Kennisvelden – taalvelden
(1) een oriëntatie
(2) ervaring en bewustzijn
(3) toewerking naar trandisciplinair
(4) transdisciplinair en menselijke expressie
(5) de combinatie van transdisciplinair, gelaagde kennis en uitdrukkingsvormen
(6) de blik gericht op Haybourn2023
(7) van systeemtaal naar de taal van het Leven Zelf
(8) verandering van denkbeelden omtrent stabiliteit - instabiliteit
(9) het Antropoceen scherp gepositioneerd tegenover het Holoceen
(10); slot
*
Kennisvelden – taalvelden (1); een oriëntatie
De mens wordt gekenmerkt door meerdere kennisvormen. Kennisvormen overlappen elkaar en vullen elkaar aan. Ze zijn wel te onderscheiden, maar niet te scheiden. Kennisvormen worden uitgedrukt en zo kunnen we spreken van verschillende, ook weer overlappende taalvelden. Wanneer we de blik richten op het Antropoceen, dan doen alle kennisvormen daarin mee. In Antropoceendebat en -communicatie is blijft het vaak impliciet, terwijl het naar onze mening goed is om dit expliciet te maken, i.v.m. het ontwarren van communicatieve verwarring.
We hebben:
- Instinctmatige kennis met aangeboren gedrags- en overlevingskennis. Deze kennis is biologisch ingebouwd. Het reageert automatisch en niet of nauwelijks onbewust. De kennis is on-middellijk.
- Intuïtieve kennis als direct weten zonder expliciete redenering. Deze kennis is zeer snel in patroonherkenning, met onderbewuste verwerking. Het is gevoelsmatig. Er is ook zoiets als expertise-intuïtie, waarbij de kennis eerder is opgebouwd via middelijke, andere kennisvormen.
- Empirische kennis is kennis uit ervaring en waarneming. Het is zintuiglijk, toetsbaar en observationeel. Empirie vormt de basis van wetenschap, experiment en techniek.
- Praktische kennis: ‘weten hoe in plaats van ‘weten dat’. Het is handelingsgericht en vaak moeilijk volledig onder woorden te brengen. We fietsen, spelen piano of timmeren. Het is impliciete kennis.
- Theoretische of conceptuele kennis: abstract begrip van principes, modellen en ideeën. Dit betreft analyse, classificatie en verklaring. Het is een ‘mixed-media’ kennis: alle kennisvormen doen hier in mee.
- Wetenschappelijke kennis: systematisch getoetste kennis. Dit heeft betrekking op: reproduceerbaar, falsifieerbaar, methodisch en kritisch. Het bestaat uit hypothesen, modellen, peer review. Wetenschappelijke kennis is nooit absoluut definitief; zij blijft corrigeerbaar.
- Logische of rationele kennis: kennis verkregen door redenering: deductie, inductie, consistentie en argumentatie.
- Emotionele kennis: kennis via gevoelstoestanden: affectief, relationeel en lichamelijk.
- Sociale kennis: kennis die ontstaat tussen mensen: sociale normen, omgangsvormen, groepsdynamiek en machtssystemen.
- Culturele kennis: kennis die door een samenleving wordt overgedragen via mythen, rituelen, geschiedenis, symboliek en religieuze systemen. Deze kennis bepaalt identiteit, wereldbeeld en waarden.
- Morele of ethische kennis: inzicht in goed, kwaad, rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid. Sommigen zien moraal als objectieve kennis, anderen als cultureel construct.
- Esthetische kennis. Kennis van schoonheid, harmonie en expressie. Deze kennis is deels subjectief en deels cultureel gevormd.
- Zelfkennis (reflectieve kennis). Kennis van het eigen innerlijk via introspectie, zelfbewustzijn en/of metacognitie.
- ‘Kennis over kennis’: weten hoe je leert, begrijpen van denkfouten.
- Spirituele of mystieke kennis. Kennis via transcendente of contemplatieve ervaring. Deze is afhankelijk van wereldbeeld: beschouwend als diep inzicht of als subjectieve ervaring.
- Existentiële kennis. Kennis over betekenis, sterfelijkheid en mens-zijn. Waarom bestaan we? Wat is een goed leven? Wat betekent vrijheid?
- Lichamelijke of belichaamde kennis. Kennis opgeslagen in lichaam en motoriek. Kenmerken: pre-verbaal, sensorisch, motorisch.
- Onbewuste kennis. Kennis die gedrag beïnvloedt zonder bewuste toegang, zoals bijvoorbeeld onderbewuste associaties en automatische taalverwerking.
Een aantal kennisvelden zijn afhankelijk van mens- wereld- godsbeelden. Met name de hogere/latere/cognitieve.
Er zijn ook andere indelingen mogelijk. Plato maakte onderscheid tussen mening (doxa) en ware kennis (epistèmè). Aristoteles onderscheidde epistèmè (theoretische kennis), technè (vakmanschap), phronèsis (praktische wijsheid). Kant onderscheid a priori kennis (vóór ervaring), a posteriori kennis (uit ervaring). In de moderne cognitiewetenschap wordt kennis onderscheiden naar expliciete, impliciete, declaratieve en procedurele kennis.
Mogelijke lagen van menselijke kennis. Zo komen we tot een integrale opbouw:
- Biologische laag
- Instinctlaag
- Zintuiglijke laag
- Emotionele laag
- Intuïtieve laag
- Praktische laag
- Sociale laag
- Talige/symbolische laag
- Rationele laag
- Wetenschappelijke laag
- Reflectieve laag
- Existentiële laag
- Spirituele/mystieke laag
We kunnen hier sterk de aspectenleer van Dooyeweerd in herkennen, met een hiërarchisch ‘lager/hoger’ en ‘eerder/later’-beeld. Deze kennisvormen werken, als het goed is, meestal niet los van elkaar. Doen ze dat wel, - en dat gebeurt nogal eens in de hogere/latere aspectlagen, ook in Antropoceendebat -, dan lopen ze de kans te ‘zweven’. De mens is dus geen puur rationeel wezen. En geest en lichaam zijn niet dualistisch los te koppelen zoals dat gedurende de zogenaamde Verlichting aan de hand van Descartes gedacht werd. De mens is een samenspel van meerdere kennisvormen. Het kennisveld van de mens correspondeert met ervaringswerkelijkheid van de kosmos. Ervaringswerkelijkheid van de kosmos correspondeert met de wereld om ons heen. Ons innerlijk heeft gelaagde kennis van de wereld.
*
Kennisvelden – taalvelden (2); ervaring en bewustzijn
Bij al die kennisvormen horen ook (verschillende of overkoepelende) taalvelden of uitdrukkingsvormen. Elke kennisvorm heeft doorgaans een eigen manier van uitdrukken, herkennen, structureren en communiceren. Men zou kunnen zeggen: verschillende vormen van weten brengen verschillende vormen van taal voort. Hierbij betekent ‘taal’ niet alleen gesproken woorden, maar élke vorm van betekenisoverdracht: van lichaamstaal naar symbolen, rituelen, wiskunde, kunst, muziek, emotionele expressie, stilte, metaforen, logica, verhalen, enzovoort. In systeemtaal kan men spreken van symbolische systemen, representatievormen, semiotiek, discursieve velden, cognitieve talen en betekenislagen.
Relatie tussen kennisvorm en taalvorm
- Instinctmatige kennis levert biologische taal. Uitdrukkingsvorm: reflexen, hormonen, zenuwsignalen, mimiek, lichaamshouding. Angst spreekt hier als vergrote pupillen en dreiging spreekt als gespannen spieren. Dit is pre-verbale taal.
- Emotionele kennis levert affectieve taal. Uitdrukkingsvorm: toon, ritme, gezichtsuitdrukking, aanraking, poëzie, muziek. Emoties worden vaak onvolledig rationeel, maar zeer krachtig symbolisch gecommuniceerd. Muziek is een taal van emotionele structuren.
- Intuïtieve kennis levert beeldende en metaforische taal. Intuïtie spreekt via beelden, metaforen, dromen, associaties en symbolen. We zien al de overlap van kennis aan de hand van 1 t/m 3.
- Praktische kennis levert handelings- of vaardigheidstaal. Het is kennis die zich toont. Veel praktische kennis kan moeilijk volledig in woorden worden gevangen. Een vakman toont vaak meer dan hij uitlegt.
- Empirische kennis levert beschrijvende taal. Uitdrukkingsvorm: observatie, classificatie, meting, vergelijking.
- Wetenschappelijke kennis levert formele taal. Wetenschap probeert ambiguïteit te verminderen en subjectiviteit te beperken.
- Rationele kennis levert logische taal. Vormen: argumentatie, deductie, analyse. Structuurwoorden zijn conclusiewoorden: daarom, dus.
- Sociale kennis levert relationele taal. Het bestaat vaak uit context, toon, timing en onuitgesproken regels.
- Culturele kennis levert symbolische taal. Uitdrukkingsvorm: rituelen, mythes, nationale symbolen, religieuze verhalen. Culturen ‘denken’ via symbolische structuren.
- Morele kennis levert normatieve taal. Kenmerken: goed/kwaad, recht/onrecht, plicht/verantwoordelijkheid. Vormen zijn bv. ethische systemen en religieuze geboden.
- Esthetische kennis levert artistieke taal. Kunst communiceert vaak patronen, harmonie (en/of haar tegendeel: spanning, chaos) betekenis zonder expliciete begrippen.
- Zelfkennis levert reflectieve taal. Taal wordt hier zelfonderzoekend en bewustzijnsgericht.
- Spirituele/mystieke kennis levert paradoxale of contemplatieve taal. Deze taal kan leegte spreken via stilte, paradox, negatie (het onuitsprekelijke). Omdat sommige ervaringen volgens niet volledig conceptueel uit te drukken zijn, of slechts via metaforen.
De taal beïnvloedt niet alleen hoe we kennis uitdrukken, maar ook hoe we werkelijkheid ervaren. Wanneer we de uitspraak van Wittgenstein: “De grenzen van mijn taal betekenen de grenzen van mijn wereld”, enkel betrekken op een deel van de kennis (zoals bv. de rationalisten en sciëntisten doen) dan is dat in onze ogen een reductionistische verarming in die zin dat dan het geheel van de rijke kennis- en taalvormen wordt gemist. Het is een vorm van vervreemding die in onze ogen juist in de (post)moderniteit veel opgang doet en deed, met het ten onrechte op de troon zetten van de ratio, waarbij dan ook nog impliciet een dualistische scheiding van lichaam en geest werd gedacht. We kunnen meer weten en we spreken meer dan dit reductionisme - ook al is dat spreken niet in woorden uit te drukken.
Men kan zo dus spreken van meerdere taalvelden. Bijvoorbeeld:
Kennisvorm Taalveld
Instinct biologisch-signalerend
Emotie affectief-symbolisch
Intuïtie metaforisch-imaginair
Praktijk performatief
Wetenschap formeel-analytisch
Logica propositioneel
Kunst esthetisch-symbolisch
Spiritualiteit contemplatief-paradoxaal
Sociale kennis relationeel-contextueel
De taal als laag van bewustzijn.
Bewustzijnslagen brengen een eigen taal voort én door de totaliteit van die bepaalde taalvormen wordt representatie van ervaringswerkelijkheid toegankelijk. Poëzie opent andere ervaring dan statistiek; muziek ontsluit andere kennis dan logica; meditatie werkt vaak voorbij discursieve taal. Daarom bestaan er spanningen tussen wetenschap en mystiek, poëzie en logica, mythe en analyse. Niet noodzakelijk omdat één fout is, maar omdat zij verschillende werkelijkheidslagen proberen te benaderen. Wanneer men bewust kiest voor de taal van de (klimaat)wetenschap, dan doet men aan beperking. Dat kan een bewuste en te verantwoorden keuze zijn. Wanneer men verder gaat dan dat en de klimaatwetenschap verder min of meer herleidt tot bv. CO2 of wat dan ook,, dan doet men aan ontoelaatbaar reductionisme.
*
Kennisvelden – taalvelden(3); toewerking naar trandisciplinair
We hebben vakjargon, juridische taal, medische taal, filosofische taal, … . Elke kenniswereld ontwikkelt eigen begrippen, ofwel een taalveld. Wiskunde is zo’n kennisveld. Het lichaam ‘spreekt’ van lijden en genieten. En als expressie via houding, spanning, dans, aanraking, ritme. Gevoel communiceert, drukt zich uit. Diepere existentiële of spirituele kennis kan slechts symbolisch of metaforisch worden uitgedrukt, zoals oorspronkelijk taoïsme. De procesfilosofie zal zich moeten bedienen van metaforische taal, soms bestaande, soms nieuwe taal. Bestaande taal heeft als nadeel dat er al allerlei vooroordelen aan zijn gekoppeld, zoals aan het woordje ‘God’. Nieuwe begrippen heeft als nadeel dat dezen niet bekend zijn, waardoor dit moeilijk is te doorgronden. Hogere abstractie binnen Antropocene context heeft so-wie-so een nadeel omdat het Antropoceen zelf nieuw is. Maar met de bestaande gewone-mensen-taal is het om dezelfde reden ook moeilijk te duiden. Toch voelen mensen het ‘Antropoceen’ wel aan. Het is de taal van bedreiging, chaos en onheil. Dat is weer niet de voorzichtigheidstaal van de systeemwetenschappen.
Elke kennissfeer heeft een manier van waarnemen, een manier van structureren, een manier van uitdrukken, een manier van overdragen. Mogelijke indeling van expressielagen zou kunnen zijn: biologische, lichamelijke, affectieve, beeldende, talige, rationele, wetenschappelijke, reflectieve, en contemplatieve expressie. Wetenschap vereist precisietaal, terwijl poëzie ambiguïteit kan uitdragen.
Men kan wel stellen dat kennis, bewustzijn, waarneming, symboliek, taal, en cultuur
één continuüm vormen. Taal is dan niet alleen een middel om kennis uit te drukken, maar ook een structuur van bewustzijn, een organiserend principe, een vorm van wereldschepping. Dit is voor Antropocene transdisciplinaire theorievorming van belang. Het is niet alleen complexe theorievorming, maar ook ‘eenvoudiger’ beeldvorming. Het Antropoceen doet een beroep op alle kennisvelden. Die ‘verticaal’ gelaagd kunnen worden gezien in een ‘horizontale’ tijdsdimensie van overgankelijkheid en verandering.
*
Kennisvelden – taalvelden(4); transdisciplinair en menselijke expressie
Een integraal schema van kennis, taal en bewustzijn zou er dan als volgt uit kunnen zien: (waarbij bewustzijn de wijze van ervaren, kennis de wijze van kennen en taal de wijze van uitdrukken is. Deze drie beïnvloeden elkaar voortdurend.)
De verticale lagen van menselijk kennen
Bewustzijnslaag Kennisvorm Taal / expressie Dominante functie
Biologisch instinct reflex, zenuwsignaal overleven
Sensorisch zintuiglijke kennis beeld, klank, aanraking waarnemen
Affectief emotionele kennis stem, muziek, mimiek verbinden
Intuïtief patroonkennis metafoor, symbool direct inzicht
Praktisch belichaamde kennis handeling, techniek handelen
Sociaal relationele kennis ritueel, narratief samenleven
Talig-symbolisch conceptuele kennis woorden, grammatica ordenen
Rationeel logische kennis argument, analyse verklaren
Wetenschappelijk empirische kennis modellen, formules voorspellen
Reflectief zelfkennis filosofie, dialoog begrijpen
Existentiëel zingevingskennis mythe, literatuur betekenis
Contemplatief mystieke kennis stilte, paradox transcendentie
Drie fundamentele richtingen van bewustzijn. De mens beweegt voortdurend tussen drie polen: 1. Naar buiten gericht (objectbewustzijn), 2. Naar binnen gericht (subjectbewustzijn), 3. Naar het overstijgende gericht (transpersoonlijk subject-objectbewustzijn)
Drie hoofdvormen van waarheid
Vorm Vraag Methode Taal
Empirische waarheid “Wat is feitelijk waar?” observatie exact
Existentiële waarheid “Wat betekent dit?” ervaring narratief
Mystieke waarheid “Wat overstijgt begrip?” contemplatie paradoxaal
Wetenschapstaal ↔ poëtische taal ↔ mystieke taal. Deze drie vertegenwoordigen bijna drie verschillende werelden van kennen.
Aspect Wetenschapstaal Poëtische taal Mystieke taal
Doel verklaren evoceren overstijgen
Structuur exact associatief paradoxaal
Logica lineair symbolisch transcendent
Waarheidscriterium toetsbaarheid resonantie directe ervaring
Middel concept metafoor stilte/symbool
Ambiguïteit vermijden benutten omarmen
Tijdservaring chronologisch subjectief tijdloos
Zelfbeeld observator ervaarder oplosbaar zelf
Kernvraag “Hoe werkt het?” “Hoe voelt het?” “Wat is het?”
Evolutie van menselijke expressie. Dit combineert antropologie, cognitiewetenschap en cultuurgeschiedenis, via: pre-talige, mythisch-symbolische, narratieve-cultuur, filosofische, wetenschappelijke, psychologische en existentiële, integrale of postmoderne expressie. We zouden kunnen zeggen: Instinct ervaart. Emotie resoneert. Intuïtie herkent. Rede structureert. Wetenschap modelleert. Kunst verbeeldt. Filosofie bevraagt. Mystiek overstijgt.
*
Kennisvelden – taalvelden(5); de combinatie van transdisciplinair, gelaagde kennis en uitdrukkingsvormen
Wat is dan nu in de context van kennisvelden/taalvelden/bewustijzijn de betekenis van transdisciplinair? Op z’n minst betekent het dat verschillende vakgebieden niet alleen samenwerken, maar hun grenzen ook overstijgen om samen iets nieuws te ontwikkelen. Het gaat dus verder dan alleen multidisciplinair (waarbij vakgebieden naast elkaar werken); interdisciplinair(waarbij vakgebieden samenwerken). Trans is voorbij de grenzen van disciplines. Als we dat combineren met alle mogelijke kennisvormen die de mens bezit, van lichamelijke kennis, instinct, intuïtie, voelkennis, en zo door naar logische kennis, weten, denken, en zo door naar mystieke kennis, kunnen we dan een overzicht maken van een transdisciplinaire aanpak met alle mogelijke kennisvelden die de mens rijk is?
We kunnen het allicht proberen. Het gaat dan eigenlijk nóg een stap verder dan ‘klassiek’ transdisciplinair werken: een poging om alle menselijke kenwijzen — lichamelijk, emotioneel, rationeel, relationeel, spiritueel en collectief — in één samenhangend kader te plaatsen. Zo’n overzicht bestaat niet in één definitieve vorm.
Een integraal transdisciplinair kennislandschap zou er mogelijk als volgt uit kunnen zien: 1. Lichamelijke kennis: Kennis die het lichaam weet vóór woorden of analyse (weetvoelen); 2. Instinctieve kennis: Oudere evolutionaire overlevingskennis; 3. Emotionele kennis: Gevoelens als informatiedragers; 4. Intuïtieve kennis: Direct weten zonder expliciete redenering; 5. Praktische kennis: Weten hoe te handelen in concrete situaties; 6. Narratieve en symbolische kennis: Kennis via verhalen, beelden, mythen en symbolen; 7. Sociale en relationele kennis: Kennis die ontstaat tussen mensen; 8. Rationele en logische kennis: Analyse, bewijs en conceptueel denken; 9. Empirische/wetenschappelijke kennis; 10. Systemische kennis: Kennis van onderlinge samenhang; 11. Ecologische kennis: Kennis van wederzijdse afhankelijkheid tussen mens en leefwereld; 12. Contemplatieve kennis: Kennis via aandacht, stilte en bewustzijnsverdieping; 13. Mystieke kennis: Directe ervaring van eenheid, transcendentie of diepere werkelijkheid.
Hoewel nuttig, een werkelijk Antropoceen-transdisciplinaire benadering zou al deze kennisvormen niet zozeer hiërarchisch ordenen, maar zien als complementaire manieren van kennen die elk geschikt zijn voor Antropocene werkelijkheid, samen een holistisch beeld vormend van het Antropoceen. Het gaat om de combinatie van het Antropoceen in de ervaringszin van Betekenis (van heil-onheil) en Antropoceentheorie.
Een mogelijk integraal schema wordt dan:
Domein Centrale vraag Manier van kennen
Lichaam Wat voelt het lichaam? voelen
Instinct Wat beschermt leven? reageren
Emotie Wat heeft betekenis? resoneren
Intuïtie Wat wordt direct gezien? aanvoelen
Praktijk Wat werkt hier en nu? handelen
Symboliek Wat betekent dit? verbeelden
Sociaal Wat ontstaat tussen ons? dialogeren
Ratio Wat klopt logisch? analyseren
Wetenschap Wat is toetsbaar? onderzoeken
Systemisch Hoe hangt alles samen? verbinden
Ecologisch Hoe leven we wederkerig? afstemmen
Contemplatief Wat verschijnt in stilte? gewaarzijn
Mystiek Wat overstijgt het zelf? transcenderen
De diepste transdisciplinariteit is misschien niet alleen het verbinden van vakgebieden, maar het verbinden van hoofd, lichaam, gevoel, gemeenschap, natuur, bewustzijn, en existentiële ervaring. Om de Antropocene werkelijkheid op meerdere niveaus te (leren) ontmoeten.
*
Kennisvelden – taalvelden(6); de blik gericht op Haybourn2023
Met Ontsporingsrisico bedoelen Haybourn2023 het risico dat de overgang naar een duurzame samenleving mislukt of vertraagt doordat klimaatverandering en ecologische ontwrichting zelf de capaciteit van samenlevingen aantasten om nog effectief milieubeleid te voeren. De auteurs stellen dat bestaande analyses vooral kijken naar fysieke risico’s met schade door klimaatverandering zelf. En transitierisico’s economische/sociale risico’s van de overgang naar duurzaamheid. Volgens hen ontbreekt een derde categorie: Risico’s voor de transitie zelf, waarin klimaatontwrichting de duurzaamheidstransitie ondermijnt.
De auteurs bedoelen dat klimaatverandering zoveel maatschappelijke ontwrichting veroorzaakt dat samenlevingen steeds minder in staat zijn om nog effectief klimaatbeleid te voeren. Dit creëert een zelfversterkende negatieve feedbacklus. Klimaatverandering veroorzaakt systeemdruk. Klimaatverandering veroorzaakt niet alleen natuurproblemen veroorzaakt, maar ook sociale, economische en politieke instabiliteit. Die instabiliteit vermindert capaciteit voor klimaatbeleid. Minder klimaatbeleid verergert klimaatverandering. Hierdoor ontstaan feedbacklussen. Waardoor mogelijke planetaire kantelpunten.
De auteurs gebruiken systeemdenken, systeemkennis, systeemtaal. Zij combineren klimaatwetenschap, systeemtheorie, economie, politiek en sociale dynamiek. klimaatbeleid moet niet alleen effectief zijn, maar ook bestand tegen chaos. De tekst benadrukt dat de uitkomst niet vastligt. Er zijn negatieve scenario’s en Positieve scenario’s. De grootste bedreiging is niet alleen klimaatverandering zelf, maar dat klimaatverandering onze capaciteit vernietigt om haar nog te bestrijden. Dat maakt het probleem systemisch.
Vervolgens pleiten de auteurs voor transformationele adaptatie met fundamentele systeemveranderingen; veerkrachtige transitie; het versterken van positieve sociale kantelpunten. Hun model is relevant voor klimaatbeleid, risicomanagement en internationale samenwerking. Zoals eigen aan de wetenschap wordt ook in dit onderzoek gesteld: “Verder onderzoek op dit gebied is dringend nodig”. En dan bedoelen ze uiteraard (systeem)wetenschappelijk onderzoek. Miskent dat niet impliciet het veel bredere, diepere en rijkere totaalkennisveld? Moet het nu altijd de wetenschap zijn als betrouwbare hoofdautoriteit? Zijn er juist op het existentiële terrein van tegenstrijdige ambivalente prioriteiten en Haakse Problemen niet andere kennisvelden die benut kunnen en moeten worden? Is het onzekerheidstaalveld van de model- en systeemtaal wel de meest geschikte methode?
Dit model, en dit pleiten moet naar de realiteit van de concrete Antropocene ontwikkelingen worden bekeken. Hoe realistisch is dit dan? Overeenkomstig welke kennisvormen en bijbehorende taalvelden kunnen we het realiteitsgehalte onderzoeken? Welke spanningen, dilemma’s, tegenstrijdigheden en spagaten komen hier naar voren?
Het rapport van Haybourn2023 levert een belangrijke bijdrage aan het debat over duurzaamheidstransities door te benadrukken dat klimaatbeleid niet los kan worden gezien van de maatschappelijke stabiliteit die nodig is om dat beleid vol te houden. Het concept ‘ontsporingsrisico’ maakt duidelijk dat klimaatverandering niet alleen fysieke schade veroorzaakt, maar ook de politieke, economische en sociale voorwaarden kan aantasten die noodzakelijk zijn voor effectieve transitieprocessen. Daardoor ontstaat een potentieel zelfversterkend proces van destabilisatie.
Wat wordt bedoeld met ‘effectieve transitieprocessen’?
Kennelijk kan het zo zijn dat de transitieprocessen als zodanig effectief kunnen worden gezien zolang dezen onverminderd worden doorgezet?
Of moet ze (pas) als effectief worden gezien, enkel als ze worden versneld?
Omdat ze achter lopen op de Antropocene ontwikkelingen?
Omdat de dweilen met de kraan open?
Omdat de nog geen kalf nog kalfje dempen zolang we verder de beerput verder wordt opengetrokken?
Wanneer er ontsporingsrisico is van transities, impliceert dit dan dat De Antropocene ontwikkelingen zelf nog niet ontspoort zijn?
Kan het ook effectief zijn wanneer het in hoofdzaak wordt gezien als vertragen&verzachten?
Kan de voorzichtigheidstaal van de systeemtheorie hier wel mee uit de voeten?
Is er andere kennis en taal die hier misschien iets meer en aanvullend over kan zeggen of ‘zeggen’?
Dan het wetenschapsmantra: dat moet nog verder worden onderzocht?
Ook gezien het laagste scenario geschrapt is?
Gezien dat dit scenario enkel opwarming uitdrukt?
Welke taal kan zeggen, gezien het laagste scenario anno 2026 als opwarmingsgraadmeter geschrapt is, dat het volgende laagste graadmeterscenario (stel 1,8 graden, daarna 2 graden) gewoon over een x aantal jaren aan de beurt is?
Welke taal kan het publiek eens zeggen dat de scenario’s van Van Vuuren cs so-wie-so nog maar deel-scenario’s zijn binnen het holistische geheel?
Er ligt op z’n minst ook een grote opdracht bij wetenschapscommunicatie. Ook zij zullen naar onze mening af moeten kicken van de voorzichtigheidstaal. Dat geldt met name ook voor Maarten Keulemans van de Volkskrant.
De spanning is deze: wetenschappelijke taal probeert voorzichtig, analytisch en probabilistisch te blijven; terwijl de existentiële implicaties van de beschreven processen voor veel mensen al voelbaar en moreel urgent zijn. O zouden moeten zijn. Daardoor ontstaat het gevoel dat de wetenschappelijke beschrijving formeel correct kan zijn, maar en/of ons enigszins of het verkeerde been zet, en/of gewoon existentieel tekortschiet. Dat is niet noodzakelijk misleiding in kwade zin, maar eerder een gevolg van de epistemologische regels van wetenschap. Maar precies daardoor kan wetenschap het affectieve gewicht, de existentiële ernst, de morele ervaring, de beleefde ontwrichting veel te neutraal presenteren. Toch heeft ook activistische taal zijn communicatieve effecten en nadelen, zo is gebleken. Het zal een moeilijke kwestie blijven. “Je vergeet het woordje ‘wellicht’ en ‘mogelijk’ in te voegen”, zou een hardcore probabilistische wetenschapper zeggen.
*
Kennisvelden – taalvelden(7); van systeemtaal naar de taal van het Leven Zelf
Van systeemtaal naar ‘de taal van het Leven Zelf’. Wetenschappelijke systeemtaal is derde-persoonstaal:
een beschrijving van buitenaf. Existentiële taal spreekt in Antropoceen-verband over angst, verlies, zin, vervreemding, chaos, ellende. Dat is eerste-persoonstaal: de geleefde werkelijkheid van binnenuit. Daarom ook ervaren veel mensen, waaronder team Lont (bestaande uit Lont, zijn hond (Anouk) en Sjet) puur technocratische taal als onvoldoende.
De fenomenologie wordt hier relevant wordt. Dit is één van de filosofische tradities die probeert terug te keren naar de directe geleefde ervaring vóór abstracte systeemmodellen. Fenomenologie vraagt: hoe verschijnt de wereld aan ons? hoe beleven wij tijd, kwetsbaarheid, natuur, sterfelijkheid? wat gebeurt er met ervaring onder condities van ontwrichting? We kunnen een transitie maken binnen de transitie van transdisciplinair, te weten: van systeemtaal naar de taal van heil en onheil.
Heil en onheil. Heil en onheil behoren als geleefde ervaring niet tot neutrale wetenschap, maar tot ethiek, religie, existentiefilosofie, cultuurfilosofie. Wat gebeurt er wanneer de verhouding tussen mens en wereld fundamenteel ontwricht raakt? De metafoor van onze planeet als ons huis, met zijn Fundament waarop leve gestoeld is, komt hier om de hoek kijken. Het oorspronkelijk taoïsme kan hier op worden betrokken, juist omdat dit type taoïsme (i.t.t. het taoïsme van Confusius ) niet primair moreel-normatief is, maar eerder beschrijvend, relationeel, procesmatig, kosmologisch, existentieel. Het biedt een ander taalveld om systeemontwrichting, evenwicht, disharmonie en menselijke verhouding tot de wereld te begrijpen. Het schijnt ook aan te sluiten bij hedendaags systeemdenken en ecologische filosofie.
Taoïsme als taal van processen in plaats van objecten. Het taoïsme denkt in termen van stromen, ritmes, spanningen, veranderingen, verhoudingen, dynamisch evenwicht. Dat lijkt weliswaar op ecologische systeemtheorie, complexiteitsdenken en feedbackdynamiek. Maar het taoïsme beschrijft dit niet technisch, maar existentieel-symbolisch-metaforisch. De taal van het Leven Zelf kan slechts metaforisch worden uitgedrukt. Bepaalde wetenschappers vinden dat dan weer de zwakte ervan.
De wijze waarop werkelijkheid zichzelf ontvouwt is geen bevel, geen moraal, geen doctrine, geen plan. Het is het dynamische patroon van wording zelf. Wording is werking en dus relationeel. Het is dialogische-relatie, zoals Martin Buber dat duidt. (Hetgeen ook aangeeft dat ‘oud’ denkgoed nog steeds relevant of soms juist weer opnieuw relevant kan zijn in de Antropocene context. (dit als kritiek op naar ik meen recensent 1))
Onheil als verstoring van verhouding. In taoïstische termen ontstaat ontregeling vaak niet doordat ‘het kwaad’ verschijnt (in de zin van wat mensen elkaar aandoen), maar doordat natuurlijke ritmes worden geforceerd en verbroken, waardoor de menselijke maat verloren gaat, en het menselijke willetje niet meer spoort met de Wil van Tao. Niet meer spoort: in die zin is er allang ontsporing gaande. Het woord risico kan hier zonder meer worden weggelaten, wanneer we er nog meer bij beseffen vanuit andere kennis- en taalvelden, waardoor we toch wel enigszins weet hebben van zowel de onderliggende dynamiek als van de toekomst.
Wu-wei en systeemveerkracht. Wu-wei (“niet-forcerend handelen”) wordt vaak ten onrechte begrepen als passiviteit. Het is juist aanpassing. Maar er is uiteraard nu wel een enorm spanningsveld gaande: aanpassing in de context dat we zelf de kraan verder opendraaien of op z’n minst onvoldoende dichtdraaien. In termen van systeemveerkracht: we zijn juist die veerkracht niet aan het opbouwen, maar aan het ondermijnen. Er moet kennelijk een soort boven-natuurlijke veerkracht ontstaan omdat we de natuurlijke veerkracht verwoesten. Wij noemen dit hier: wu-wei-spanning. Het is een spagaat.
Taoïsme en fenomenologie. Er bestaan interessante raakvlakken tussen taoïsme, fenomenologie en ecologische filosofie. Alle drie proberen ze de abstracte objectiverende blik te doorbreken; terug te keren naar relationele ervaring; mens en wereld niet volledig te scheiden. Maar hier komt direct al die zonet genoemde die wu-wei-spanning om de hoek kijken. Fenomenologie benadrukt ‘in-de-wereld-zijn’, taoïsme benadrukt ingebed-zijn in de stroom van processen. Het gaat om de juiste verhouding binnen en met de wereld – die straks niet meer mogelijk is in kwalitatieve heilsbetekenis. Onheil verschijnt dan als chaos&ellende.
Dus:
We hebben veel meer nodig dan wetenschappelijke systeemtaal. Wanneer we proberen alle kennis- en taalvelden mee te nemen in transdisciplinaire bewegingen, dan moeten we zonder meer dualistische ideeën achter ons laten. Echter, juist onze westerse (denk)geschiedenis is daarvan doortrokken. Dit betekent: onze taal is er mee doortrokken. Neem alleen al het woordje ‘zijn’. Wordt het wel echt als werkwoord gedacht? Het woord ‘is’ (zijn, is, ben) wordt volgens ons over het algemeen nogal statisch gedacht, terwijl het in wezen dynamisch-dialogische-relatie impliceert. We kunnen immers de tijd (die ons ‘horizontaal’ draagt in subject-objectrelatie) niet stilzetten. We maken steeds bevroren fotomomenten (een toestand) van de werkelijkheid terwijl deze een zich ontvouwende overgankelijke oneindige film in ontwikkeling is, met verandering als hoofdkenmerk.
Niet dat dat andere beeld bijdraagt aan de oplossing. Daarvoor juist moeten we de normatieve kant eerst (in het denken, niet in de praktijk) buiten haakjes plaatsen. In het denken moeten we het even apart zetten, anders compliceren we de theorievorming onnodig. Het gaat om het beeld dat het beste de Antropocene dynamiek representeert.
*
Kennisvelden – taalvelden(8); verandering van denkbeelden omtrent stabiliteit - instabiliteit
Vrijwel alle grote filosofische, religieuze, politieke en morele tradities zijn ontstaan onder relatief stabiele Holocene omstandigheden — terwijl wij nu mogelijk een overgang meemaken naar een fundamenteel instabieler Aardsysteem. Dat heeft enorme gevolgen, ook betekenis, tijdservaring, ethiek, metafysica, mens- en wereldbeelden.
Het Holoceen was min of meer een onzichtbare voorwaarde van denken. Het bood een relatief stabiel klimaat met voorspelbare seizoenen, met landbouwcontinuïteit en relatief stabiele zeespiegels. Die stabiliteit vormde de achtergrondconditie voor staten, steden, religies, filosofieën, markten, rechtssystemen, historische vooruitgangsideeën. Vrijwel alle klassieke denkvormen veronderstellen impliciet een min of meer stabiele wereld. Zelfs wanneer ze over chaos spreken.
De Antropocene ontwikkelingen veranderen de stabiliteit van de planetaire achtergrondcondities zelf. De omgeving wordt historisch actief; het Aardsysteem wordt dynamisch en onvoorspelbaar; de natuur wordt geen decor meer maar actor. Dat veroorzaakt een diepe verschuiving in denken, want veel klassieke systemen gingen uit van cyclische stabiliteit, kosmische orde, lineaire vooruitgang, goddelijke continuïteit en natuurlijke balans. Terwijl er nu sprake is van (in systeemtaal): niet-lineariteit, feedbacklussen, kantelpunten, onzekerheid, planetaire kwetsbaarheid.
Veel bestaande begrippen beginnen daardoor te wringen, zoals vooruitgang, groei, natuur, beschaving, autonomie, controle, ontwikkeling. Zelfs ‘geschiedenis’ verandert van betekenis omdat menselijke geschiedenis en Aardsysteemgeschiedenis nu in elkaar grijpen. Naast geschiedenis van de filosofie (van de min of meer ge-woontelijke automatische denkbeelden en paradigma’s waarin we wonen/woonden) is er (dus) filosofie van de geschiedenis nodig. Oude tradities en denkgoed kunnen best wel, daar waar mogelijk, toegepast worden op het Antropoceen door ze dynamisch transformatief te herlezen en te herinterpreteren. Dus niet “wat zei het taoïsme precies?” of “wat zei Dooyeweerd precies?”, maar wel: “Welke ervaringsstructuren en intuïties bevat het die opnieuw betekenisvol worden onder Antropocene condities?”
Het historische taoïsme kende geen fossiel kapitalisme, geen nucleaire technologie, geen mondiale logistieke systemen, geen artificiële intelligentie, geen planetaire feedbackversnelling. De schaal van menselijke invloed is fundamenteel veranderd. Daarom kan taoïsme niet simpelweg toegepast worden zoasl het beschreven staat, maar moet het vertaald worden naar een wereld waarin de mens een geologisch kracht is geworden. Toch creëert dit een spanning: harmonie, maat en resonantie staan haaks op planetaire interventie, actieve systeemsturing, technologische verantwoordelijkheid. Want volledige niet-interventie is onmogelijk geworden, en tegelijk: volledige interventie eveneens. de mens beïnvloedt het systeem al voortdurend als probleemveroorzaker en blijkt tegelijk niet in staat om het volledig op te verhelpen of zelfs maar te stabiliseren. Dat is geen falen wanneer we kijken naar evolutionaire bronoorzakelijkheid die zich via gelegenheidsoorzaken heeft voortgeplant.
Maar dan? Hoe interveniëren op de juiste schaal zonder destructieve overforcering? Dat is eigenlijk een Antropocene herlezing van wu-wei. Misschien is één van de grootste verschuivingen wel deze: Holocene tradities zochten vaak naar duurzame orde. Maar het Antropoceen vereist mogelijk leren leven binnen permanente dynamische instabiliteit. Maar dat is begrenst en dat kunnen we innerlijk weten: ook het individu moet steeds zijn grenzen ontdekken om te weten wat hij wel of niet kan beïnvloeden. In onze Holocene woning gebeurde dat met een betrekkelijk stevig Fundament in een redelijk stabiele Bedding.
*
Kennisvelden – taalvelden(9); het Antropoceen scherp gepositioneerd tegenover het Holoceen
Aan de ene kant neemt voorspelbaarheid af, aan de andere kant neemt die juist toe, wanneer we de typisch Antropocene kenmerken en dynamiek in acht nemen, samen met alle actuele berichtgeving en in het besef van al decennialang gaande en zelfs versnellende trends. Puur technische wetenschapstaal is daarvoor onvoldoende. Vrijwel alle historische denktradities ontstonden onder Holocene stabiliteit; het Antropoceen destabiliseert juist die achtergrondvoorwaarden; daarom moeten tradities niet letterlijk behouden, maar herlezen worden. Tegelijk vereist het Antropoceen een nieuwe dimensie van planetaire verantwoordelijkheid die klassieke tradities niet kenden. Er is sprake van echte nieuwigheid.
Een Antropoceentheorie zou (dus ook, en liefst scherp) gepositioneerd moeten tegenover de Holocene omstandigheden. De kern van het onderscheid lijkt ons: het Holoceen was een periode waarin menselijke beschaving zich ontwikkelde binnen relatief stabiele planetaire grenzen. Tegenover: het Antropoceen is een toestand waarin menselijke activiteit zelf een dominante geologische en planetaire kracht is geworden die die stabiliteit destabiliseert. Dat verschil verandert vrijwel alles: ecologie, economie, politiek, tijdservaring, risico, geschiedenis, betekenis.
A. Holoceen: achtergrondstabiliteit; Holocene dynamiek. De dynamiek van het Holoceen was fundamenteel stabiliserend, bufferend, regeneratief en cyclisch. De Aarde functioneerde als een relatief stabiel zelfregulerend systeem. Klimaatschommelingen bestonden uiteraard, maar binnen relatief nauwe bandbreedtes.
- Stabiele temperaturen; voorspelbare seizoenen; relatief stabiele neerslagpatronen; stabiele zeespiegel. Dit maakte landbouw mogelijk.
- Langzame systeemverandering. Veranderingen verliepen meestal traag, regionaal en incrementeel. Maatschappijen konden zich relatief geleidelijk aanpassen of uitwijken via volksverhuizingen.
- Natuur als achtergrond. De natuur was groter dan de mens, bepalend, grotendeels autonoom. Menselijke invloed was meestal lokaal of regionaal.
- Scheiding tussen menselijke en natuurlijke geschiedenis. Menselijke geschiedenis speelde zich af tegeneen relatief stabiele natuurlijke achtergrond. Dus politiek, economie, technologie en cultuur werden niet gezien als geologische krachten.
- Lineaire beschavingsmodellen. Onder Holocene stabiliteit konden ideeën ontstaan zoals vooruitgang, permanente groei, accumulatie, expansie, beheersing. Want de planetaire grenzen leken praktisch oneindig.
- Risico was lokaal en tijdelijk. Crises waren oorlogen, hongersnoden, epidemieën, regionale droogtes. Maar de planetaire achtergrond bleef grotendeels intact.
B. Antropoceen: destabilisatie van de achtergrond zelf; Antropocene dynamiek. De Antropocene dynamiek is versnellend, niet-lineair, feedbackgedreven, destabiliserend op planetaire schaal, bij ongekende complexe samenlevingsverbanden, met ongekende technologie, met een ongekend aantal menselijke bewoners. De menselijke geschiedenis grijpt direct in op de Aardsysteemdynamiek in tijden van structureel doorgaande en zelfs versterkende planetaire overshoot.
- “De mens” is nu zichtbaar als geologische kracht, voorheen niet. Terwijl die dynamiek daar naartoe natuurlijk allang gaande was. Het komt nu tot uiting waar dat voorheen nog verborgen bleef.
- Destabilisatie van planetaire systemen. De stabiele Holocene bandbreedtes worden verlaten zoals gepresenteerd door het PB-frame.
- Niet-lineariteit en kantelpunten. Verandering verloopt niet meer geleidelijk. Kleine veranderingen kunnen (zullen!? – de woorden en verwachtingen afhankelijk van taalveld) plotseling omslaan, met cascade-effecten doe systeemversnellingen veroorzaken.
- Feedbacklussen domineren. In het Antropoceen versterken processen elkaar.
- Het klassieke natuurbegrip wordt een historisch actief. De Aarde reageert nu actief op menselijke systemen. De natuur is geen decor meer, maar mede-historische actor. (In feite is ie dat altijd geweest - Latour). Nu komt een ander natuurbegrip op: de Natuur als Zelforganisatie (Natura Naturans – Spinoza).
- Wereldwijde verwevenheid. Het Antropoceen is hypergeconnecteerd in hyperprocessen van energie, voedsel, logistiek, data, financiën, klimaat. Daardoor ontstaan mondiale cascades, toenemende systeemrisico’s en kettingreacties.
- Permanente systeemstress. Waar het Holoceen relatief stabiele condities bood, wordt instabiliteit nu structureler. Met frequentere schokken, hogere volatiliteit. En (in systeemtaalzin) afnemende voorspelbaarheid op detailniveau, tegenover (in existentiële taalzin) de toenemende overkoepelende zekerheid van toenemend onheil.
- Einde van de illusie van externe natuur. Er bestaat nauwelijks nog ‘ongerepte natuur’ met een buitenwereld los van menselijke invloed. Mens en Aardsysteem zijn volledig vervlochten geraakt.
Het diepste verschil. In het Holoceen leefde de mens in een stabiele wereld (wat betreft achtergronddecor, dit om een bekende tegenreactie te voorkomen), waardoor evolutionair-cultureel gedreven groei-expansie mogelijk werd – die precies daardoor fundamenteel omsloeg in het Antropoceen. Dit geeft ook aan dat het kernkantel’punt’ al in het verleden ligt. Het Holoceen zou zo gezien kunnen worden als het kernkanteltijdperk naar het Antropoceen. Het Holoceen was het treinspoor waarin de evolutionair-cultuurlijke expansie op kon voortdenderen. We leven in een fundamenteel nieuwe historische situatie.
Verschil in tijdservaring. In het Holoceen kon tijd worden ervaren als cyclisch. Beschavingen kenden ‘seizoenspatronen’ van opkomst, blinken en verzinken. En daarna, na verloop van hersteltijd, begon de cyclus opnieuw. Toekomstdenken kon in de laatste eeuwen in grote lijnen lineair zijn. In het Antropoceen wordt tijd onzeker, discontinu, crisisgevoelig, abrupt. En tegelijk, op de planetaire hoofdlijn: lineair wat betreft de massieve richting. De toekomst voelt tegenstrijdig genoeg daardoor open – en tegelijk ook niet.
Verschil in politiek. Holocene politiek ging vooral over verdeling, macht, economie en territorium. We zien nu een Antropocene versterking daarvan, gecombineerd met politiek die gaat over planetaire grenzen, systeemveerkracht, energiemetabolisme, ecologische stabiliteit en intergenerationele tijd. Niet alleen het beeld is ambivalent, het is reële ambivalentie.
Verschil in mensbeeld. E.e.a. heeft complicerende konsekwenties voor mens- en wereldbeelden. Die beelden liggen vaak nogal vast als overtuigingen in het pystische aspect.
Verschil in kernrisico. Holocene risico’s waren lokaal; tijdelijk; herstelbaar. Antropocene risico’s zijn systemisch; wereldwijd; cumulatief; potentieel onomkeerbaar. Maar zoals eerder gezegd: het begrip ‘risico’ is kennisveld en taalveld-afhankelijk.
*
Kennisvelden – taalvelden(10); slot
Het Antropoceen is (dus) uiteindelijk een nieuwe existentiële conditie. Dit doet alles verschuiven in de gelaagdheid van zijn, van kennis, van taal. Gemiddeld gezien leven wij niet-verantwoord binnen een kwetsbaar, reagerend en instabiel Aardsysteem. Dit ondanks dat wij al decennia lang weten of kunnen weten dat dat wel moet willen we de zaken niet verder destabiliseren. Zou het niet kunnen dat de bronoorzakelijkheid, of bronvoorwaardelijkheid, ons te boven gaat omdat die mogelijk al in de evolutionaire processen en wetmatigheden (van bv. groei, van bv. het onlosmakelijke principe van samenwerking&concurrentie) gelegen is? Ja, dat is wat ons team bij herhaling betoogd.
Wat als de destabiliserende dynamiek niet alleen voortkomt uit ‘foute keuzes, maar mede uit diep ingebedde evolutionaire en ‘processuele eigenschappen en wetmatigheden van leven zelf, inclusief menselijk sociaal gedrag? Dat betekent niet dat vernietiging onvermijdelijk is, maar het verschuift wel het probleem van individuele en collectieve moraliteit naar evolutionaire processen en structurele dynamiek die de mens (ten dele, hij blijft mede-actor) te boven gaat. Het is dan een kwestie van overmacht versus onderhevig zijn aan overmacht.
Als het Antropoceen een emergent gevolg is van evolutionaire succesdynamieken (en dat betogen wij) dan hebben we het over fysische en metafysische procesfilosofie van groei, nieuwigheid, energie-expansie, competitie&samenwerking, accumulatieve opbouw, aanpassing, intelligentie (in brede zin, de intelligentie van Zelforganisatie, die een fysische en een mentale component kan worden toegedicht). Dit zijn precies dezelfde eigenschappen zijn die planetaire destabilisatie hebben veroorzaakt. Dit maakt het beeld van herstel veel moeizamer. Het is geen determinisme, wan Zelforganisatie blijft ten allen tijde bestaan uit 2 componenten: Creativity en Bedding. Maar de veranderende Bedding werkt nu sterk structurerend in verhardende richting. De vrijheid van Creativity is per definitie verbonden aan de vigerende Bedding, maar nu toch wel een Bedding van een bepaalde aard en dynamische richting die precies tegengesteld is aan de Holocene Bedding.
Dit betekent dat evolutionair succes ongelijk is aan planetaire duurzaamheid. Evolutionaire processen optimaliseren niet door wijsheid of rechtvaardigheid of ‘zachte krachten’. Zij optimaliseren primair voor reproductief succes, expansie en adaptief voordeel. Dat alles op lange tijdschalen, waardoor de huidige snelheid van verandering niet wordt bijgebeend. Die optimalisatie (die dus niet persé in de voor ons gewenste richting gaat), verloopt via principes van competitie&samenwerking, selectie en niche-expansie. De mens is daarin extreem succesvol geworden, als niche-expandeur via de cultuurlijke niche-constructie.
Groei is een fundamentele levensdynamiek van vrijwel al het levende (binnen een specifiek taalveld als levende systemen benoemd. (Binnen dat taalveld wordt vrijwel alles ‘systeem’ genoemd – een term die niet beantwoord aan Affectieve Betekenis. Zolang grenzen niet hard voelbaar zijn groeit leven meestal door onder succesfactoren bij afwezigheid of uitstel van negatieve feedback. Dat is nu ook precies de makke: de mens was ook succesvol in het uitstellen van negatieve feedback – wat precies nu op ons terugslaat.
Hier zit een paradox in verscholen, die nu zich nu juist openbaart. laten we het noemen: de Antropocene paradox. Dezelfde eigenschappen die intelligentie, technologie, geneeskunde, wetenschap en mondiale samenwerking mogelijk maakten, produceren ook overextractie, fossiele versnelling en biosferische destabilisatie. Waar ze voorheen opbouwend functioneren, functioneren ze nu afbrekend en ondermijnend. De crisis komt zogezien voort uit deze evolutionaire kracht, niet uit onze zwakte. Onze kracht werd, als evolutionair voertuig, werd onze zwakte. Dat is een diep tragisch inzicht.
Wij weten het al decennia, maar handelen onvoldoende. Dat gegeven is veelzeggend in het licht van het hierboven vermeldde. Het suggereert dat informatie alleen, rationaliteit alleen, en moreel appel alleen niet voldoende zijn. Omdat gedrag niet alleen door kennis wordt gestuurd maar door evolutionaire impulsen als bron- of voorwaardelijke oorzakelijkheid, met vervolgens institutionele structuren, economische selectie, statusdynamiek, korte-termijnbeloningen en geopolitieke fragmentering en concurrentie als vervolg- of gelegenheidsoorzaken.
Het is een klassieke tragiek: Wat ons succesvol maakte destabiliseert nu de fundamenten van ons huis. De mens kan niet bij die evolutionaire fundamenten. Die zijn immers al in het verleden gelegd. De oplossing kan niet simpelweg zijn: “wees verstandiger, wees wijzer”. De basisstructuur van het probleem ligt daaronder: in het fundament. Het menselijk vermogen is in die krachtsverhoudingen logischerwijs beperkt, conflictueus en traag. Het is niet meer dan logisch, in onze ogen. Er zijn teams die daarentegen termen gebruiken als ‘fatalisme’ en ‘niet meewerkend aan de oplossing’. Maar dergelijke termen getuigen volgens ons team (dus) van menselijke overmoed in de zin van overschatting van het menselijk vermogen.
Terugkomend op Laybourn2023: er is allang ontsporing gaande in de zin van energiemetaboliek. Dit ondanks of de praktische transities nu wel of niet ontsporen. Ontsporing van de transities maakt helaas dat het sneller gaat, en we moeten alles op alles zetten om te vertragen. Vertragen impliceert verzachten. Of moet het misschien maar sneller gaan – hetgeen ook een bepaalde verzachting met zich mee kan brengen in de vorm van verkorting van de chaos&ellende-periode? We zijn aan dat wel degelijk aan het versnellen en systeemtaalrisico’s zijn geen echte risico’s meer. Het wordt gewoon één grote tegenstrijdige bende. In een strijd van Haakse Problemen, hetgeen staat voor een strijd van ‘alles tegen alles’. Vanuit welk kennis- en taalveld komt dit?
Maak jouw eigen website met JouwWeb