze intentionaliteit gaat Fndmt vooraf, waarin onze ervaringshorizon gegrond is. De ‘hogere’ menselijke functies zijn ingebed in de primordialiteit van geaarde Zelforganisatie. We kunnen daardoor de processen min of meer kennen, zijnde binnen onze ervaringshorizon, maar de onderliggende primordialiteit slechts ten dele. Onze kennis komt er uit voort, en onze typsich menselijke cognitieve kennis is pas laat, zeer laat: op de valreep, ontstaan. We kunnen het primordiale, waar wij inwoner ofwel onderhuurder van zijn, benoemen. We kunnen het kennen via niet-mensenwoorden, het gaat aan de mensenwoorden vooraf, als openbarende (zelf)ervaring. De woorden en beelden zijn (dan dus) metaforisch: Creativity, Bedding, Fundament, Godt, Tao.

We kunnen dus de mens zien als een voertuig van evolutionaire krachten van Zelforganisatie. Ook ‘voertuig’ is een metafoor, en die moeten we niet mechanistisch opvatten. De mens is een tijdelijk medium van tijdlijkheid (temporaliteit als structuur van was-is-wordt, ofwel van verleden-heden-toekomst) waardoor evolutionaire, ecologische, culturele en technologische processen zich uitdrukken en transformeren. Dat idee heeft dan wel diepe filosofische consequenties, ook precies weer op de begrippen ‘openheid', ‘onzekerheid’ en ‘onvoorspelbaarheid’.

In een klassiek humanistisch wereldbeeld (humanistisch in de filosofische betekenis waarbij ingebedde en afhankelijke relationaliteit van Godt als afgeschaft wordt  gedacht) staat de mens centraal (merk op: antropocentrisch humanisme). Hij handelt autonoom en bepaalt de geschiedenis. Relationeel procesdenken verschuift dat beeld: de mens ‘bezit’ niet simpelweg zijn handelen, hij staat niet op zichzelf. Hij ontstaat uit een temporele afhankelijkheidsrelatie waarvan Bedding (als het cumulatief opgebouwde gerealiseerde dat fundamenteel meedoet in de actuele scheppingsrealisatie) ook kan worden benoemd als fysisch-biotische evolutie, taal, cultuur, techniek, ecologie, geschiedenis, ofwel fundamentele natuurcultuurverstrengeling. Ons denken zelf is dus mede gevormd door - en staat in - grotere dynamieken. De mens is zo als organisch voertuig van evoluerende Zelforganisatie een kruispunt van krachten, stromen en relaties.

In de Affectieve Betekenistaal van Martin Buber worden deze relaties onderscheiden (niet gescheiden) naar ‘Ik-Gij’- en ‘Ik-Het’. De ‘Ik-Gij’-relatie is anti-humanistisch (in zijn filosofische betekenis). Het is een dialogisch-affectieve afhankelijkheidsrelatie van Godt of Oorsprong, die ook kan worden benoemd als ‘het Leven Zelf’. Hieraan is principieel (= in den Beginne: in beginsel) een innerlijk affectief spreken gekoppeld (Woord, Logos). Het is zelfgenererende Zelfopenbaring. Waarvan we (dus) kennis (kunnen) hebben. Het spreekt van zichzelf als lijden en genieten, als heil en onheil.

Verandert dan die kennis iets aan de Antropocene ontwikkelingen? Mogelijk ten dele. Het kan bewustwording met zich meebrengen van onze afhankelijkheid van Bedding, terwijl de mens als organische voertuig tegelijk gekenmerkt wordt door kunstmatigheid-van-nature die nu eenmaal een basisdissipativiteit met zich meebrengt waaraan we niet kunnen ontsnappen. We kunnen ontsnappen aan overdissipatie, ofwel overconsumptie, beter uitgedrukt: zouden kunnen. Maar ook daar moesten we maar niet een al te hoge pet van opzetten als we de ontwikkelingen volgen en beseffen wat de mens nog meer is dan dissipatief.

Het aantal van teveel miljarden basisdissipativelingen (t.o.v. de aardecapaciteit) heeft de structurele overshoot versneld en versterkt. En de planetaire grenzen zelf, ofwel de ondersteuning die de aarde kan bieden, verslechtert tegelijk daardoor. De druk komt dus van twee kanten en is dermate structureel dan we er naar onze mening niet aan kunnen ontkomen om het kernkantelpunt al in het verleden te zien. Er is een station (of eerder een DeepHistory-tijdperk) gepasseerd al voordat het Antropoceen zichtbaar werd. Deterministisch? Niet op het nivo waarop van determinisme nooit sprake kan zijn. Niets meer aan te doen? Jawelzeker: op alle mogelijke manieren proberen te vertragen&verzachten.

*

Evolutie ‘gebruikt’ organismen niet bewust. Evolutionaire processen hebben geen intentie of plan en toch is er een trek te bespeuren. Evolutie wil niets, natuur stuurt niet doelgericht, het Antropoceen is geen bewust project van de biosfeer. Wanneer we zeggen dat mensen voertuigen zijn van evolutionaire krachten, bedoelen we eerder dat evolutionaire dynamieken zich via organismen ontvouwen en dat organismen tijdelijke vormen zijn waarin grotere processen opereren. Cultuur is gewoon een voortzettingsvorm van evolutie. Taal, economie, technologie en AI kunnen worden gezien als emergente verlengingen van evolutionaire processen. Het mensdier produceert systemen die sneller muteren dan biotische processen. Ze creëren nieuwe selectiedruk, die nieuwe omgevingen vormen.

Het mensdier is daardoor tegelijk product van evolutie, én katalysator van nieuwe evolutionaire dynamieken. Toch, zoals gezegd, evolutionaire processen werken blind terwijl er tegelijk wel degelijk een trek is naar samenhang van nieuwe orde. Zelforganisatie, zo zouden we kunnen zeggen, streeft via blinde evolutie steeds naar herstel van evenwicht. De mentale pool via welke de reeks van gebeurens plaatsvind, zouden we kunnen benoemen als blinde intelligentie. Er is  meta-fysische energetische informatie-overdracht, zoals fysisch te herkennen aan zwaartekracht, en windkracht. Ook aan de hand van windkracht kunnen we metafysisch-metaforisch spreken in termen van evenwichtsstreven via hoge- en lagedrukgebieden. Het evenwicht wordt of nooit bereikt, of slechts even en daarna weer verstoord. Dit brengt verandering, Werking, Wording, overgankelijkheid fundamenteel met zich mee en het is allemaal energetisch. D.w.z. we moesten 'zwevende spiritualiteit' maar sceptisch beschouwen  Indien niet energetisch, dan zou de dynamiek tot stilstand komen en dat zou alleen kunnen als er geen werkende Wording is. Geen werkende Wording is een contradictio in terminus. Energie is energie omdat het energie is en dus Wording als oneindige eeuwige reeks van gebeurtenissen.

*

Het Antropoceen is nu een explosie van feedbacklussen. Het is een tijdperkfase waarin evolutionaire en technologische feedbacklussen de planetaire schaal bereiken. Dat verklaart waarom zoveel processen nu versnellen, instabiel worden, en door het mensdier niet bestuurd worden. Het mensdier zou positieve invloed kunnen uitvoeren, maar de nadruk moet, - gezien de reële ontwikkelingen - , kennelijk op 'zou' gelegd worden. Dat is te zeggen: per saldo heeft het mensdier nog steeds een verslechterende invloed, ondanks dat er ook positieve invloed is.

Er ontstaan dus logischerwijs spanningen, die zich tonen als klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies, psychologische overbelasting en politieke fragmentatie. De mens is niet slechts een passief vehikel zoals een auto bestuurd wordt, d.w.z. dit dier heeft invloed, ook enige lokale herstelinvloed, maar het draait om het saldo van invloed. Mensen zouden processen kunnen vertragen, en ook nu weer: dat doen ze ook. Het mensdier is en blijft echter een tijdelijke (zoals we het woord kennen) tijdlijke (in de zin van overgang van moment naar moment) expressie van planetaire processen. Dit roept vragen op omtrent verantwoordelijkheid: we zijn ons de processen bewust en kunnen er op reageren. En toch gebeurt dat in een gaande dynamiek van sterke en snelle verhardende conditionering, op geologische tijdschalen gezien. Het is een voortdurende verschuiving en wat een jaar geleden nog mogelijk was, is dat nu al niet meer. (hetgeen misschien ook invloed heeft op ons paper)

Het is nu niet bepaalt zichtbaar dat de mens die verantwoordelijkheid voldoende oppakt. Is dat dan een falen van de mens of is er fundamenteel iets anders aan de hand? Is de idioterij van overconsumptie een falen? Of is het kennelijk niet kunnen indammen daarvan dat? Het zou zo makkelijk kunnen, bv. via financiële prikkels - maar wat is er feitelijk aan de hand waardoor dat toch niet of onvoldoende gebeurt? Hoe kunnen we dat duiden in termen van fundamentele evolutionaire procesuele krachten en tegenkrachten? In ieder geval moesten we dit maar all-inclusive bekijken, d.w.z. het zou niet zo moeten zijn maar het is wel zo - en ook die feitelijkheid geeft kennis: in de vorm van tegenstrijdigheden, dilemma's, spagaten - die naar onze mening dieper moeten worden gezien dan over het algemeen gedacht.

Er bestaan weliswaar veel initiatieven, wetenschappelijke samenwerking en ecologische bewegingen, maar op systeemnivo is de mensheid als geheel (nog) niet in staat om adequaat te reageren op de dynamiek van het Antropoceen plus het beeld verslechterd. Dit duidt op een ontisch probleem wat ontologisch geduid zal moeten worden. Zelfs wanneer mensen rationeel begrijpen dat ecologische grenzen worden overschreden, blijven de grotere processen doordraaien. Bruno Latour zegt dat de moderniteit systemen heeft gebouwd die losgezongen raken van de ecologische condities waarop ze rusten. Maar dat zou suggereren dat de oorzaak in de moderniteit zou moeten worden gezocht. Ligt er niet al Zelforganiserende evolutie ten grondslag aan het kunnen ontstaan van moderniteit? M.a.w. ligt er niet al bronoorzakelijkheid ten grondslag aan het kunnen ontstaan van gelegenheidsoorzaken?

In het Antropoceen zijn causaliteiten verspreid. Wie veroorzaakt klimaatverandering precies? de consument?  oliemaatschappij? koloniale geschiedenis? financiële systemen? logistieke netwerken? politieke inertie? We zouden kunnen zeggen: allemaal tegelijk. Maar dan volgens ons gezien als gelegenheidsoorzaken die fungeren als organische voertuigen van evolutionaire wetmatigheden. Het cultuurlijke moet niet tegenover het natuurlijke worden gezien, het is gewoon een vervolg ervan. Met alle tegenstrijdigheid erop en eraan.

*

De mens is in zichzelf en als samenleving intern verdeeld. Er bestaan concurrerende processen binnen menselijke samenlevingen: kapitalistische versnelling, ecologische zorg, nationalisme, technologische utopieën, extractieve industrie, lokale gemeenschappen, geopolitieke rivaliteit. Daardoor reageert de mensheid niet als één organisme met één wil. Het mensdier kan daardoor zijn eigen systeemdynamiek niet coherent te sturen.

Via de mensheid als voertuig heeft zich technologische macht ontwikkeld die sneller gaat dan de planeet kan regenereren. Het kernprobleem ligt dan ook niet bij het denken. Een ander denken kan ons niet uit de shit helpen. Het kernprobleem ligt al veel dieper, in evolutionaire processen die zich de laatste miljoenen jaren hebben voltrokken. Een ander wereldbeeld alleen zal niet voldoende zijn, omdat denken zelf voortkomt uit diepere evolutionaire, affectieve en materiële processen. Ons denken is een uitdrukking van evolutionaire dynamieken die gericht waren op overleving, expansie, competitie, energieverwerving en reproductie. De mensdierlijke soort draagt evolutionaire tendensen in zich die op planetaire schaal destabiliserend worden.

De menselijke geest is niet ontworpen voor planetaire tijdschalen, complexe systeemdynamiek, langetermijnfeedback of abstracte collectieve verantwoordelijkheid. Dat betekent dat veel destructieve patronen niet zomaar ideologisch zijn, maar diep fysisch-biotisch zijn ingebed. De technologie heeft evolutionaire impulsen versterkt. Het Antropoceen ontstaat dan (dus) niet omdat mensen ‘slecht denken en dito handelen’, maar omdat primordiale evolutionaire drijfveren gekoppeld zijn geraakt aan extreem krachtige technologische systemen. Nu hebben die evolutionaire impulsen planetaire schaal gekregen.

Menselijke vermogens hebben zich asymmetrisch geëvolueerd zijn. Onze capaciteit om krachten te mobiliseren groeide sneller dan onze capaciteit om relationele gevolgen te verwerken. Dat verklaart waarom zeer intelligente beschavingen toch zelfdestructieve dynamieken kunnen ontwikkelen. Bewustzijn garandeert geen zelfbeheersing.

Evolutionaire en procesmatige perspectieven suggereren dat kennis alleen de systemen niet automatisch doet veranderen. De typisch menselijke vorm van bewustzijn is onderhevig aan ingebedde evolutionaire infrastructuren, verlangens en machtsdynamieken. Evolutie blijft weliswaar open naar de toekomst toe, maar of dat nu in Antropocene tijden al dan niet als noodlottig moet worden gezien, vereist twee perspectieven. Op het nivo van Zelforganisatie blijft het fundamenteel open, op het nivo van de organismen is er sprake van verhardende conditionering. D.w.z. de openheid wordt gestuurd in een nauwere marge van mogelijkheden, hetgeen steeds minder niet-noodlottigheid betekent.

*

Terugkomend op convivialisme: mogen we dan daarover sceptisch zijn? Vanuit dit perspectief gezien wel. En ook is deze scepsis dan (vanuit dit perspectief dat team Lont aanhangt)  zelfs noodzakelijk. Niet omdat convivialisme (cvv) waardeloos zou zijn, maar omdat het mogelijk de diepte van evolutionaire en systeemdynamische krachten onderschat en te veel vertrouwt op normatieve heroriëntatie. Het cvv neemt impliciet aan dat mensen collectief rationeler kunnen worden zodra de juiste waarden worden geformuleerd. Vanuit procesfilosofie én evolutionair denken is dat een grote aanname.

Convivialisme probeert grofweg een middenweg te vinden tussen destructief individualisme, neoliberale competitie, technocratie en autoritaire collectivismen. Het benadrukt samenwerking, begrensde competitie, wederzijdse afhankelijkheid, ecologische verantwoordelijkheid en menselijke waardigheid. Daar zit veel waarde in. Echter, zijn zulke normatieve projecten sterk genoeg tegenover de evolutionaire, economische en technologische processen die het Antropoceen aandrijven?

Procesmatig gezien zijn waarden niet autonoom. Ze ontstaan niet in een vacuüm. Mensen veranderen hun waarden over het algemeen niet puur door argumenten, maar door materiële omstandigheden, energie-infrastructuren, sociale organisatie, ecologische druk, affectieve dynamiek en machtsstructuren. Dus zelfs als convivialisme moreel aantrekkelijk is, kan het botsen op diep ingebedde processen van consumptielogica, statuscompetitie, geopolitieke rivaliteit, technologische versnelling, kapitaalaccumulatie. Ze zijn ingebed in primordiaal Fndmt. Dat maakt implementatie extreem moeilijk.

Cvv loopt in onze ogen het risico een vorm van naïef ethisch idealisme te zijn. Het veronderstelt dat bewustwording en normatieve consensus voldoende hefboomkracht hebben om systeemdynamieken te heroriënteren. Vanuit evolutionair perspectief verschijnt er een enorme moeilijkheid. Convivialisme appelleert aan samenwerking, wederkerigheid en zorg. Maar menselijke evolutie bevat óók rivaliteit, dominantie, territoriale reflexen, groepsconflicten en accumulatiedrang. Technologie vergroot die dynamieken enorm, terwijl de dynamiek zorgt voor spanningsopbouw. Wij kunnen ons niet voorstellen dat juist die spanningsopbouw zou kunnen zorgen voor positieve sociale kantelpunten. Integendeel, het lijkt ons niet meer dan logisch dat de combinatie van dynamiek en spanningsopbouw nu juist leidt tot rivaliteit, dominantie, territoriale reflexen, groepsconflicten en accumulatiedrang. Dat is ook precies wat we zien gebeuren.

Dit wil niet zeggen dat convivialisme nutteloos is. Normatieve projecten zijn óók processen. Ccv-ideeën kunnen wel invloed hebben, maar het gaat om de gaande machts&krachtsverhoudingen. Ook ccv zou naar onze mening er goed aan doen om haar inzet te zien in het licht van vertragen&verzachten. Ccv zou zo een positieve bijdrage kunnen leveren.