- Toelichting op het idee van determinerende werking (ook wel te noemen: verhardende conditionaliteit)
De verleden en de actuele ontwikkelingen werken structurerend en richtinggevend. Tegelijkertijd is het Antropoceen juist het tijdperk van menselijke invloed - en dus, zo zouden we denken, van keuze en handelingsvermogen.
Antropocene ontwikkelingen zijn niet absoluut determinerend, er blijft immers voor Zelforganisatie altijd een mogelijkhedenveld, van waaruit actuele gebeurens hun keuzes maken en waaruit realisatie plaats vindt. Maar het is wel sterk structurerend, pad-afhankelijk en in toenemende mate onomkeerbaar. We moeten dit echter op twee niveaus bekijken: op het niveau van de mens is er sprake van een werking in determinerende richting, voor de natuurlijke mogelijkheden van Zelforganisatie nooit. Deze is immers onverwoestbaar.
Als we uitgaan van het realistische scenario dat de huidige hardnekkige negatieve trends het komende decennium niet keren, mede door geopolitieke ontwikkelingen, dan is de vraag hoe we moeten kijken naar de relatie tussen determinering/handelingsvrijheid op het niveau van de mens en de Antropocene ontwikkelingen voor de langere termijn.
In dat geval immers verschuift de relatie tussen determinerende werkingsfactoren en factoren die te maken hebben met het menselijk handelingsperspectief naar wat je zou kunnen noemen ‘verhardende conditionaliteit’. Er vindt een vastlegging plaats van mogelijkheden voor toekomstige paden. Determinering wordt zo gezien historisch opgebouwd. Er is in toenemende mate sprake van systeemdwang, met zelfversterkend patronen en in toenemende mate onafhankelijk van menselijk beleid op korte termijn.
Uitkomsten blijven weliswaar voorwaardelijk, maar de voorwaarden worden strenger en beperkter, waardoor keuzeruimte voor de mens krimpt. Determinerende werking is geen constante absolute factor in de relatie van determinisme en keuzevrijheid. Het gaat om de verschuiving van de verhouding tussen bepalende structuren en handelingsruimte.
Het lijkt mij dat we bij een Antropoceentheorie moeten kijken naar de toename van de determinerende werking van verhardende conditionaliteit. De Antropocene dynamiek is een progressieve vernauwing van de bandbreedte aan mogelijke uitkomsten onder invloed van cumulatieve systeemdruk. De principes van contingentie, emergentie en herconfiguratie op het ‘hogere’ niveau van Zelforganisatie blijven bestaan, ongeacht de mate en snelheid van verandering.
In het werk van Dipesh Chakrabarty wordt het Antropoceen begrepen als een situatie waarin menselijke geschiedenis en aardse systeemprocessen onlosmakelijk verstrengeld raken, wat klassieke noties van historische agency onder druk zet zonder deze volledig op te heffen. Evenzo benadrukt Bruno Latour dat handelingsvermogen verspreid is over netwerken van menselijke en niet-menselijke actoren, waardoor uitkomsten nooit volledig gereduceerd kunnen worden tot lineaire causaliteit. Er is altijd ruimte voor contingentie, emergentie en herconfiguratie, zelfs onder sterk beperkende omstandigheden. Op het ‘lagere’, ‘afgeleide’ niveau van menselijk handelen neemt dit af.
De relatie tussen toenemende determinerende werking en het Antropoceen kan volgens mij best worden begrepen als een verschuivend continuüm, waarin structurele beperkingen toenemen zonder dat handelingsruimte volledig verdwijnt. Dit continuüm zou kunnen worden benoemd met de term Fuiktijdperk. Wederom vanuit de mens gezien.
-
- Vergelijkingsmateriaal ofwel referentiekader.
We kunnen de Antoprocene ontwikkelingen vergelijken met de vijf eerdere massa-extincties. Mogelijk zitten we in een vroege fase, maar de trendstructuren maken het vergelijkbaar. De oorzaken mogen dan wel net iets verschillen, maar we kunnen de oorzaak van het Antropoceen ook, net als de eerdere, volgens mij gewoon zien als een natuurlijk traject van de evolutie. In dit geval van de laatste miljoenen jaren, als een niche-constructie van zelforganiserende werking.
Het idee dat we in theorie kunnen ingrijpen en dat het deels een bewuste crisis is uiteraard juist, en in dat opzicht is het Antropoceen uniek in de totale BigHistory.
We kunnen het beïnvloeden en we zijn ons er van bewust. Maar kan dit nog het verschil maken? Dat blijkt volgens mij niet uit wat er gaande is. Het is duidelijk dat we het al niet meer kunnen voorkomen. En op een gegeven moment zal ‘gewoon’ het kantelpunt aanbreken dat we ook geen verschil meer kunnen maken tussen hoe ernstig de uitkomst wordt.
Op dit moment is het nog geen alles-of-niets verhaal, er zijn nog nuances en pad-mogelijkheden. Maar dat verhaal moet niet als een constante worden gedacht gezien de dynamische werking in verslechterende richting. Bewustzijn heeft nog niet geleid tot voldoende actie, dus daar kunnen we volgens mij ook niet te veel op hopen. Maar historisch gezien kunnen systemen wel kantelen als technologie, beleid en gedrag samenkomen, maar dan hebben we het over het Holoceen vergelijkingsmateriaal en het Holoceen is passé. Holocene perspectieven zijn echter impliciete aannames waar we nu doorheen zullen moeten prikken. Onze hele ervaring met maatschappelijke aanpassing komt uit die stabiele context, en dat is geen goede gids meer. We zullen nu het vergelijkingsmateriaal (inclusief het ‘verschilmateriaal’) moeten halen uit patronen en structuren van Zelforganisatie uit de BigHistory – zoals gezegd: met de vijf eerdere trajecten naar massa-extincties.
Met het verschil: ook dan hebben we geen historisch precedent voor deze combinatie van snelheid + schaal + menselijke invloed.
Er zijn eigenlijk twee niveaus: 1. De Sociaal-technologische kant (waar de vergelijking met het Holoceen mogelijk nog wél werkt) en 2. De Aardsysteem kant (waar de vergelijking tekortschiet).
Echter, in zijn totale holistische samenhang van toenemende natuurcultuurverstrengeling schiet de vergelijking tekort. En zoals het nu gaat krijgt de kant van het Aardsysteem (gewoon = natuurlijk = uit-der-aard) in toenemende mate de overhand. Dat is het actuele reële traject. Eigenlijk hebben we zo gezien geen alternatief referentiekader, om twee redenen: 1. Hoeveel weten we eigenlijk van die eerdere massa-extinctie-trajecten? 2. Het aspect van menselijke invloed maakt het uniek.
Toch is over die menselijke invloed best wel veel te zeggen, zoals bijvoorbeeld: het werkt twee kanten uit, met tegengestelde elkaar tegenwerkende krachten. We zien enerzijds acties om de gevolgen nog te vertragen en verzachten. En anderzijds zien we gedrag dat wellicht niet bewust de ontwikkelingen wenst voort te zetten of zelfs te versnellen, maar waardoor dat desondanks toch gebeurt, ondanks bewustzijn. Naar mijn idee heeft die tweede kant een massiever uitwerking, dan de eerste kant of tegenkracht; dat blijkt in ieder geval tot nu toe. Dit maakt dat de werkelijke onderstroom niet ligt aan de kant van de eerste kracht, maar aan de kant van de tweede. In ieder geval legt het de menselijke ambivalentie sterk bloot. Waarbij ook bewustwording ontoereikend is, ondanks alle informatie vanuit de wetenschap die er tegenaan gegooid wordt en ondanks de nu zoveelste energiecrisis.
Samenvatting: Het Antropoceen kan als een proces van toenemende determinering worden gezien: cumulatieve systeemdruk, pad-afhankelijkheid en verhardende conditionaliteit beperken toekomstige mogelijkheden zonder ze volledig te elimineren. Het onderscheid tussen “toenemende determinerende werking” en “verhardende conditionaliteit” (dat ChatGPT maakt) is vooral conceptueel en semantisch, niet fundamenteel. Menselijk handelen blijft mogelijk, maar de context wordt steeds beperkter en complexe processen nemen het over, waardoor handelingsvrijheid gradueel afneemt. het Antropoceen werkt weliswaar niet absoluut determinerend, maar structureert de ruimte voor handelen steeds sterker.
-
- actuele geopolitiek als uitdrukking van langetermijn interacties tussen energie, ecologie en menselijke ontwikkeling
De wereldorde die nu ontstaat, berust op invloedssferen. Wil men daar analytisch naar kijken in bredere en diepere context, dan zou men daar nog de Antropocene kenmerken overheen moeten leggen, inclusief naar te verwachten grondstoffen-, water-, voedsel- en gebiedsoorlogen.
In dieper verband zijn in de relatie tussen Antropoceen en actuele geopolitieke ontwikkeling zijn een aantal koppelingslagen van samenvallende geschiedenissen te zien. Geschiedenissen van verschillende ‘lengten’ zoals Chakrabarty die heeft geschetst, van BigHistory via DeepHistory naar cultuurlijke geschiedenissen van Holoceen en Antropoceen. Die meerdere conceptuele en praktische koppelingen tussen evolutionaire cultuurlijke nicheconstructie en exogene energie zouden onder andere bekeken kunnen worden langs de lijnen van:
- De koppeling van leven, in welke vorm dan ook, met evolutionaire structuren van energetische dissipatie en de richting van overshoot (die in evenwicht dan wel uit-evenwicht kan zijn, die binnen planetaire grenzen dan wel voorbij planetaire grenzen kan zijn) (BigHistory)
- De conceptuele en praktische koppeling van de evolutionaire cultuurlijke nicheconstructie met exogene energie (Deep History)
- De koppeling van het praktisch gebruik van exogene fossiele energie met dissipativiteit en toenemende overshoot (cultuurlijke Holocene geschiedenis)
- De koppeling van een transitie naar duurzame energie met dissipativiteit op het gebied van o.a. grondstoffenextractie, met invloed op de structureel veranderende wereldorde (recente geschiedenis)
- De al dan niet mogelijke ontkoppeling van de economie met fossiele energie (idem)
Wat zich nu voordoet is dat de economie gekoppeld blijft aan fossiele energie. De huidige wereldwijde energiecrisis legt dat nog eens haarfijn bloot. Wat zich tegelijk ook voordoet is een toenemende energiebehoefte. Ook zichtbaar. ChatGPT zal er ook wel pap van lusten. Wat zich tegelijk ook voordoet is een energietransitie waarbij landen en andere entiteiten strijden om kritieke grondstoffen.
-
- De uiterste konsekwentie van het idee dat we over moeten van antropocentrisme naar ecocentrisme.
Wie af wil van antropocentrisme zal ook de uiterste konsekwentie daarvan moeten inzien. We zijn een diersoort in natuurcultuurverstrengeling, als een voertuig van evolutie zoals alle leven dat is, en het is uit-der-aard - overeenkomstig evolutionaire overshootwetmatigheden op het hoogste, dat wil zeggen op het planetaire nivo - geen enkele leven gegund om de huidige gang van het eco-pad naar de ondergang te verstoren. Vooralsnog zien we juist een bespoedigende werking naar die ondergang door de cultuurlijke, innerlijk tegenstrijdige sferen.
We kunnen niet eens af van antropocentrisme als we de theorie van Helmuth Plessner goed tot ons door laten dringen. De centrische positionaliteit, die alle dieren eigen is, is primair aan, en gaat als basis vooraf aan de specifiek menselijke excentrische positionaliteit.
Nou, dat is te zeggen: het is best wel mogelijk om er vanaf te komen en daarmee het huidige eco-pad te keren als we als soort collectief preventieve zelfmoord plegen. Er zal worden tegengeworpen dat we een tussenpositie kunnen innemen zoals ‘verlicht antropocentrisme’ of ‘relationeel denken’. Echter, we kunnen denken wat we willen, maar ons denken blijkt, als mede-gelegenheidsoorzaak, niet of nauwelijks (meer) het corrigerende verschil te kunnen maken. Voedsel, water, energie, gezondheid: zij gaan als primaire voorwaardelijkheid aan het denken vooraf, en juist die staan nu onder toenemende druk, waarbij de kortetermijn prioriteit helaas steeds meer op de voorgrond zal komen te staan.
-
- Cultuurlijke innerlijke tegenstrijdigheid in een verhardende conditionering
De cultuurlijke sferen zijn inherent tegenstrijdig; ‘van onderop’ betekent kleinschaligheid, de problematiek is van planetaire schaal; en sturing van onderop is een tegenstrijdigheid in zichzelf. Waarmee ik niet gezegd wil hebben dat dergelijke lokale initiatieven niet zouden moeten plaatsvinden. Wat e.e.a. echter betreft op planetaire schaal is er een interessante link te leggen tussen het gedachtengoed van Clive Hamilton, Timothy Morton en taoïsme. Keuzevrijheid en ‘handelingsperspectief vanwege menselijk bewustzijn’ ontstaan niet als tegenpool van conditionaliteit, maar binnen conditionaliteit. Het kan er weer in verstarren.
Een verstarrende werking is gaande, het is aan de orde van de dag, we zitten er middenin, en het kan niet worden losgekoppeld van Antropocene ontwikkelingen waaronder toenemende migratiestromen – die deels weer mede veroorzaakt worden door Antropocene veranderingen en ontoereikend statelijk beleid in een inmiddels onontwarbare oorzaak-gevolg-kluwen. Menselijk leven introduceerde vrijheid - en bouwde vervolgens cultuurlijke systemen met alles erop en eraan, die nu opnieuw conditioneren tot en zodat er weer verstarring van vrijheid optreedt, zoals nu gaande is. De huidige verstarring kunnen we niet vergelijken met Holocene types daarvan. De huidige moesten we dus maar niet zien op een schaal van decennia of eeuwen, maar op veel langere tijdschalen. De unieke Antropocene kenmerken maken het tot betrekkelijk harde structurering met vaste patronen.
Dit zegt veel over de toekomst. De innerlijk tegenstrijdige cultuursferen of componenten strijden op alle fronten tegen elkaar. Die cultuurlijke innerlijke tegenstrijdigheid doet zich nu voor in een veel groter geheel, met een veel grotere macht van natuursferen die uit de coulissen zijn getreden en het podium zijn opgekomen. Timothy Morton spreekt wat dat betreft van hyperobjecten. Misschien kunnen we nog beter spreken van hyperprocessen. Het is één ontwarbare kluwen geworden waarbij oorzaak-gevolg relaties niet of nauwelijks nog zijn te ontwarren en waarbij we middenin hyperprocessen zitten op de grootste ruimtelijke schaal die voor de mens van betekenis is: de planetaire. Dit correspondeert met de term superorganisme. We maken er deel van uit en dit betekent dat we niet meer buiten het superorganisme kunnen denken. We kunnen we dat betreft spreken van een 'fenomenologische verharding' zoals Morton dat noemt. En we kunnen spreken van een 'materiële verharding' waarbij opties worden afgesloten, zoals Clive Hamilton dat benoemt. Vrijheid is zo op meerdere manieren, waaronder dus de materiële en de immateriële, gebonden aan verhardende conditionering.
Dit raakt aan het taoïsme (die weer correspondeert met de procesfilosofie van Whitehead). Alles draait om Dao (de Weg). Dit is het onderliggende proces van de werkelijkheid, ofwel primordialiteit bij Whitehead. De term ‘de Weg’ duidt op temporele subject-objectrelatie (door Dooyeweerd geduid). Het superorganisme waarvan we niet los te koppelen zijn is nu ‘de Weg’, en we kunnen er niet buiten kijken. Er is geen externe sturing, doelen en streven zijn immanent, en via de mens is er grofweg gezegd geen interne tegensturing meer mogelijk op het benodigde nivo. Dit zijn geen wetmatigheden in mechanistische zin, maar ook geen vrije wil: het is hybride, in hybride netwerken, zoals Latour dat duidt. Het is een zelf-ontvouwende orde waarbij er geen tegenstelling is tussen vrijheid en conditionaliteit, d.w.z. op het nivo van Dao.
Een sleutelbegrip binnen het taoïsme is Ziran (“van-zelf-zo-zijn”; bij Whitehead ‘wat in de aard der natuur gelegen is’). Dingen gebeuren zoals ze gebeuren, zonder opgelegde controle. Kosmisch-universeel is en blijft er altijd Dao: proces. Leven is ‘slechts’ deel van dat proces als een nichevorm – en daaraan te relateren en dus te relativeren. Taoïsme zou zeggen: ja, er is geen buiten, maar dat is geen probleem, het wordt pas problematisch als je het probeert te beheersen. Maar dat is nu uit-der-aard het Antropocene kernprobleem. Niet voor Dao, maar voor de mens. Of inclusiever: voor het aardse leven. De huidige verhardende conditionering is voor ons een afwijking van natuurlijke vloeiendheid. Dao zal noodzakelijkerwijs corrigerend moeten optreden: zij wordt daartoe gedwongen. Godt zelf is misschien een verschuivende verhouding van determinerende en vrije factoren. Dit zou het taoïsme vast beamen via het beeld van de rivier met zijn twee, of zelfs drie goddelijke functies: de stroom, de bedding, de rivier zelf. (Bij Whitehead heeft Godt twee functies.)
We zitten vast in hyperobjecten of -processen en we kunnen geen buitenpositie innemen, d.w.z. we kunnen er niet aan ontsnappen. De natuurcultuurverstrengeling is tegelijk een existentiële verstrengeling. We zitten er middenin. In het taoïsme zit vrijheid in meebewegen zonder weerstand. Vrijheid staat niet los van conditionering, maar wordt er al dan niet door verstard. Toenemende rigiditeit wordt nu het probleem. Dit brengt een spagaat met zich mee, ook een superspanning wanneer we convivialisme en commons willen aansturen. Is het convivialisme ook niet veel meer dan een oproep? De Commons-ideeën zijn wellicht wat praktischer, maar dan toch volgens mij niet toereikend voor de existentiële problematiek waar we in verkeren. Hooguit als kleinschalige adaptieve initiatieven, met daarbij, lijkt me, een scala aan idealistische denkbeelden die kunnen verlopen in een spectrum van realistisch-idealisme tot aan naïef-realisme.
Het Antropoceen zou kunnen gezien als een transformatie van vloeiende levensondersteunende conditionering (Dao) naar rigide gefixeerde levensafbrekende structuren op het gebied van leven. Ik bespeur dezelfde intuïtie bij het denken van Clive Hamilton en Timothy Morton.
In de aan de planetaire en existintiële schaal te relateren zin van vertragen&verzachten is het 'bij voorbaat niet kunnen uitsluiten' nooit een gelopen race.
-
- Bron- en gelegenheidsoorzaken in relatie tot natuurcultuurverstrengeling en tot de diepste geschiedenissen.
Sommigen binnen het Antropoceendebat zien uit de hand gelopen denkbeelden of paradigma’s als bepalende oorzaak voor de Antropocene ontwikkelingen. Het lijkt mij dat we denkbeelden, paradigma’s en overtuigingen, al dan niet vervreemd, moeten scharen onder de gelegenheidsoorzaken. Aan alle onderliggende paradigma’s of verhalen gaat iets of eigenlijk veel of eigenlijk alles vooraf, want in de keten van bronoorzaken veel bepalender is, en waarmee (pas) de hardnekkigheid van de trends kunnen worden geduid. Paradigma's zijn een aspect van het cultuurlijke en het cultuurlijke is ingebed in de primaire natuurlijke geschiedenis van Zelforganisatie, waarin ook het anorganische, voorafgaand aan alle leven, procesmatig gezien organisch van aard is. Waardoor je al het eruit voortgekomene leven - en vervolgens het weer daaruit voortgekomen cultuurlijke, kan zien als nicheconstructie of een voertuig van evolutie.
Je zou het cultuurlijke conceptueel kunnen onderscheiden naar aspecten die dicht bij de natuursferen liggen, (zoals het fysische, het biotische, het fysisch-biotische), en de aspecten die dichter bij het cultuurlijke liggen. Beide, de cultuurgerelateerde en de natuurgerelateerde zijnsaspecten maken deel uitmaken van ons Betekenissenweb.
De miljoenen jaren bronoorzakelijkheidsketen richting Antropoceen is zelf ook weer ingebed in Eeuwige-History, ons-Heelal-History, aardse-Big-History, menselijke-Deep-History. D.w.z. in energetisch-temporele evolutionaire structuren, waarvan de radicaal fundamentele primordiale laag onverwoestbaar is. Van dit totaal-complex zou je kunnen zeggen dat het kernkantelpunt of kerntijdperk van het Antropoceen al in het verleden ligt. Dat lijkt mij het meest logische.
-
- Pogingen tot analyse van het Antropoceendebat zelf.
Er bestaan binnen het Antropoceendebat in bredere zin minstens twee richtingen: de beschrijvende of descriptieve en de voorschrijvende of normatieve. De voorschrijvende (normatieve) benadering gaat een stap verder dan de beschrijvende en stelt vragen over wat we zouden moeten doen. Dit heeft dan betrekking op verantwoordelijkheid, reactiemogelijkheden van individuen en samenlevingen, ethische en politieke keuzes.
De beschrijvende richting binnen het Antropoceendebat kan niet enkel puur wetenschappelijk zijn. Het is ook interpretatie van de werkelijkheid en er zijn meerdere interpretaties mogelijk, terugkijkend en vooruitkijkend, meer of minder speculatief, bijvoorbeeld betrekking hebbend op de diepe oorzakelijkheidsketen. Het draait ook om betekenis en gaat daarmee voorbij aan de fysica, dus meta-fysica.
Sommigen vinden die scheiding kennelijk wat kunstmatig, omdat feiten en waarden in het Antropoceendebat vaak door elkaar lopen. Persoonlijk lijkt het mij wel goed om toch wel te proberen e.e.a. analytisch uiteen te rafelen, al was het maar om iets meer helderheid te krijgen over communicatieve strubbelingen. En ook om een gevoel of intuïtie te krijgen welke normatieve opties nog haalbaar zijn. Waarbij normatieve opties weer kunnen uitgesplitst naar het planetaire nivo en naar het lokale nivo.
We kunnen niet verwachten dat we het over de beschrijvende kant eens zijn: het blijft interpretatie, met proto-wetenschappelijke kenmerken. Wat is de betekenis van de feiten? Toch houdt het Antropoceen ons een spiegel voor. En de vraag wordt dan: hoe kunnen we zo goed mogelijk in die spiegel kijken? Dan hebben we het over een methodiek, en wellicht kan die methodiek nog zo goed mogelijk ontwikkeld worden, hoewel het Antropoceen geen platte statische spiegel is. Soms is ie bol dan wel hol, hij verschuift van plaats, hij wordt groter dan wel kleiner. Groter qua overmacht, kleiner qua venster van mogelijkheden, zou ik zo denken.
Het debat is conceptueel, hetgeen betekent dat er voorstellingsvermogen aan te pas moet komen, en dat is deels een persoonlijke, ook karakterologische kwestie, met vast een range aan variaties. Het debat loopt tegen communicatieve misverstanden op omdat onze beeldtaal en onze begrippen veelal Holoceen gerelateerd zijn, en er zal aan begripsvorming moeten worden gedaan, met deels een nieuwe beeld- en woordtaal. Maar nieuwe begrippen moeten indalen en dat gaat ook niet bij iedereen op de zelfde manier en op hetzelfde moment. Een zwakke of vage conceptualisering leidt direct tot verwarrende communicatie en misleidende normatieve conclusies. Maar de realiteit is dat dat allemaal speelt. En dat dat logisch is heeft te maken met de unieke kenmerken van het Antropoceen.
Het normatieve kan dan weer geanalyseerd worden naar de conceptuele analytische theoretische kant en naar de praktische uitvoerende kant. De normatieve praktische keuzes moeten niet op een te smalle of vertekende basis rusten, zodoende is dat vervolgens weer te onderscheiden naar naïef en realistische normativiteit of idealisme.
Er is veel ongemakkelijks aan de hand binnen het debat, waaronder: het kan zo zijn dat een zo goed mogelijke beschrijving, (die kijkt naar ‘diepe oorzakelijkheid’), betekent dat er geen haalbare richtingen meer zijn op planetair niveau. Het kan ook tot de conclusie leiden dat het kernkantel’punt’ in wezen al in het verleden ligt.
Dat heeft een paar belangrijke implicaties die we terugzien in het debat. Bijvoorbeeld een botsing tussen waarheid en haalbaarheid. Dan ontstaat er een spanning tussen het noodzakelijke en het haalbare. Een ander ongemak is het feit dat( politieke) instituties zelf inmiddels onderdeel van het probleem zijn, in plaats van onderdeel van de oplossing. Dit maakt de zaken tragisch. En maakt de reacties op de tragiek tot een range van dat onder ogen zien tot ontkenning. Er ontstaan in dat geval grofweg vier reacties: pragmatisch (handelen binnen het haalbare (incrementalisme); radicaal (inzetten op systeemverandering, ondanks lage kans van slagen); adaptief (focus op omgaan met onvermijdelijke schade; fatalistisch (twijfel of normatieve sturing nog zinvol is). De spanningsopbouw is naast praktisch ook conceptueel, omdat de mens nu eenmaal behept is met voorstellingsvermogen door onze unieke excentrische positionaliteit, zoals door Helmuth Plessner geduid.
-
- Het gedachtengoed van Marten Scheffer en verstrengelde processen.
In het denkgoed van Marten Scheffer over complexe systemen, veranderen systemen vaak niet geleidelijk, maar kunnen plotseling omslaan. Een systeem kan lang standhouden, maar bij een kleine extra belasting ineens omslaan. Kleine veranderingen kunnen grote gevolgen hebben als een systeem kwetsbaar is. Dit doorbreekt Holocene ideeën omtrent natuurlijk evenwicht. Een centraal begrip in zijn werk is veerkracht: het vermogen van een systeem om verstoringen op te vangen. Naarmate een systeem richting een kantelpunt gaat neemt die veerkracht af en herstelt het systeem trager van verstoringen. Je kunt dus soms waarschuwingssignalen zien vóór een omslag.
Scheffer ziet natuur (en samenleving) als een netwerken van onderlinge afhankelijkheden waar feedbacks en niet-lineaire effecten belangrijk zijn. Dit betekent dat oorzaak en gevolg vaak niet simpel lineair zijn. Kleine triggers kunnen grote systeemveranderingen veroorzaken. Zijn waarnemingen zijn binnen het ecologische veld van natuurlijke systemen. Hoewel hij wetenschapper is, heeft zijn werk ook een boodschap: we ondermijnen de veerkracht van de aarde (klimaat, biodiversiteit), daardoor vergroten we het risico op abrupte veranderingen, ingrijpen is nodig om negatieve kantelpunten te voorkomen.
De vraag is nu of zijn waarnemingen en denken inderdaad ook toegepast kan worden op cultuurlijke, maatschappelijke, sociale systemen. Hij betoogt dat ook de wereld als geheel richting kantelpunten kan bewegen, maar óók positief kan omslaan als we ingrijpen. Als we ingrijpen – een voorwaardelijkheid dus. We kunnen zien dat daar waar we dat tot nu toe gedaan hebben, dit ingrijpen ruimschoots onvoldoende is op planetair integraal niveau.
Mogelijk hebben de cultuurlijke, maatschappelijke, sociale systemen in het Holoceen wel, maar in de actualiteit van het Antropoceen niet meer abrupte omslagpunten in positieve richting. Dit heeft te maken met specifieke kenmerken van het Antropoceen en met twee specifieke kenmerken van de mens. Het Antropoceen is natuurcultuur-verstrengeld en verkeerd in toenemende overshoot. De mens is, zoals Helmuth Plessner duidelijk maakt, een wezen met niet alleen een centrische maar ook een excentrische positionaliteit, waardoor én de mens geen mens is zonder kunstmatig-van-nature te zijn (hij moet zich aanvullen om volledig mens te zijn) én waardoor de mens ambivalent-van-nature is.
Al die Antropocene en menskenmerken komen nu samen. Je zou kunnen zeggen: als hyperproces, als superorganisme. Het is dus niet zonder meer logisch te denken dat systemen binnen het natuurlijke te vergelijken zijn met systemen die zich nu vertonen als een zeer dissipitatief en ambivalent hyperproces. Je zou kunnen zeggen: het kunstmatig-moeten-zijn-van-nature en het ambivalent-zijn-van-nature is het natuurlijke binnengedrongen op planetair niveau.
Gekoppeld aan het idee van fysiek-biotische bronoorzaken, waardoor de oorzaken al liggen in de pré-cultuurlijke evolutionaire ontwikkelingen van miljoenen jaren geleden, (die het cultuurlijke mogelijk hebben gemaakt) hebben we te nu te maken met een systeem van een andere orde dan (deel)systemen binnen het ecologische.
Scheffer laat zien dat abrupte omslagen mogelijk zijn, maar er zijn op z’n minst twee vragen bij te plaatsen: hoe universeel toepasbaar is het? En als het nog van toepassing is op cultuurlijk-maatschappelijk-sociale systemen, kan het dan toch nog in twee richtingen gaan? Het lijkt me niet onlogisch te denken dat het niet meer in positieve zin mogelijk is:
- gezien de al decennialange sterke trends en
- gezien de stand van zaken van de overshoot en
- gezien de actuele ontwikkelingen waarbij cultuurlijke krachtenvelden inherent tegenstrijdig aan elkaar blijken te zijn en
- gezien dat die tegenstrijdigheid in toenemende mate leidt tot een machtsbalans in verkeerde richting naar uit-evenwicht en
- gezien het feit dat signalen tot positieve omslag, hoewel sympathiek en te ondersteunen, nog geen deuk in een pakje boter slaan.
Vanuit het gedachtengoed van Dooyeweerd valt er ook nog wel een opmerking te plaatsen waarom systemen en systeemdenken niet exact hetzelfde is als procesfilosofie. Dat heeft te maken met de subject-object relatie. Het is beide theorie, maar in de praktijk loopt systeemdenken het gevaar, of blijkt gewoon, dat zij vooral objectiverend bezig is. Terwijl er in feite alleen maar sprake kan zijn van onlosmakelijk gekoppelde subject-objectrelatie. En in de actuele natuurcultuurverstrengelde sferen zou je kunnen zeggen dat dat des te meer geldt. Hierdoor zijn buiten onszelf gedachte systemen zoals ecosystemen er eigenlijk niet (meer).
Ook dit maakt de ideeën omtrent kantelpunten in het integraal holistische proces vanuit het procesdenken mogelijk toch net even anders dan de ideeën vanuit systeemwetenschap. Systeemdenken, met het denken over abrupte omslagen en over veerkracht is een nuttig concept maar we kunnen dat niet 1 op 1 vertalen naar wat er nu gaande is. Er zijn dusdanige verschillen tussen de geobjectiveerde natuurlijke sferen en de subject-object-natuur-cultuurlijke sferen, dat Scheffers theorie wel van toepassing kan zijn op ecosystemen maar niet of minder op de actueel gaande s-o-n-c-sferen.
Waar kunnen o.a. de verschillen liggen? Ecosystemen hebben geen intentie of bewustzijn, gedrag wordt bepaald door biologische interacties en fysische wetten. Het blijft dus bij de eerdere aspecten, terwijl de s-o-c-n-verstrengeling ook gekenmerkt worden door alle Dooyeweerdse aspecten die daarbovenop komen (evolutionair gezien er bovenop en daardoor de latere aspecten genoemd door Dooyeweerd). Mensen kunnen anticiperen, regels veranderen en technologie inzetten. Maar daar zijn grenzen aan, waar we nu mee geconfronteerd worden. Normativiteit werd altijd gezien als een moreel-ethisch structuurelement binnen de cultuurlijke sferen. Het zou ons gedrag leiden. Je zou kunnen zeggen: het normatieve komt niet meer uit de cultuurlijke sferen, die normen worden nu gesteld door de s-o-c-n-sferen. Hierdoor worden samenlevingen reactief en rigide door de conditionerende werking van het genoemde hyperprocesmatige sferencomplex.
Een ander verschil zou kunnen zijn: stabiliteit is anders van aard. Bij ecosystemen komt stabiliteit voort uit ecologische feedbacks. Bij samenlevingen komt stabiliteit komt voort uit instituties, normen, macht, economie. M.a.w. de context is heel anders. Kantelpunten bestaan vast óók in samenlevingen, zoals ook Timothy Lenton laat zien, waardoor ook het gegeven dat de meeste cultuurlijke systemen gebaseerd zijn op vertrouwen, plotseling kunnen instorten, zoals het financiële systeem. Dat kantelgedrag is nauwelijks voorspelbaar, maar we kunnen het wel koppelen aan de wereldwijde toenemende schuldenberg (nu rap toenemend, absoluut gezien (door bv. de wapenwedloop) en relatief gezien, gerelateerd aan in de nabije toekomst afnemend BBP door de energiecrisis met alles erop en eraan.
Dit maakt dergelijke cultuurlijke systemen juist gevoeliger voor zelfversterkende dynamiek zoals hypes en paniek. Overheden zouden kunnen ingrijpen, door banken te redden (wederom) en door geld te injecteren, maar laten we dat ook maar koppelen aan de enorm toegenomen wereldwijde schuldenberg en toenemende uitgaven aan wapenwedloop. Wat dat betreft zouden we best wel vroegtijdige signalen kunnen zien van flikkeringen.
Een ander verschil is dat kantelpunten in de natuur structureel van aard zijn en in de samenleving veel meer contingent, afhankelijk van keuzes, interpretaties en samenloop van omstandigheden. Maar zoals gezegd: we kunnen de zaken niet meer scheiden in de subject-object-natuur-cultuur-verstrengelde-sferen, met toenemende overshoot.
Klimaatbeleid kan vertraagd worden door lobby en politiek en dat is wat we nu actueel zien gebeuren door de escalerende oorlog in de huidige complexe geopolitieke context. Wopke probeert dit nog zo goed mogelijk te verkopen, zoals we hem kennen. Evenals Rutte. Een ecosysteem kan zichzelf meestal niet redden via beleid. Zij is afhankelijk van exogene factoren en dan met name de mens en dat gaat nog steeds alleen maar in 1 richting, helaas. Alles is nu extreem afhankelijk van toeval, leiderschap en communicatie. Maar het toeval beweegt zich binnen grenzen van toenemende risico’s op escalatie.
Nog een ander verschil is dat in ecosystemen de dynamiek de uitkomst bepaalt en dat in samenlevingen de interpretatie van de dynamiek mede de uitkomst bepaalt. Dat heeft dan weer te maken met het verschil in enkel centrische en centrisch/excentrische positionaliteit. Behalve vertrouwen is ook legitimiteit een item. En AI versterkt nu bepaalde negatieve dynamiek zoals extreme ongelijkheid en monopolievorming.
In deze samenhang ontstaan grote risico’s op escalerende kantelpunten in een cascade van onderling versterkende omslagen. Waar Marten Scheffer kantelpunten ziet in de natuur,
zien we nu in de integrale samenhang van verstrengelde kantelprocessen een enorme mensonmogelijke? problematiek t.a.v. menselijke bijsturingsmogelijkheden en samenwerkingspotentieel – zelfs als die potentialiteiten zouden toenemen zegt dat nog lang niet dat dat afdoende kan zijn in onze existentieel uiterst penibele positie.
-
- De blik gericht op toenemend maatschappelijk wantrouwen richting establishment en instituties inclusief wetenschap.
Er is volgens mij best wel een zodanige tendens te bespeuren in de maatschappij. We hoeven alleen maar het nieuws en de beschouwingen daarop te volgen. Ook kunnen we dit concluderen als we dit betrekken op recente, praktijk-getoetste, Antropoceengerelateerde theorie vanuit de wetenschappen.
Het beeld is vast gemengd, maar we zien meer scepsis. Afwijkende en extreme standpunten verspreiden zich sneller en dat maakt anti-establishment, inclusief anti-wetenschappelijke ideeën zichtbaarder dan vroeger. Onderwerpen zoals klimaatverandering, vaccinatie en AI zijn gepolitiseerd geraakt. In sommige groepen is scepsis onderdeel van de identiteit geworden. Politieke spanningen, ongelijkheid, pandemieën en schandalen zoals het toeslagenschandaal en ‘Groninger-gas’ werken ondermijnend.
Het beeld is zoals gezegd vast gemengd want er is ook een tegenbeweging. De meerderheid vertrouwt wetenschap sterk, populariteit van wetenschapsprogramma’s en documentaires neemt toe. Maar we zullen moeten letten op de onderliggende dynamiek en tendens. Wat dat betreft gaat het ook om identiteit en groepsgevoel, angst, onzekerheid. En om het gegeven dat het concentratie- en leesvermogen afnemend is of schijnt te zijn. Verantwoorde niet-populistische wetenschapscommunicatie vereist een bepaalde concentratieboog en leesvaardigheid.
Er is een voedingsbodem naar toenemend wantrouwen. Vertrouwen in instituties zoals overheid en media is de afgelopen jaren merkbaar gedaald. Vooral sinds de pandemie daalde het vertrouwen sterker. We moeten ons dus baseren op recente actuele onderzoeken, waarin ook het wereldwijde actuele ‘Trumpisme’ in wordt meegenomen. Die onderzoeken spreken vaak van een vertrouwenscrisis en het verdwijnen van een gedeelde werkelijkheid. Wetenschappers worden vaker geframed als ‘elite’ en kennis als ‘mening. Dit alles vergroot precies de voedingsbodem voor anti-establishment, anti-eleite, anti-instituties en anti-wetenschappelijke houdingen.
Er is sprake van economische druk in een snel veranderende informatie-omgeving, en polarisatie, Mensen leven meer in gescheiden ‘informatie-werelden’. Populistische retoriek zet ‘het volk tegenover ’de elite’’, inclusief wetenschap. Het vertrouwen in de politiek schijnt sterker te dalen dan in de rechtspraak, wetenschap en lokale instituties. Maar er zijn ook conflicten zichtbaar tussen politiek en rechtspraak, en tussen bestuurslagen onderling.
Er is daarentegen ook sprake van juist toenemend vertrouwen, zoals bijvoorbeeld in de EU. Dat heeft te maken met de externe geopolitieke bedreigingen sinds 2014 door Rusland. We kunnen dus spreken van een selectieve erosie. Mensen keren zich tegen elites en machtssystemen en het is maar net wat daarvan al dan niet als onderdeel wordt gezien. We zien de voedingsbodem groeien, met meer wantrouwen, polarisatie en fragmentatie, maar het is een ‘per saldo’. We zitten in een tijdperk van fragiel en gefragmenteerd vertrouwen. Nederland is wat dat betreft interessant omdat de verschuiving niet extreem maar subtiel is.
Er is een groeiende kloof tussen groepen, niet iedereen beweegt dezelfde kant op. Het signaal is ook dat er sterkere en zichtbaardere tegenbewegingen opkomen. Maar, dat draagt tegelijk bij aan toenemende polarisatie. De ‘andere kant’ (ongehoord Nederland) associeert daarbij wetenschap met die al dan niet activistische tegenbewegingen. En politiseren de wetenschap als één van meerdere perspectieven.
De komende 10–20 jaar zou wel eens én minder én een ander soort vertrouwen met zich mee kunnen brengen. Door AI en digitale media verschuift de vraag van “Is dit waar?” naar “Wie (of wat) vertrouw ik?” Met als gevolg dat waarheid minder objectief wordt beleefd, dat er in mindere mate een gedeelde werkelijkheid is en dat vertrouwen persoonlijker wordt en meer identitair naar de eigen informatiebubbel, waardoor gefragmenteerd vertrouwen ontstaat. De wetenschappelijke wereld zal dit merken aan minder universeel, dus meer betwiste status en autoriteit. De vroege signalen hiervan zijn er en het zal worden versterkt door Antropoceen gerelateerde spanningsopbouw. Het gaat niet alleen om “heb ik het goed?”, maar ook om “word ik eerlijk behandeld?” en “wat is mijn toekomstperspectief?” De toekomst van vertrouwen gaat waarschijnlijk niet draaien om betere wetenschap en meer feiten. Het is veel meer identitair, met irrationele logica.
De Antropocene ontwikkelingen spelen zoals gezegd een grote en nog vaak onderschatte rol. Ze kunnen door de scherpe keuzes die al dan niet zullen gemaakt, de onderliggende voedingsbodem en motor worden van toenemend wantrouwen en fragmentatie. Het zijn geen abstracte problemen meer, maar ze vertalen zich in concrete schaarste en beperkingen. De overheid zal moeten prioriteren en keuzes afdwingen. Daar zullen verliezers bij zitten, en dat zijn geen losse individuen maar hele groepen die zich benadeeld zullen voelen. Wetenschap, met zijn modellen en experts, worden onderdeel van het conflict omdat ze niet meer als neutraal worden gezien. Wetenschap wordt politiek.
Daardoor wordt wetenschappelijke kennis betwist, niet omdat die fout is, maar omdat de gevolgen pijnlijk zijn. Antropocene overshoot-dynamieken zijn geen achtergrondfactor meer. Hoe harder de grenzen van de planeet voelbaar worden, hoe politieker wetenschap wordt en hoe kwetsbaarder het vertrouwen in instituties zal worden.
We krijgen te maken met ongelijke verdeling van kosten, complexe, moeilijk uitlegbare wetenschap en langetermijn doelen tegenover kortetermijn pijn. Een perfecte voedingsbodem voor wantrouwen, lijkt mij. Dat wil niet zeggen dat mensen zich verzetten tegen wetenschap zelf, maar tegen wat die wetenschap betekent voor hun leven. Vanwege de dynamiek van snelle veranderingen lijkt het me niet zo zinvol om dit te zien in een benchmark, met de vraag welke landen doen het beter en welke landen doen het slechter. De landen die het slechter doen omdat ze al kwetsbaarder zijn, kunnen wellicht beter worden gezien als vroege signalen van welke kant het opgaat voor ook de andere landen. We kunnen er denk ik beter trendmatig naar kijken.
Er zijn mensen die geen voorkeur hebben voor een top-down aanpak, maar voor een participatieve aanpak. Daar is wat voor te zeggen, om draagvlak te creëren, maar dat kost wellicht teveel tijd die we niet hebben. Transparante en zorgvuldige communicatie vanuit de politiek zal gepaard moeten gaan met een eerlijke verdeling van de pijn. De vraag is hoe realistisch dat is. Een zo goed mogelijke verdeling hoeft nog niet als zodanig te worden ervaren vanwege de per definitie aanwezige belangentegenstellingen in relatie met allerlei identitaire informatiebubbels.
We mogen verwachten dat conflictlijnen zullen blijven groeien. Welke sleutels liggen er? Aan welke knoppen valt te draaien? We hebben het volgens mij toch best wel over breuklijnen tussen landelijk tegenover stedelijk, hoog opgeleid tegenover laagopgeleid, onderklasse tegenover ervaren bovenklasse, met ook een energie-/woning-/asiel-/landbouw-/stikstof-/defensie-/grondschaarste-/financiëel-economische-/ en noem maar op-/ natuurcultuurverstrengelde last.
Wellicht zijn dit ook kwesties voor de EGU-bijeenkomsten van de aardwetenschappers. Zie toelichting 10.
- Gelezen op EGU, de bijeenkomsten van de aardwetenschappers begin mei 2026: “Navigeren door het Antropoceen naar leefbaarheid: een koppeling tussen onderzoek naar processen in het aardesysteem en maatschappelijke dynamiek, waarden en beleid”. Hierbij een aantal opmerkingen.
Het doel lijkt mij te zijn om te begrijpen hoe we naar een leefbare en duurzame toekomst kunnen navigeren, met de nadruk op onderlinge verbanden. Dit roept vragen op, zoals: wat is een leefbare wereld in het besef dat deze minder leefbaar aan het worden is? Hoe werkt die minder wordende leefbaarheid, ofwel die spanningsopbouw door op de dynamiek van ongelijkheid, rechtvaardigheid, conflicten, schaarste aan essentiële middelen (grondstoffen, water, voedsel)?
Het gaat over feiten, waarden en keuzes in hun samenhang. Daarbij kan je verschillende benaderingen betrachten die vervolgens weer overkoepelend (transdisciplinair) kunnen worden bekeken: Beschrijvend naar wat er gebeurt; Verklarend naar waarom gebeurt het?; Normatief/ethisch naar wat er zou moeten gebeuren. Wat betreft overkoepeling is het de vraag: in hoeverre kun je alle kennisvelden (dus ook de proto-wetenschappelijke) daarin meenemen? Hoe kan je de proto-wetenschappelijke ervaringskennis theoretisch-methodisch maken? Dan kom je wellicht op het terrein van de wijsbegeerte. Met als bijkomende problematiek: dan kom je ook op het terrein van onderliggende overtuigingen die die wijsbegeerte sturen. (Dooyeweerd noemt dit de grondmotieven en hij herkent er vier in de westerse denkgeschiedenis). Je zou de ‘Holocene’ wijsbegeerte voor zover mogelijk kunnen toespitsen naar de typisch Antropocene kenmerken van verandering.
In de westerse denkgeschiedenis zijn er twee hoofdstromingen te onderscheiden: de statisch-dualistische en de dynamisch-procesmatige. Uiteraard geeft het Antropoceen te kennen dat het de laatste is die aansluit op de huidige veranderingen.
De spanning is dat beleid en interventies cruciaal maar uiterst moeilijk blijken te zijn. Ze worden tegengewerkt door de actuele ontwikkelingen. Hier zou ook de dynamiek en haar richting van kunnen worden opgespoord want het zijn geen constante grootheden.
Deze dynamiek is te relateren aan de focus op preventieve interventies en duurzaamheidstransformaties met systemische veranderingen i.p.v. kleine aanpassingen. Is hier (absolute en relatieve) voortgang of achteruitgang geboekt op het terrein van bestuur, beleid en de samenwerking tussen wetenschap en samenleving? Is er een soort van contrast te bespeuren tussen de wetenschappelijke gemeenschap en de samenleving waar ook naar gekeken moet worden? Contrast in de zin van ‘links’ en ‘rechts’, woke en anti-woke, verandering van vertrouwen/wantrouwen in de wetenschap, afstand dan wel toename tussen wetenschappelijk veld en samenleving, een ander taalveld?.
Het beeld zal vast gemengd en complex zijn, maar het lijkt me wel relevant. Als je de reacties leest op de klimaatartikelen van bijvoorbeeld NU.nl, dan kan je er ook een beetje een gevoel bij krijgen. Er is aan te zien dat er best wel een spanning heerst, die ook te maken heeft met het gevoel van afnemende bestaanszekerheid, toenemende frustratie en wantrouwen en ‘waarom moeten wij ons geld daaraan weggooien’ en ‘kijk eens naar China, India, VS wat ze daar allemaal wel niet uitstoten’. Het gaat over niet te onderschatten weerstand van een niet onbelangrijk en volgens mij groeiend deel van de bevolking (kiezers, consumenten), onder een regiem van (gevoel van) armoede, ongelijkheid, migratie-instroom, woningnood, benauwende, beangstigende vooruitzichten. Die beangstigende vooruitzichten, het beeld daaromtrent is zeer complex, want we zien dat er twee tegengestelde hoofdstromen zijn. De reactionaire conservatieven willen conserveren wat ze hebben en precies daardoor wordt datgene veroorzaakt wat ze vrezen. Dit relateert en relativeert kennis en inzicht. Deze onderbuik blijkt een toenemende kracht te zijn als we goed om ons heen kijken.
Dit kan gezien worden binnen de mens–aarde interacties, als een steeds minder in de greep krijgende, onontwaarbare natuurcultuurverstrengelde netwerkknoop.
De vraag is ook hoe kennis effectief gedeeld kan worden zonder mensen hun hoop te laten verliezen. Dit lijkt me een enorm spanningsveld voor wetenschapscommunicatie. Er is ook pseudo-wetenschapscommunicatie, zoals die van Simon Roozendaal in EW, die zich wetenschapsjournalist durft te noemen. Hij doet niet anders dan bagatelliseren en dat spreekt kennelijk een hoop mensen aan. We zullen de rol van social-media tegenover afnemend lezen van dieper gravende artikelen in de kwesties moeten betrekken, ook omdat social-media volgens mij een ondermijnend effect heeft op concentratie en het herlezen van zinnen en het reflecteringsvermogen op tekst.
Als het doel van dit EGU-evenement is om kennis, beleid en communicatie te integreren om een duurzame en rechtvaardige toekomst mogelijk te maken. Dan zijn dat twee doelen: 1. kennis, beleid en communicatie integreren en 2. een duurzame en rechtvaardige toekomst mogelijk te maken.
Het eerste hoeft nog niet te leiden tot het tweede. Het kan ook zo zijn dat het eerste wel mogelijk is, maar het tweede niet op het planetaire schaalniveau. Het is toch het planetaire niveau dat bepalend is, ondanks dat de koppeling tussen 1. en 2. op lokaal niveau best wel bevorderd en hier en daar gerealiseerd zal kunnen worden. Misschien zou zelfs kunnen blijken dat dat laatste het hoogst haalbare is en dat dat ook wel vertragend kan werken op het planetaire niveau.
De vraag waar naar gekeken zal moeten worden is hoe realistisch e.e.a. is gezien de massieve veranderingen in negatieve richting van de laatste 70 jaren. Hoe realistisch moeten we het inschatten? Misschien is het slechts realistisch onder specifieke bepalende voorwaarden, zodat die specifieke voorwaarden zelf grondig onderzocht moeten worden, inclusief het volgen van de dynamische trendmatigheden daarbij. Maar dat zal vast niet zo makkelijk binnen het meetbare vallen. Hoe kan je kwaliteit meten? Wellicht kan je wel methodes ontwikkelen om de verandering in kwaliteit te volgen. Het gaat niet om een benchmarkvergelijking, maar om temporele vergelijkingen.
Hoe kunnen (economische, politieke) systemen veranderen wanneer er lock-in structuren en patronen te bespeuren zijn? In hoeverre kan een (al dan niet emergente) versnelling in de technologische verandering plaatsvinden? Wanneer emergent, dan is het gebaseerd op hoop. Wanneer forcering van versnelling, dan zal er waarschijnlijk ook een versnelling optreden in ongewenste effecten op het gebied van benodigde grondstoffen, met een toenemend dissipatief effect en toenemende geopolitieke spanning. En maatschappelijke weerstand. Hernieuwbare energie wordt weliswaar snel goedkoper, maar het is slechts tijdelijk duurzaam. Er zal dan toch een ‘eeuwige’ vervanging moeten plaatsvinden en hoe doen we dat zo circulair mogelijk?
Een andere vraag is of maatschappelijke transities nog op tijd plaats kunnen vinden. Te ontleden naar twee componenten: hoe snel gaan de Antropocene veranderingen, hoe snel kunnen maatschappelijke (deliberatieve? van onderop?) veranderingen plaatsvinden?
We kunnen het vast wel eens zijn over het gegeven dat een toereikend duurzame en rechtvaardige wereld er op korte termijn niet in zit. Dan zou het accent moeten liggen op pogingen tot verbetering en afremming van schade, ofwel verzachten en vertragen. Dat zal altijd een realistisch traject blijven. De toekomst is paradoxaal: verandering in verslechterende richting wordt waarschijnlijker, maar ook chaotischer, ongelijker en minder voorspelbaar. Vertraging van de opwarming door middel van een versnelling van de energietransitie kan een versnelling op andere overshootgebieden teweeg brengen.
We zien dat betere kennis en betere communicatie niet (zonder meer) leidt tot betere beslissingen. Kennis is ongelijk aan actie. De EGU lijkt mij een academisch gremium, met een hoog abstraherend gehalte, progressief-idealistisch, hoewel niet naïef. Maar zou dit ook niet een beperking kunnen zijn van veel academische benaderingen? Daarom is het ook goed dat aardwetenschapper Sjoerd Kluiving van de VU het initiatief heeft genomen om burgers erin te betrekken. Waarbij ook dat weer zo realistisch mogelijk zal moeten worden bekeken.
- Spanningsopbouw door de wereldwijde systeemcrisis
““Wereldwijd is een miljard mensen - ongeveer 1 op de 8 - op de vlucht voor oorlog of uitzichtloosheid, of gewoon op zoek naar meer kansen op werk en een beter leven. Deze grote groep mensen wordt sinds de huidige geopolitieke spanningen geconfronteerd met “steeds grotere uitdagingen”, zegt de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).” (eind maart 2026)
Een miljard, laten we dat eens goed tot ons doordringen. Wat gerekend wordt tot het ontwikkelde, westerse, blanke, Global-North deel van de wereld is ook ongeveer 1 miljard mensen. En die andere miljard die op de vlucht zijn, behoren daar over het algemeen niet toe. Dan gaat het om ongeveer 1 op de 7 mensen uit het niet-westerse Global-South deel van de wereld. En in de meest kwetsbare delen daarvan, (eilandstaten, grote delen van Afrika, Midden-Amerika, delen van Zuid-Amerika, grote delen van Zuid-Azië) zal het dan gaan om een nog groter deel van de bevolking.
Het artikel gaat over de wereldwijde toenemende aantallen migranten die steeds kwetsbaarder worden, terwijl gezondheidszorgsystemen en internationale steun tekortschieten om hier adequaat op te reageren. Er is gebrek aan internationale steun. Slechts 23% van benodigde UNHCR-financiering werd gehaald. Dit heeft een voorspellende werking, gezien de Antropocene dynamiek met toenemende systeemdruk. De onderliggende factoren versterken elkaar waardoor er een stapeling plaatsvindt van crises.
We kunnen een sterke toename van klimaatmigratie verwachten. Gezondheids- en andere systemen raken structureel overbelast. Anti-migratiegevoelens en sociale spanningen nemen verder toe. Het beleid wordt strenger en onmenselijker. Naarmate het Antropoceen vordert wordt klimaat de dominante migratiefactor. Grote delen van de wereld worden moeilijk leefbaar, migranten trekken naar steden in plaats van naar andere landen met een snelle groei van sloppenwijken met beperkte voorzieningen, waardoor nieuwe gezondheidsrisico’s. Migratie zal meer in de illegaliteit plaatsvinden, het werkt als een conflictversterker. Het is geen tijdelijke crisis. Het werkt als voedingsbodem. De Antropocene bedding verschuift. Dit kunnen we zien als een verhardende conditionering. De toekomst zal geen verenigde wereld worden met mooie paasvooruitzichten.
Het meest waarschijnlijke scenario lijkt mij een schoksgewijze, plaatselijke ontwrichting, te zijn, met infecterende werking naar andere regio’s, waarbij kantelpunten in het klimaatsysteem versterkend zullen werken, zodat plaatselijke ontwrichtingen zullen leiden tot planetaire systemische ontwrichtingen. Dit achteruit kachelen kunnen we nu al best wel zien.
In de zogenaamde ‘rijke’ landen is er sprake van een toenemende druk op de levensstandaard en overbelasting van publieke systemen, waarbij de geopolitiek de macht doet verschuiven. Er komt langdurige druk op economieën, door vergrijzing en zorgkosten. Welvaart concentreert zich bij kleinere groepen, mensen ervaren verlies van zekerheid en stabiliteit. Dit werkt door naar de politiek in rigide richting, met autocratiseringstendensen. Dit werkt vervolgens weer ondermijnende op klimaatactie. De effecten zullen wereldwijd zijn, het wordt een zichzelf versterkend proces. Klimaatstress zal politieke instabiliteit versterken met zwakke instituties, waardoor er in toenemende mate nauwelijks structureel klimaatbeleid mogelijk is.
Europa is de plek waar fragmentatie, druk op welvaart, immigratie, politieke verschuivingen én klimaatversoepelingen samenkomen. De druk om klimaat- en ecodoelen af te zwakken of flexibeler te maken is enorm, en dat heeft ook te maken met het onafhankelijker moeten worden vanwege de recente geopolitieke ontwikkelingen. Er is vrees voor verlies van concurrentiekracht, waarbij klimaatbeleid wordt afgewogen tegen economische stabiliteit. Er is een groei van populistische en nationalistische partijen. Europa speelde voorheen de rol van kartrekker op klimaatgebied, maar nu niet meer, met ook een effect op afnemende klimaatambities van andere landen.
De Antropocene multimegacrisis is een natuurcultuurverstrengelde crisis met zelfversterkende effecten. Team Lennart zou hun droom kunnen verrijken met dit inzicht. Wat is er nu mooier dan zelfversterkende effecten? Wat is er nu mooier dan een innige natuurcultuurverstrengeling?
- Gelezen op egu26.eu/session/57599 ITS2.8/NH13.12 “Het overbruggen van de kloof tussen natuurwetenschappen en sociale wetenschappen om maatschappelijke reacties op extreme weersomstandigheden te bestuderen.”
Gewezen wordt op de noodzaak van interdisciplinaire samenwerking, gericht op theoretische en methodologische vooruitgang. Het lijkt me dat dit op z’n minst betrokken moet worden op de natuurcultuur-verstrengeling. Wellicht heeft ‘interdisciplinair’ nog iets anders nodig: transdisciplinair, een overkoepeling van natuur- en sociale wetenschappen, waar ook ons paper op wijst. En wellicht nog meer dan dat: ook proto- en pré-wetenschappelijke kennis.
Het lijkt me dan ook gewenst om wetenschapsfilosofie (w.o. techniekfilosofie), procesfilosofie, metafysica en wijsbegeerte een rol te laten spelen. Filosofie kan kaders aandragen. Interdisciplinair werk stuit vaak op verschillen in aannames, waarden en methoden tussen disciplines. Filosofie kan helpen om onderliggende aannames expliciet te maken; conceptuele helderheid te creëren: bijvoorbeeld wat we bedoelen met bepaalde (ook nieuwe) Antropoceengerelateerde begrippen; ethiek en waarden integreren.
Natuurcultuurverstrengeling benadrukt dat sociale en natuurlijke systemen niet los van elkaar bestaan. De procesfilosofie van Whitehead en anderen kijkt naar veranderlijke processen in plaats van statische objecten. Metafysica kan helpen bij vragen over causaliteit en emergente eigenschappen. Wijsbegeerte kan ondersteuning bieden bij kritische reflectie op doelen, methoden en epistemologie.
Abstractie zal weer naar het concrete veld moeten worden gebracht. Wellicht zou ook taalfilosofie een rol kunnen spelen in het kader van begrippen en metaforen ofwel verwijzingen naar de concrete werkelijkheid. De concrete werkelijkheid draait immers om betekenis en dat is in wezen de taal van het ‘Leven Zelf’. Hoe brengen we de taal van ‘Het Leven’ zelf onder woorden? Eigenlijk is het een omkering van ons gangbare idee over ‘concreet-abstract’. Juist de taal van het ‘Leven Zelf’ is het meest concrete, waardoor de woordentaal en beeldtaal juist indirecte abstractie ofwel verwijzing is.
(Egu, de Europese club van aardwetenschappers, houdt begin mei 2026 een conferentie waarin ook allerlei Antropoceengerelateerde kwesties aan bod komen.)
- De mens als mobiel wezen
Een aardig artikel in Trouw, ook te relateren aan het denkgoed van Helmuth Plessner. Zie https://www.trouw.nl/duurzaamheid-economie/kom-niet-aan-de-auto-want-dan-raak-je-de-nederlander-in-het-hart~bda848d2/ Hierop is behoorlijk te reflecteren, aan de hand van het kunstmatig-zijn-van-nature van de mens en zijn centrisch-excentrische positionaliteit.
“De Nederlandse (zullen we ‘Nederlandse’ maar achterwege laten? – JL) autobezitter is half mens, half auto, constateert auteur Erwin Wijman. Hij vergelijkt de automobilist met een centaur, een mythologisch wezen uit de Griekse oudheid met het bovenlichaam van een mens en het onderlichaam van een paard. “Met zijn handen in permanente kwart-voor-drie-stand en zijn voeten gemuteerd tot achterwielen.” Je zou dit kunnen zien als de emergente gelegenheidsoorzaak die evolutionair ontstaan is vanuit het bronoorzakelijke kunstmatig-zijn-van-nature.
Laten we er maar gerust van uitgaan dat ook de autobezitter (breder: de mobiliteitsmens-van-nature) een leefbare aarde wenst en dat ook zal antwoorden wanneer hem daarnaar wordt gevraagd. Toch wenst hij geen hoge brandstofprijzen. Dit wijst op het ambivalent-zijn-van-nature vanwege de excentrische positionaliteit. Mensen willen en/en. Het gedrag is bepalend voor de dissipativiteit.
Is dit wetenschap? Op z’n minst gaat het om wetenschap die de natuurcultuurverstrengeling serieus neemt. Dat is ook gedaan door de in het artikel genoemde Linda Steg, hoogleraar omgevingspsychologie. Zij onderzocht de relatie tussen mens en auto. Psychologie en omgeving, het wijst al op een interdisciplinaire benadering. Daar komt ook techniekfilosofie aan te pas. Ook antropologie en sociologie. Maar het gaat verder dan dat. Omgeving, wat is omgeving? Er komt filosofie aan te pas, procesfilosofie, meta-fysica, wijsbegeerte. We zitten dan al ver en diep in de transdisciplinaire benadering. Maar dan nog: is dat voldoende? Het lijkt me niet dat alles eerst nog eens wetenschappelijk moet worden onderzocht: we hebben intuïtieve ervaringskennis. M.a.w. er komt ook proto- en pré-wetenschap aan te pas. Gewoon mensenkennis.
Trek het breder dan Nederland, trek het breder dan de auto. Exogene energie is de basis van ons wezen, voor ons zijn. Reislust zit diep verankerd in de mens. De mens is een mobiel wezen.
- Antropoceen, techniekfilosofie, mobiliteit en postfenomenologie.
Deze vier - Antropoceen, techniek, mobiliteit en hoe de wereld aan ons verschijnt - hangen sterk met elkaar samen. Het is een keten die teruggaat op bronoorzakelijkheid, waarbij hoe we over techniek denken beïnvloedt hoe we ons verplaatsen, met directe gevolgen voor het Antropoceen.
Binnen de techniekfilosofie gaat het niet alleen over apparaten, maar over de manier waarop technologie onze wereld vormgeeft. Martin Heidegger zag techniek als iets dat de wereld ordent, als een voorraad die benut moet worden. Bruno Latour benadrukt dat mens en technologie samen netwerken vormen. Techniek is niet neutraal; ze stuurt gedrag, keuzes en zelfs waarden. De koppeling aan bronoorzakelijkheid kunnen we benaderen via de ideeën van Helmuth Plessner over het kuntsmatig-zijn-van-nature en de centrisch/excentrische positionaliteit, waardoor we ook kunnen spreken van het ambivalent-zijn-van-nature.
Mobiliteit is een van de meest zichtbare domeinen van techniek. De auto veranderde steden, werk en vrijheid; mobiliteitssystemen bepalen hoe we ruimte ervaren, door files, vliegnetwerken en globalisering. Technologie maakt snelheid en schaal mogelijk, maar creëert ook afhankelijkheid. Mobiliteit is dus meer dan een praktisch-functioneel systeem. Het artikel in Trouw duidt dat ook. We kennen de Telegraaf als de krant voor autominnend Nederland, ofwel de Heilige Koe. Het weerspiegelt een bepaalde visie op bijvoorbeeld vrijheid. Die (fossiele) vrijheidsbeleving levert nu een spanning op t.o.v. de toekomstige vrijheidsbeleving. Je zou kunnen zeggen: de ene vrijheidsbeleving komt tegenover de andere te staan, ze bijten elkaar. We mogen vermoeden dat dat besef nog lang niet algemeen is ingedaald. Het veld is (dus) ook veel breder dan fossiele- en autolobby. De behoefte is naast functioneel ook mentaal-psychisch ingebakken. En daarmee hebben we het over de massieve kracht ervan, ofwel de kracht aan de kant van de vraag. Wat begon als handige techniek is uitgegroeid tot een meer dan materiële kracht die de aarde transformeert, ofwel het Antropoceen.
Techniekfilosofie laat zien dat technologie ons denken en handelen vormt; mobiliteit is een concreet systeem waarin die technologie ons gedrag structureert; het Antropoceen is het resultaat als cumulatieve impact van die technologische systemen. De vraag is ook of elektrische auto’s echt een oplossing zijn, of een verlenging van dezelfde problematiek. Kunnen we mobiliteitstechnieken ontwerpen die niet alleen efficiënt zijn, maar ook ecologisch verantwoord? En hoe kunnen we andere technieken (fiets) stimuleren via financiële prikkels? Dat laatste zou zo makkelijk kunnen, maar er zijn vele politiek-tegenstrijdige krachten gaande. Zie als voorbeeld de lokale mobiliteitsproblematiek in Amersfoort, hetgeen ook nogal een politieke verschuiving teweeg heeft gebracht.
Mobiliteitstechnologie is een voorbeeld van onze kunstmatigheid. We ‘horen’ niet thuis op één plek (en Pascal benoemde dat al – we zouden een hoop Antropocene problemen minder hebben als we gewoon in onze kamer konden verblijven). We bewonen verschillende sferen en daar hoort ook ruimtelijke verplaatsing bij, zo blijkt ook uit de sferentheorie van Peter Sloterdijk. Bernard Stiegler benoemt onze technologische uitbreiding van onszelf als een 'Pharmakon': zowel medicijn als gif. We bouwen systemen om overal te kunnen zijn; we overstijgen onze biologische beperkingen van afstand, snelheid en uithoudingsvermogen. Mobiliteit is dus een uitdrukking van onze existentiële structuur.
Omdat we buiten onszelf kunnen treden (Plessner) zien we de wereld als iets dat ingericht kan worden. Hier sluit de techniekfilosofie bij aan. Techniek is een manier om de wereld ‘naar ons toe’ te organiseren. We zijn nooit helemaal thuis en dat manifesteert zich als permanente beweging. Dooyeweerd heeft het ook over de fundamentele onrust van de mens. We vallen nooit volledig samen met onze situatie, er is altijd een vorm van onrust of tekort, waardoor mobiliteit een existentiële dynamiek wordt: altijd op weg naar elders.
Onze kracht is dat we kunnen reflecteren, ontwerpen en transformeren, maar dit levert tegelijk onze kwetsbaarheid op door onze ambivalentie. Dit maakt ambivalentie tot zowel motor van vooruitgang én probleem door de gevolgen ervan. Plessner toont ons dat de crisis van het Antropoceen geen foutje is, maar voortkomt uit wat wij zijn, ofwel de koppeling aan bronoorzakelijkheid die miljoenen jaren teruggaat door de fysiek-biotische evolutionaire veranderingen, waarbij rechtopgang een wezenlijk element is.
De mens is zo gezien een wezen dat zichzelf alleen via techniek kan realiseren, mobiliteit is een kernvorm van die technische zelfrealisatie, en het Antropoceen is het planetaire gevolg van deze excentrische, ambivalente conditie. We kunnen techniek niet afschaffen, maar kunnen we onze mobiliteitsvormen veranderen? Daarbij moeten we (dus) niet alleen kijken naar het functionele aspect om te komen van A naar B. Techniekfilosofie zal op z’n minst een verband moeten aangaan met antropologie, sociologie en omgevingspsychologie.
De ideeën van Plessner kunnen daarbij de antropologische basis vormen. Latour zegt: we maken geen techniek, we vormen hybride netwerken. Daarbij verschuift de focus van techniek als functioneel middel naar techniek als onderdeel van netwerken van mensen en dingen, waardoor de natuurcultuurverstrengeling aan het licht komt. Mens + techniek + infrastructuur + natuur vormen één verweven geheel. De buitenwereld is geen passief decor, maar een actief netwerk dat ons terugvormt. De mens móét techniek maken en die techniek maakt vervolgens de mens mede.
De postfenomenologie kan ons iets vertellen over hoe techniek onze ervaring vormt. Technologie bemiddelt hoe wij de wereld waarnemen en ervaren. Mobiliteitstechnologie verandert dus niet alleen wat we doen, maar hoe de wereld voor ons verschijnt.
Plessner duidt de antropologische noodzaak, Latour duidt de ontologische structuur, postfenomenologie duidt de kwesties op ervaringsniveau. Het Antropoceen kan dan gezien worden als een gelaagd proces: wij moeten mobiliteitssystemen bouwen; die systemen worden mondiale netwerken zoals transport, energie en logistiek; de postfenomenologie duidt hoe wij die netwerken ervaren door hoe dezen aan ons verschijnen. Het is een wisselwerking met een complexe aansturing waarbij je niet over eenduidige oorzaak-gevolgrelaties kunt spreken.
De aarde verschijnt als beschikbaar en overbrugbaar. Er ontstaat een instrumentele visie van de natuur, hetgeen precies de natuur-cultuurscheiding is, die vervolgens paradoxaal genoeg juist op ons terugslaat als natuurcultuurverstrengeling, door grootschalige exploitatie. Terwijl we die verstrengeling nog lang niet zagen, en volgens mij over het algemeen nog steeds niet zien.
E.e.a. legt een fundamentele spanning bloot. We kunnen niet zonder techniek, we hebben geen volledige controle, we zien de gevolgen niet direct, we doorzien de interacties niet.
- Het idee van bronoorzakelijkheid en gelegenheidsoorzaken toegepast op mobiliteit.
Het Antropoceen is niet simpelweg het gevolg is van verkeerde keuzes, maar komt voort uit de menselijke conditie zelf: als excentrisch en ambivalent wezen creëert de mens techniek om zich tot de wereld te verhouden; mobiliteit is een kernvorm daarvan; deze technologische systemen groeien uit tot mondiale netwerken die de aarde transformeren; en via postfenomenologische bemiddeling vormen zij ook hoe de wereld aan ons verschijnt. Hierdoor zijn we tegelijk afhankelijk van techniek. We kunnen de effecten ervan niet volledig overzien en we kunnen er niet buiten treden.
Daarnaast is mobiliteit niet alleen een energie- of klimaatvraagstuk, maar vooral ook een ruimteprobleem, zeker in een dicht land als Nederland. Wanneer we hier iets aan willen verbeteren, dan zijn er verschillende scenario’s te bedenken.
- Elektrische voortzetting. We behouden het huidige mobiliteitssysteem, maar maken het groener. We vervangen fossiele auto’s door elektrische. Met als resultaat dat het wereldwijde grondstoffenprobleem niet is opgelost; dat het geen echte duurzame transitie is vanwege slijtage met eeuwige vervanging; dat wegen en infrastructuur dominant blijven; dat autobezit normaal blijft; dat er een blijvend ruimtebeslag is; dat de filedruk blijft.
Filosofisch gezien is dit precies wat Bernard Stiegler een pharmakon zou noemen, ofwel oplossing én probleem tegelijk. Het bestaande systeem wordt verlengd in plaats van het te veranderen.
- Slim gedeelde mobiliteit. Mobiliteit verschuift dan van bezit naar gebruik, met minder privébezit van auto’s en een efficiënter gebruik van voertuigen. Er zijn minder auto’s nodig, waardoor er ruimtewinst is te behalen in steden. Maar het is nog steeds afhankelijk van technologische netwerken.
Filosofisch gezien sluit dit aan bij Bruno Latour: mobiliteit als netwerk van mens + technologie + infrastructuur. Waarbij (het idee van) vrijheid verschuift van “ik heb een auto” naar “ik heb toegang tot mobiliteit”.
- Ruimtelijke herinrichting. We verminderen mobiliteit door nabijheid centraal te stellen. Met wonen, werken en voorzieningen dicht bij elkaar. Met een sterke focus op fietsen, lopen en openbaar vervoer. De auto wordt secundair.
Filosofisch gezien is dit een correctie op wat Martin Heidegger bekritiseerde: de wereld als ‘voorraad’ die overal toegankelijk moet zijn. De wereld wordt weer plaatsgebonden in plaats van volledig overbrugbaar.
- Scenario: Existentiële omslag. We herdefiniëren wat mobiliteit überhaupt betekent. Minder fysieke verplaatsing; thuiswerken, digitale aanwezigheid, bewuste beperking van reizen. Mobiliteit wordt een keuze i.p.v. een vanzelfsprekendheid. Met als gevolg een sterke reductie van ruimte- en energiegebruik.
Filosofisch gezien raakt dit aan de ideeën van Helmuth Plessner: de mens is excentrisch en daardoor ook altijd ‘op afstand van zichzelf’. En aan Blaise Pascal: ‘we kunnen moeilijk op onze kamer blijven zitten’. Dit scenario vraagt dat niet alleen techniek verandert, maar juist het menselijk verlangen.
De kern daarvan is een conflict van vrijheidsbegrippen. Het oude vrijheidsidee van overal individueel naartoe kunnen tegenover het nieuwe idee van vrijheid: leefbare ruimte en duurzaamheid. Die twee botsen.
Mobiliteit is zo gezien geen toeval; het komt voort uit ons kunstmatig-moeten-zijn-van-nature, in samenhang met onze excentrische aard. Het ene kwam uit het andere voort in een wisselwerking van positieve feedback. Techniek vergrootte onze mobiliteit; schaal, snelheid en mate van dissipativiteit explodeerden; netwerken maakten mobiliteit structureel. Met het Antropoceen als resultaat.
We kunnen dus mobiliteit niet ‘oplossen’ zonder onszelf te veranderen. Dit maakt de kwestie van filosofische aard: Willen we mobiliteit optimaliseren of beperken? Dat klinkt alsof we via filosofische benadering tot een eventuele oplossing zouden kunnen komen. Maar het probleem zelf is al pré-filosofisch van aard. Namelijk behoorlijk hard ingebakken in de evolutionair gegroeide menselijke fysieke, biotische, economische, structuren inclusief een fundamenteel verlangen. Dit is een spanningspunt waar ook de techniekfilosofie tegenaan loopt wil zij een bijdrage leveren aan oplossingen. Maar dat betekent niet dat filosofie irrelevant wordt.
Mobiliteit is diep pré-filosofisch ingebakken. Dat betreft meerdere lagen:
- de biologisch / evolutionaire laag: de mens is een bewegend dier waarbij zijn overleving af hing van migratie, voedsel zoeken en territorium. Onze lichamen zijn gemaakt voor mobiliteit.
- de antropologische laag: de mens is excentrisch gepositioneerd; we vallen nooit samen met onze plek; er is altijd een ‘elders’; onze habitat is een kwestie van ruimtelijke en temporele sferen. Mobiliteit is dan een structuur van het bestaan.
- de laag van existentieel verlangen: naar vrijheid, ontsnapping, elders-zijn.
- de laag van sociaal-economische systemen: mobiliteit is ook ingebakken in de arbeidsmarkt; in de globalisering en in consumptiepatronen. Het is dus niet alleen natuur, maar ook systeemdwang.
Als mobiliteit zo diep ingebakken is, dan is het probleem misschien niet oplosbaar via verandering van denkbeelden alleen. We zitten in een meervoudige verankering van lichamelijkheid (we kunnen bewegen), psyche (we willen bewegen), techniek (we kunnen sneller bewegen) en economie (we moeten bewegen). Dat maakt het probleem hardnekkig en moeilijk veranderbaar.
Het belang van filosofie zit ‘m dan niet direct in verandering van gedrag, maar in onze gangbare kijk op wat we als ‘normaal’ zien. Het dominante idee is dat de auto vrijheid betekent, maar dat is een culturele interpretatie, geen natuurwet. Filosofie kan dat zichtbaar maken.
Verlangen is niet puur biologisch. Het wordt gevormd en gestuurd, ook door het groenere gras bij onze buren, door reclame, beleid en infrastructuur. Technologie vormt onze verlangens
Ons vrijheidsbegrip is een probleem – met als aantekening: dan wel als gelegenheidsoorzaak! De bronoorzaak zit dieper. M.a.w. de drang of neiging is historisch onveranderlijk, maar de vorm is historisch veranderlijk. Filosofie kan niet de drang wegnemen, maar wel de vorm herdenken.
De kwestie wordt dan, onder het idee dat mobiliteit blijft, betrokken op vragen als: langzamer? lokaler? gedeeld? Waardoor we vervolgens moeten nadenken over de materiele aspecten van verandering van infrastructuur en het anders inrichten van steden. En waardoor we moeten nadenken over de institutionele aspecten van beleid, prijzen en regelgeving. En ook over de cultuurlijk-filosofisch kant van wat vrijheid is en wat een goed leven is.
Er is sprake van een zekere realistische tragiek. Datgene wat ons mens maakt, veroorzaakt het probleem. Dat is geen ‘fout’, maar een structurele spanning. Filosofie kan niet onze biologische aard veranderen, niet ons verlangen elimineren, niet onze mobiliteit stoppen. Filosofie kan wel vanzelfsprekendheden doorbreken, alternatieven denkbaar maken, richting geven aan transities.
Nu is dit hierboven gepresenteerd via de mobiliteit als voorbeeld. We kunnen dit uiteraard betrekken op alle Antropocene kwesties. De lange evolutionaire geschiedenis van bronoorzakelijkheid via gelegenheidsoorzaken naar het Antropoceen duidt op een zekere tragiek. Ook schuldtoewijzing, verantwoordelijkheid, activisme, mens- en wereldbeelden en andere paradigma’s die werken als gelegenheidsoorzaken, zoals individualisme en antropocentrisme, kunnen in dat licht worden bekeken.
Ze kunnen worden gerelateerd aan de totale oorzakelijkheidsketen en daarmee ook worden gerelativeerd. Andere denkbeelden veranderen niets aan de bronoorzaken.
16. De impact van ‘stevig-realistisch’ klimaatbeleid dat correspondeert met de NDG’s.
Wanneer we uitgaan van ‘stevig’ maar realistisch mondiaal klimaatbeleid, dan hebben we het over beleid dat correspondeert met de huidige ingediende Nationale Development Goals (NDG). Het zijn enkel nog maar voornemens, maar wellicht toch realistisch. De betekenis van ‘stevig’ is dan: het hoogst haalbare.
De CO2 uitstoot in de nabije toekomst tot en met 2030 is behoorlijk voorspelbaar naar de onderkant. Er komt weer een El Nino op ons af, en dat betekent waarschijnlijk een extra boost van CO2 in 2027. Het is daarnaast juist onvoorspelbaarder geworden naar de bovenkant door de actuele geopolitieke en energie-ontwikkelingen. Bijvoorbeeld kolencentrales worden weer volop opgestart.
Wanneer dan na 2030 echt een ‘stevig realistisch’ reductietraject wordt ingezet (stel), dan zou het verloop van de jaarlijkse atmosferische CO2-toename er als volgt uit kunnen zien (zie grafiek - grafiek moet nog worden toegevoegd). Waarbij dan vervolgens de onvoorspelbaarheidsfactoren in toenemende mate komen te liggen aan de kant van de te verwachten verslechtering in de opnamecapaciteit door de natuur. Maar dat zijn dan juist weer onvoorspelbaarheden aan de ongunstige bovenkant.
(grafiek wordt nog toegevoegd)
(Jaarlijkse atmosferische CO2 toename bij ‘stevig-realistisch’ beleid (X-as loopt van 2023 tot 2100), rekening houdend met het feit dat er sectoren zijn waarin er per definitie geen netto-nul kan worden behaald. De jaarlijkse toename zal (dus) nooit, ook na 2100 op nul kunnen uitkomen zonder aanvullende technologische oplossingen die nog lang niet op schaal gebracht zijn. En die zelf ook weer dissipatief zijn vanwege hun hoge energiebehoefte)
Dit resulteert in een CO2 nivo rond 2100 van zo’n 560 – 570 ppm: een verdubbeling t.o.v. pré-industrieel, waarbij berekend is dat dit leidt tot ongeveer 3 graden opwarming. Maar het betekent dat we niet ontkomen aan CO2-verwijdering, willen we dit traject überhaupt kunnen halen. Dat is ook opgenomen in de NDG's, maar dat is dan mogelijk geen haalbare kaast, realistisch gezien. Vervolgens gaat het om de impact, ofwel de betekenis ervan.
Dit traject correspondeert dus ongeveer met de NDG’s. Dat zijn alleen nog maar toezeggingen - die juridisch niet of nauwelijks af te dwingen zijn, en die afhankelijk zijn van duizenden factoren, waaronder dus die hoop op CO2-verwijderings-technieken. Waarbij we er gerust van mogen uitgaan dat de kans op verstorende factoren vele malen groter zijn dan de kans op meevallers.
Er wordt voortdurend onderzocht wat dit betekent voor het bereiken van kantelpunten met hun onvoorspelbare onzekerheidsfactoren en hun zelfversterkende cascade-effecten. Onzekerheden kunnen worden uitgesplitst naar 'wat', 'wanneer', 'hoe', 'waarom'. Wat betreft het 'waarom' moge toch inmiddels duidelijk zijn dat er iets fundamenteels gaande is? Dat zou weleens kunnen betekenen dat de onzekerheden vooral liggen in 'wanneer'.
Maar we zijn altijd gefocust op dat specifieke jaartal 2100. We zullen de lijnen moeten doortrekken, het duurt geen 75 jaren meer. En we hebben inmiddels bijna evenveel jaren achter ons liggen van kennis van planetaire overshoot, van miljoenen studies en publicaties daarover, van de trends die desondanks gaande zijn, van ontoereikend beleid. Wat geeft dat ons te kennen?
Overigens er is een actuele discussie gaande of de klimaatgevoeligheid niet hoger is dan eerder gedacht. En we hebben het hier alleen nog maar over een relatief deelaspect van alle overshootaspecten.
Maak jouw eigen website met JouwWeb