Ontologica

 Inhoud:

  1. De blinde vlek van Jan Rotmans
  2. De blinde vlek van Kees Klomp
  3. De betekeniseconomie van Kees Klomp in zijn praktische uitwerking
  4. Kantekeningen bij het gedachtengoed van Tim Lenton
  5. Het gedachtengoed van Lent en een vergelijking met Meadows, Rees en Georgescu-Roegen
  6. De ontologische bril als diagnostisch instrument
  7. De brillen van Dooyeweerd, Rees en Chakrabarty; het PB-frame; verhardende conditionering
  8. De recente Antropocene ontwikkelingen van de laatste 5 – 6 jaren
  9. Arturo Escobar; bijeenkomst EGU ITS3.2/SSP1.8; een gelaagd analysekader
  10. Het zelfversterkende karakter van de gaande Antropocene systeemdynamiek
  11. Vertragen en verzachten
  12. Het grondmotief van een gelaagde ontologie.

-

 De blinde vlek van Jan Rotmans

Het gedachtengoed van Jan Rotmans vertoont spanningen wanneer we het bezien vanuit ‘verhardende conditionering’. Dit wijst mogelijk op een te optimistisch transitiedenken.

R vertrekt vanuit complexe adaptieve systemen, niet-lineariteit, kantelpunten en transities. Hij benadrukt niches, frontrunners en interventies als motoren van verandering. Maar wat als systemen juist minder ontvankelijk worden? Dan verschuift de vraag van potentieel naar afnemende stuurbaarheid.

De kernspanning is dat transformatie volgens R afhankelijk is van gunstige voorwaarden (instituties, cultuur, innovatie), terwijl materiële condities die ruimte juist beperken. In termen van Dooyeweerd staan hogere (culturele) aspecten onder druk van lagere (fysische, biotische) lagen, die niet slechts context zijn maar begrenzend werken.

R hanteert gelaagdheid (niches, regimes, landschappen), verwant aan Geels, maar materiële grenzen blijven op de achtergrond. Daardoor kunnen transities optimistischer lijken dan realistisch is. Zijn S-curve-model suggereert fasering en herhaalbaarheid, terwijl het Antropoceen juist wordt gekenmerkt door cumulatie, pad-afhankelijkheid en onomkeerbaarheid. Transities worden daardoor steeds moeilijker.

R benadrukt versnelling en hefboompunten, maar onderschat mogelijk lock-ins en verhardingsmechanismen. Ook zijn normatieve positie—met nadruk op sturing en governance—is problematisch in een conflictueus en traag besluitvormingsveld.

Dit wijst op drie blinde vlekken: onderschatting van materiële grenzen, overschatting van stuurbaarheid en onvoldoende aandacht voor onomkeerbaarheid. Hoewel R inzet op agency en innovatie, speelt verandering zich af binnen een historisch vernauwende handelingsruimte.

Transitietheorie blijft waardevol, maar moet worden aangevuld met het inzicht dat de voorwaarden voor verandering zelf onder druk staan. Het Antropoceen toont een dynamisch maar verhardend systeem, waarin de ruimte voor transformatie afneemt. Daarmee verschuift de focus: van het ontwerpen van verandering naar het denken over verandering onder beperkende condities.

-

 De blinde vlek van Kees Klomp

Kees Klomp ontwikkelt met de betekeniseconomie een alternatief voor de klassieke economie, waarin niet winst maar betekenis centraal staat: waarde voor mens, samenleving en planeet. Hij pleit voor een verschuiving van winstmaximalisatie naar welzijn, geïnspireerd door ecologische principes zoals balans, grenzen en samenhang. Waarde omvat daarbij niet alleen geld, maar ook sociale en ecologische dimensies. Organisaties moeten transformeren van winstgedreven naar missiegedreven, met aandacht voor alle stakeholders en de lange termijn. Zijn mensbeeld is minder egoïstisch en meer gericht op samenwerking en zingeving.

Deze benadering gaat verder dan duurzaamheid alleen en vormt een paradigmaverschuiving: niet minder schade bij winst, maar maximale betekenis als uitgangspunt. In de praktijk betekent dit dat bedrijven hun activiteiten toetsen op welzijn, ecologische houdbaarheid en maatschappelijke impact—zelfs als dat ten koste gaat van winst.

Het gedachtengoed past binnen bredere trends zoals ESG en purpose-driven ondernemen en is zichtbaar bij koplopers als Patagonia en Tony’s Chocolonely. Het is dus geen utopie, maar werkt in niches. Tegelijk zijn er belangrijke beperkingen. Schaalbaarheid is lastig zolang markten draaien op prijs en concurrentie. Menselijk gedrag is dubbel: idealen botsen met voorkeur voor gemak en lage kosten. Ook is ‘betekenis’ moeilijk meetbaar, wat sturing bemoeilijkt.

Daarom functioneert de betekeniseconomie vooral als normatief kompas, niet als direct vervangend systeem. Klomp richt zich sterk op waarden en wereldbeelden, maar onderschat diepere structurele en materiële condities. Economische systemen worden mede bepaald door fysieke grenzen, infrastructuur en bestaande processen. Deze onderlaag beperkt de maakbaarheid van verandering.

Bovendien spelen systeeminertie, pad-afhankelijkheid en tijdsvertraging een grote rol. Naarmate processen zich opstapelen, wordt transitie moeilijker en raakt handelingsruimte ingeperkt. Waardenverandering alleen is onvoldoende om systemen fundamenteel te transformeren.

De kernkritiek is dat Klomp zich richt op een noodzakelijke, maar niet voldoende factor. Zijn idealisme botst met materiële grenzen en structurele lock-in. Daardoor lijkt volledige omschakeling minder realistisch, en verschuift het perspectief eerder naar vertragen en verzachten van negatieve ontwikkelingen dan naar een volledige systeemtransformatie.

Kritiek op de betekeniseconomie in het licht van gelaagde Antropoceen-causaliteit

  1. Probleemstelling
    De betekeniseconomie van Kees Klomp verschuift de focus van winst naar meervoudige waarde (ecologisch, sociaal, existentieel). Zij veronderstelt dat een heroriëntatie van waarden en organisatie voldoende is voor systeemverandering. Binnen een gelaagd Antropoceenmodel ontstaat echter spanning tussen normatieve ambities en systeemdynamische beperkingen.
  2. Normatieve reductie van complexiteit
    De betekeniseconomie opereert vooral op normatief en deels institutioneel niveau. Daardoor worden crises primair toegeschreven aan verkeerde waarden, terwijl materiële en structurele factoren onderbelicht blijven. Normatieve verandering is noodzakelijk, maar niet voldoende.
  3. Verhardende conditionering
    Historische opbouw van infrastructuur en instituties beperkt de handelingsruimte. De betekeniseconomie beïnvloedt vooral intenties, maar nauwelijks directe systeemstructuren. Dit creëert een kloof tussen trage normverandering en hardnekkige systeeminertie.
  4. Schaal en inertie
    Economische impact wordt sterk bepaald door schaal (energie, materiaal, demografie). De betekeniseconomie mist een expliciete analyse van fysieke grenzen en lock-ins, terwijl juist deze de transitie bepalen.
  5. Beperkte agency
    De aanname dat andere waarden automatisch tot ander gedrag leiden is te simplistisch. Gedrag wordt structureel begrensd door infrastructuur en systemen, wat normatieve sturing beperkt.
  6. Tijd en onomkeerbaarheid
    Antropoceenprocessen zijn cumulatief en deels onomkeerbaar. De betekeniseconomie veronderstelt impliciet omkeerbaarheid via paradigmawissels, maar onderschat historische en ecologische traagheid.
  7. Conclusie
    De betekeniseconomie biedt een waardevolle normatieve heroriëntatie, maar heeft een beperkte causale reikwijdte. Haar transformatieve potentieel wordt begrensd door materiële, structurele en temporele condities, waardoor zij eerder aanvullend dan systeemvervangend is.

-

  1. De betekeniseconomie van Kees Klomp in de praktijk

De ideeën van Patagonia en Kees Klomp lijken goed te passen: beide benadrukken dat bedrijven meer moeten doen dan winst maken. In de praktijk ontstaan echter fundamentele spanningen.

Patagonia wil consumptie verminderen, maar blijft een groeiend commercieel bedrijf binnen een systeem dat draait op verkoop. Dat creëert een blijvende paradox: meer verkopen terwijl je minder consumptie bepleit. Klomps betekeniseconomie vraagt juist om een systeem waarin ecologie en welzijn centraal staan, met minder focus op groei. Patagonia blijft echter afhankelijk van het bestaande systeem van concurrentie, schaal en mondiale ketens.

Hoewel vooruitstrevend, erkent Patagonia zelf dat volledige duurzaamheid onhaalbaar is. Productie vereist grondstoffen, energie en transport, en de keten is niet volledig controleerbaar. Een betekeniseconomie zou radicaler zijn: minder produceren, lokaler en regeneratief.

Ook de sector waarin Patagonia opereert (outdoor en reizen) roept vragen op over duurzaamheid en ethiek. Bovendien geldt: hoe groter het bedrijf, hoe moeilijker transparantie en volledige ethiek worden. Individuele bedrijven kunnen het systeem maar beperkt veranderen.

Vergelijkbare spanningen zien we bij andere ‘betekenisvolle’ bedrijven:

  • Tony’s Chocolonely blijft afhankelijk van de bestaande cacaoketen
  • Allbirds groeit en verhoogt daarmee impact
  • The Body Shop verloor deels zijn idealen door schaalvergroting
  • Beyond Meat opereert binnen massaproductie
  • Triodos Bank balanceert tussen rendement en impact

Deze bedrijven opereren allemaal tussen winstlogica en betekenis, wat leidt tot blijvende frictie. Vaak resulteert dit in “minder slecht” in plaats van echt duurzaam.

Klomps visie is kritisch, maar blijkt in de praktijk moeilijk uitvoerbaar. Systeemverandering kan niet door individuele bedrijven; daarvoor is brede verandering nodig in beleid, cultuur en economie.

Vanuit filosofisch perspectief (Dooyeweerd) botsen deze idealen op materiële grenzen. Productie vereist altijd energie en grondstoffen (fysisch), en ecologische systemen hebben grenzen (biotisch). Schaarste dwingt bovendien tot keuzes (economisch). Hogere waarden zoals ethiek kunnen deze basisvoorwaarden niet overrulen.

De kern is dat deze bedrijven niet simpelweg falen, maar stuiten op structurele grenzen van economie en werkelijkheid. De spanning tussen idealisme en systeem blijft daarmee fundamenteel.

-

 Kantekeningen bij het gedachtengoed van Tim Lenton

Het denken van Tim Lenton is invloedrijk doordat hij niet alleen risico’s analyseert, maar ook inzet op versnelde positieve kantelpunten. Volgens hem is er een strijd tussen negatieve klimaattipping points en positieve maatschappelijke omslagen, waarbij die laatste actief te sturen zijn. Dit optimisme over sociale tipping points is echter omstreden.

Een filosofische verdieping, geïnspireerd door Herman Dooyeweerd en klassieke causaliteitsleer, benadrukt dat werkelijkheid gelaagd is (materieel, biologisch, sociaal, normatief) en dat causaliteit asymmetrisch werkt. Lenton hanteert vooral een pragmatisch, modelmatig perspectief en vermijdt zulke ontologische kaders, terwijl juist in het Antropoceen deze verdieping nodig lijkt.

Waar Lenton sociale verandering instrumenteel benadert (hoe versnellen we transities?), legt deze benadering nadruk op normativiteit als conflictuele laag. Dit maakt het beeld sociologisch realistischer, maar relativeert ook de maakbaarheid van snelle omslagen.

Er ontstaat een fundamenteel verschil in interpretatie: Lenton ziet mogelijkheden voor snelle positieve kantelpunten, terwijl hier wordt betoogd dat systemen juist steeds moeilijker veranderbaar worden door toenemende structurele beperkingen en conflict. Feedbackmechanismen versterken volgens Lenton transities, maar kunnen ook inertie en afhankelijkheid vergroten.

Daarnaast speelt schaal en historische diepte een grotere rol dan Lenton expliciet meeneemt. Via denkers als Dipesh Chakrabarty wordt duidelijk dat lange-termijn accumulatie en onomkeerbaarheid de handelingsruimte beperken. Het gaat dus niet alleen om wanneer systemen kantelen, maar ook waarom ze vastlopen.

Het mensbeeld verschilt eveneens. Bij Lenton is de mens adaptief en flexibel; bij denkers als Helmuth Plessner en Peter Sloterdijk is de mens structureel afhankelijk, ambivalent en ingebed in kunstmatige en evolutionaire condities. Technologie is daarbij geen oplossing, maar een noodzakelijke en dubbelzinnige voorwaarde die ook nieuwe afhankelijkheden creëert.

Kort gezegd: Lenton vertrekt vanuit een vlak netwerkmodel waarin verandering via feedbacks kan versnellen, terwijl een gelaagd-causaal perspectief stelt dat diepere materiële en historische structuren sociale dynamiek begrenzen. Hierdoor neemt de effectieve handelingsruimte af en worden snelle, grootschalige positieve kantelpunten onwaarschijnlijker.

De kern van het verschil ligt niet alleen empirisch, maar in onderliggende mens- en wereldbeelden: Lenton ziet een venster van mogelijkheid, terwijl deze benadering vooral een structuur van beperking benadrukt.

-

 Het gedachtengoed van Jeremy Lent en een vergelijking met Meadows, Rees en Georgescu-Roegen

Jeremy Lent verklaart de ecologische crisis primair vanuit cultuur: een westers wereldbeeld van scheiding, controle en individualisme. Hij pleit voor een ecologisch, relationeel denken waarin economie draait om welzijn en verbondenheid met natuur. De crisis is volgens hem vooral een betekenisprobleem.

Zijn zwakte is dat hij de rol van harde grenzen onderschat. Fysische limieten, schaal en onomkeerbaarheid zijn niet slechts cultureel afgeleid. Andere denkers leggen juist die onderlagen bloot. Georgescu-Roegen: economie gehoorzaamt de tweede hoofdwet (entropie); grenzen zijn absoluut. Meadows: systemen met feedbacks, vertragingen en hefbomen; paradigma’s zijn belangrijk maar niet almachtig.  Rees: structurele overshoot; correctie is onvermijdelijk. Kort: Lent = betekenis (waarom we falen) ; Meadows = systeem (hoe het werkt) ; Rees / Georgescu-Roegen = grenzen (wat nog kan)

Kernspanning. Lent denkt top-down (cultuur stuurt systeem), de anderen bottom-up (fysica begrenst cultuur). Naarmate planetaire druk toeneemt, verschuift de realiteit richting Rees: culturele verandering wordt minder effectief.

Tijdsdynamiek. Pre-industrieel: cultuur stuurt sterk ; Industrieel: systeeminertie groeit ; Antropoceen: handelingsruimte sterk beperkt ; → Lent verschuift van praktisch naar vooral normatief.

Beleidsimplicaties: Fysisch: mitigatie/adaptatie volgen harde wetten (Lent speelt hier weinig rol) ; Sociaal-economisch: beperkte beïnvloeding via waarden ; Cultureel: Lent blijft relevant, maar indirect en traag. Transformatie (Lent) is nodig maar waarschijnlijk te langzaam en te laat op schaal.

Synthese. Lent kan verklaren waarom we niet corrigeren ; richting geven aan lange termijn. maar niet limieten versoepelen en overshoot snel oplossen.

Normatieve verschuiving. Van optimalisatie → schadebeperking: mitigatie en adaptatie ; rechtvaardige verdeling ; betekenisgeving.

Kernethiek. Handel zo dat je binnen grenzen: schade vermindert ; rechtvaardigheid bewaart ; waardigheid behoudt ;ook zonder garantie op succes.

Spanningsveld. Democratie, rechtvaardigheid en ecologische limieten botsen structureel. Volledige combinatie is niet meer haalbaar; elke keuze heeft kosten.

Eindconclusie. Lent blijft belangrijk als oriëntatie (zin, waarden), maar verliest effectiviteit als oplossingsstrategie. Naarmate conditionering toeneemt, domineren structurele beperkingen.

-

 De ontologische bril als diagnostisch instrument

In het debat over het Antropoceen blijven onderliggende ontologische aannames vaak impliciet. Denkers verschillen juist op dit niveau sterk. William E. Rees vertrekt vanuit een biofysisch, begrensd wereldbeeld waarin de mens ingebed is in materiële grenzen. Erle C. Ellis daarentegen ziet de aarde als een door mensen gevormde sociaal-ecologische werkelijkheid, waarin natuur en cultuur onlosmakelijk verweven zijn en menselijke creativiteit centraal staat.

Dit verschil leidt tot twee visies: het Antropoceen als crisis van overschrijding (Rees) of als fase van co-creatie (Ellis). Kritiek op Ellis richt zich op zijn antropocentrisme, technologisch optimisme en mogelijke onderschatting van harde ecologische grenzen. Tegelijk corrigeert hij een statisch en nostalgisch natuurbeeld. De spanning tussen beide perspectieven vormt de kern van het debat.

Het ontologische model van Herman Dooyeweerd biedt een alternatief door de werkelijkheid te zien als gelaagd en onherleidbaar tot één dimensie. Elk aspect (fysisch, biologisch, sociaal, ethisch, enz.) heeft eigen wetmatigheden en staat in samenhang met andere. Dit voorkomt reductionisme: problemen in het Antropoceen zijn altijd meervoudig. Waar Rees en Ellis elk één dimensie benadrukken, plaatst Dooyeweerd deze in een breder geheel.

Ontologische analyse betekent het expliciteren van aannames over wat bestaat, hoe het samenhangt en welke grenzen daaruit volgen. Verschillende ontologieën leiden tot verschillende wereldbeelden en handelingsperspectieven.

Dooyeweerds benadering kan dienen als diagnostisch instrument: geen neutrale meetlat, maar een “bril” die reducties zichtbaar maakt en meerdimensionaliteit afdwingt. Tegelijk is ook dit perspectief normatief en beperkt. Aanvulling met andere benaderingen (bijv. gericht op dynamiek, macht en hybriditeit) blijft nodig.

De kern: ontologische verschillen bepalen hoe we het Antropoceen begrijpen—als begrensde crisis, maakbare wereld of complexe, gelaagde werkelijkheid.

-

 De diagnostische brillen van Dooyeweerd, Rees en Chakrabarty in relatie tot Planetary Boundaries en verhardende conditionering

De benadering van Dipesh Chakrabarty vult Herman Dooyeweerd aan door de mens tegelijk te begrijpen als historisch-politiek subject én als geologische kracht. Hij verbindt meerdere werkelijkheidslagen (fysisch, historisch, sociaal-politiek) zonder reductie. Tegelijk benadrukt hij de frictie tussen menselijke geschiedenis en planetaire processen: verschillende schalen met eigen wetten die botsen en overlappen. Begrippen als ‘mensheid’ zijn daarbij noodzakelijk maar instabiel, wat een fundamentele ambiguïteit blootlegt.

Waar Chakrabarty spanningen analyseert maar weinig normatief richting geeft, biedt Dooyeweerd juist meer structuur. Hun combinatie maakt het mogelijk om zowel orde als dynamiek te zien. In samenhang met William Rees en het Planetary Boundaries-raamwerk ontstaat geen voorspellend model, maar een diagnostisch kader: geen exacte toekomst, maar inzicht in welke toekomsten nog mogelijk zijn. Dit kader wijst op overschrijding van grenzen, niet-lineariteit en kantelpunten.

Gezamenlijk laten deze perspectieven zien dat de toekomst van het Antropoceen niet voorspelbaar is, maar wel begrensd door biofysische limieten, historische contingentie en meervoudige werkelijkheidslagen.

Met het concept ‘verhardende conditionering’ verschuift dit beeld verder: systemen worden pad-afhankelijk en moeilijker te veranderen. Bij Rees uit zich dat in minder flexibele ecologische systemen; bij Chakrabarty in strakkere historische randvoorwaarden; bij Dooyeweerd in sterkere koppelingen tussen domeinen.

Dit leidt tot een patroon:

  • ecologische systemen verliezen veerkracht (overshoot, niet-lineariteit)
  • sociale systemen raken gefixeerd (lock-ins, infrastructuren)
  • politieke ruimte blijft bestaan, maar vernauwt
  • domeinen raken sterker verweven (kettingreacties)

Het kernbeeld is een “vernauwd en verhard toekomstraam”: geen vast eindscenario, maar een krimpende ruimte van mogelijke toekomsten met toenemende afhankelijkheden, minder herstelvermogen en meer gedwongen reacties.

Samengevat ontstaat een wereld waarin ecologische grenzen, historische processen en maatschappelijke structuren samen de toekomst steeds sterker inperken. Dit ligt tussen twee uitersten: niet volledig gedetermineerd, maar ook niet vrij open—wel toenemend structureel begrensd.

De resterende vraag is hoeveel handelingsruimte er nog is. Hoewel exacte uitspraken onzeker blijven, kan deze benadering wel de richting en dynamiek van die afnemende ruimte inzichtelijk maken.

-

 Recente ontwikkelingen in het Antropoceen

Sinds 2020 is de situatie duidelijk verslechterd. Waar toen 4 van de 9 planetaire grenzen waren overschreden, zijn dat er nu 7, met toenemende systeemstress en versnelling. CO₂ steeg van 416 (2020) naar 431 ppm (2026), en de 1,5°C-grens is vrijwel bereikt. Biodiversiteit, nutriëntenstromen en landgebruik verslechteren verder; zoetwater, oceaanverzuring en ‘novel entities’ zijn inmiddels ook overschreden.

Niet alleen het aantal overschrijdingen groeit, maar ook de stapeling en onderlinge versterking. Indicatoren zoals ecologische voetafdruk, Living Planet Index (~70% daling sinds 1970), HANPP en waterstress tonen een structureel ecologisch tekort en afnemende veerkracht.

Ook in de maatschappelijke sfeer verslechtert het beeld: meer geopolitieke fragmentatie, polarisatie, afnemende democratische kwaliteit en zwakkere bestuurlijke slagkracht. Dit belemmert effectieve aanpak van ecologische problemen: een dubbele crisis van zowel impact als sturingsvermogen.

De Sustainable Development Goals tonen stagnatie: slechts 10–15% ligt op koers. Sociale, ecologische en economische doelen gaan achteruit of vertragen. De focus verschuift van ontwikkeling naar crisismanagement.

Conflicten nemen toe in aantal, intensiteit en spreiding, met meer fragmentatie en impact op burgers. SDG16 (vrede en instituties) verslechtert sterk: meer geweld, zwakkere rechtsstaat en afnemende institutionele capaciteit. Diverse indices bevestigen een brede erosie van governance.

Ecologische druk, zwakke instituties en conflict versterken elkaar in feedbacklussen. Dit vormt een samenhangende systeemcrisis (“polycrisis”) met afnemende veerkracht en herstelvermogen.

-

 Escobar vergeleken met ITS3.2/SSP1.8 binnen een gelaagd analysekader

ITS3.2/SSP1.8 richt zich op de complexiteit, dynamiek en onzekerheden van aardesysteemprocessen én sociale, economische en politieke dynamiek op meerdere schalen. Centraal staat het onderzoeken van systemische duurzaamheidstransformaties en de (mogelijke) integratie van ontologische en epistemologische kennis binnen Antropoceen-onderzoek.

Het denken van Arturo Escobar is vooral een kritiek op het westerse ontwikkelingsparadigma. Hij plaatst ontwikkeling niet als neutrale waarheid, maar als een cultureel-politiek narratief dat macht reproduceert en vaak leidt tot ongelijkheid, ecologische schade en culturele erosie. In plaats daarvan benadrukt hij alternatieve manieren van samenleven waarin natuur, cultuur en economie niet gescheiden zijn, maar relationeel verweven. Inheemse en lokale kennispraktijken spelen daarin een centrale rol.

Overlap en spanning met ITS3.2/SSP1.8

Er is een duidelijke overlap met ITS3.2/SSP1.8. Escobars denken sluit aan bij het idee van verweven sociale-ecologische systemen en bij de noodzaak van structurele transformatie in plaats van technocratische optimalisatie. Ook zijn nadruk op complexiteit en het verlaten van lineaire ontwikkelingsmodellen past binnen het Antropoceen-discours.

Het fundamentele verschil zit echter in de manier waarop kennis en integratie worden gezien. ITS3.2/SSP1.8 gaat uit van een mogelijke integratie van kennisvormen over disciplines en ontologieën heen. Escobar is hier kritischer: zulke integratie kan volgens hem neigen naar epistemische dominantie, waarbij westers wetenschappelijk denken andere kennissystemen absorbeert. Hij pleit eerder voor co-existentie van meerdere kennissystemen dan voor één geïntegreerd kader.

Ook het Antropoceenbegrip zelf is problematisch voor hem: het suggereert een homogene “mensheid”, terwijl juist macht, kolonialisme en ongelijkheid centraal staan. Daarmee wordt structurele ongelijkheid verhuld.

Gelaagdheid, conditionering en transformatie

Binnen een gelaagd analysekader verschuift de focus van open systeemdenken naar structurele conditionering. Complexiteit betekent dan niet alleen onzekerheid, maar ook meervoudige, elkaar versterkende beperkingen. Dynamiek is cumulatief en deels onomkeerbaar. Onzekerheid is niet enkel epistemisch, maar ook structureel ingebed in vertraagde feedback en systeeminertie.

Daardoor verandert de betekenis van “transformatie”: die is niet onbeperkt maakbaar, maar vindt plaats binnen steeds krappere marges door pad-afhankelijkheid, schaalvergroting en tijdsvertraging. Handelingsruimte krimpt structureel.

Meer kennis of integratie van kennis leidt dan niet automatisch tot meer controle. Fysische, biotische en numerieke grenzen blijven doorslaggevend en niet onderhandelbaar. Interdisciplinariteit betekent daarom niet gelijkwaardigheid van perspectieven, maar erkenning van hiërarchische conditionering tussen systeemlagen.

Escobar en structurele grenzen

Escobar legt de nadruk op historische en culturele constructie van systemen. Ons kader benadrukt daarentegen dat er harde planetaire grenzen bestaan die onafhankelijk zijn van culturele interpretatie. Hier ontstaat een kernspanningsveld: pluraliteit van werelden versus één aardsysteem met universele fysische randvoorwaarden.

Waar Escobar ruimte ziet voor meerdere ontologieën (“pluriverse”), benadrukt het gelaagde kader juist een conditioneel-universele realiteit waarin hogere sociale lagen altijd begrensd worden door lagere fysische en biotische lagen.

Voorbeeld: landbouw

De spanning wordt zichtbaar in landbouwsystemen.

Binnen het gelaagde kader is industriële landbouw een voorbeeld van verhardende conditionering:

  • sterke pad-afhankelijkheid (infrastructuur, subsidies, kennisregimes)
  • schaaleffecten die efficiëntie én inertie versterken
  • vertraagde feedback (bodem, stikstof, klimaat)
  • harde fysische en biotische grenzen

Escobar leest hetzelfde systeem primair als ontologisch en historisch bepaald: landbouw is ingebed in kapitalistische en koloniale wereldbeelden waarin natuur als productiefactor wordt gezien. Hij wijst op alternatieven zoals agro-ecologie en inheemse landbouw, waarin natuur relationeel wordt benaderd.

Het verschil zit niet alleen in analyse, maar in wat als mogelijk wordt gezien:

  • Het gelaagde model benadrukt structurele beperkingen en lock-in.
  • Escobar benadrukt het bestaan van alternatieve praktijken en werelden.

Synthese

Beide perspectieven zijn deels complementair maar niet volledig verenigbaar:

  • Er zijn harde planetaire grenzen die niet cultureel oplosbaar zijn.
  • Het huidige systeem is historisch contingent en niet de enige mogelijkheid.
  • Transitie is denkbaar, maar sterk begrensd door schaal, inertie en tijdsvertraging.
  • Alternatieve praktijken bestaan, maar moeten ook binnen fysieke randvoorwaarden opereren.

Het gelaagde kader verklaart vooral waarom verandering moeilijk is; Escobar laat zien dat alternatieve ordeningen überhaupt voorstelbaar en deels al aanwezig zijn.

De spanning tussen beschrijving en normativiteit blijft daarbij cruciaal: eerst moet het reële, conditionele systeem scherp worden beschreven voordat normatieve of transformatieve claims worden verbonden aan het Antropoceen-discours.

-

 Het zelfversterkende karakter van de gaande Antropocene systeemdynamiek

Uit de recente bronnen blijkt dat de ontwikkeling niet lineair is maar versnelt. Het aantal overschreden planetaire grenzen is toegenomen (van 4 naar 7), en indicatoren verschuiven van “risico” naar “systeemstress”. CO₂ en andere ecologische systemen ontwikkelen zich sneller dan verwacht. Dit duidt op een verschuivend systeem richting instabiliteit, met toenemende kans op kantelpunten en versterkende feedbacks. De dynamiek is geen enkelvoudige crisis maar een gekoppelde polycrisis:

  • ecologisch (klimaat, biodiversiteit, water)
  • sociaal-economisch (ongelijkheid, grondstoffen)
  • institutioneel (polarisatie, afnemende governance)
  • geopolitiek (conflict, fragmentatie)

Deze domeinen versterken elkaar. Tegelijk neemt het sturend vermogen af: van samenwerking naar competitie, van integratie naar fragmentatie, en van bestuurlijke capaciteit naar inertie. Negatieve (stabiliserende) feedbacks verzwakken, terwijl positieve (destabiliserende) feedbacks domineren.

Er ontstaan versterkende cycli: ecologische druk → conflict → zwakkere instituties → slechter beleid → meer ecologische druk. Dit gaat samen met verlies van veerkracht: langere hersteltijden, grotere gevoeligheid voor verstoringen en afnemende stabiliteit. Het systeem beweegt richting regimeverandering en wordt vooral reactief in plaats van proactief.

Kernkarakter van de dynamiek:

  • niet-lineaire versnelling
  • feedback-gedreven escalatie
  • koppeling tussen domeinen
  • erosie van governance
  • afnemende veerkracht

Het systeem beweegt dus structureel weg van stabiliteit en wordt steeds moeilijker bestuurbaar.

Antropocene kenmerken

Het Antropoceen verschilt fundamenteel van het Holoceen:

  1. Technosfeer als geofysische kracht. Menselijke technologie is planetaire drijvende kracht geworden en overschrijdt ecologische grenzen.
  2. Planetair overschrijden van grenzen. Meerdere planetaire grenzen zijn overschreden; achteruitgang domineert.
  3. Achtergrond wordt voorgrond. Natuur is geen stabiele achtergrond meer, maar actief veranderend systeem.
  4. Onomkeerbaarheid. Veel processen (CO₂, biodiversiteit) zijn moeilijk of niet terug te draaien.
  5. Bevolkings- en schaaldruk. Menselijke schaal + technologie versterken planetaire impact.
  6. Verstrengeling natuur–cultuur. Ecologische en economische systemen zijn onlosmakelijk gekoppeld en vaak intern conflictueel.
  7. Schaal zonder precedent. Problemen spelen op planetaire schaal, terwijl stuurvermogen afneemt.
  8. Samenval van tijdschalen. Geologische, biologische, menselijke en historische processen botsen en interfereren.

Ontologisch perspectief

De dynamiek vraagt om een procesmatig en relationeel wereldbeeld:

  • Procesontologie: werkelijkheid is vooral verandering, geen stabiele objecten
  • Complexiteitstheorie: niet-lineaire systemen met emergentie en feedback
  • Relationele ontologie: alles bestaat via onderlinge relaties
  • Kritisch realisme: zichtbare trends zijn uitingen van diepere structuren
  • Ontologie van worden (Deleuze): instabiliteit en verschil zijn primair

Gezamenlijk: een relationele procesontologie van complexe, instabiele systemen.

Handelingsperspectief

Hieruit volgt geen controle- maar een navigatieperspectief: sturen via beïnvloeden van systemen, niet via volledige beheersing. Tegelijk is er een kernspanning: de noodzaak tot snelle actie neemt toe, terwijl bestuurlijke capaciteit afneemt. Door verhardende conditionaliteit krimpt de beleidsruimte:

  • minder tijd (snellere feedbacks en kantelpunten)
  • minder opties (overschrijding sluit paden)
  • hogere foutkosten (systemische versterking van fouten)

Hierdoor verdwijnt lineaire planning als effectief model. Belangrijker worden:

  • timing (wanneer ingrijpen)
  • plaats (waar in het systeem)
  • richting (welke feedback versterken of doorbreken)

Maar juist deze vormen van sturing worden moeilijker door fragmentatie en institutionele erosie.

Tijdsdynamiek en vensters

Het systeem kent geen uniforme deadline maar overlappende vensters:

  • Klimaat: mogelijk kritisch venster van enkele jaren (± 3–8 jaar voor beperking van verdere overshoot-effecten)
  • Ecosystemen: 5–20 jaar, vaak lokaal al korter
  • Governance/instituties: zeer korte kritieke periode (± 2–4 jaar in sommige dimensies)

Belangrijk is dat overshoot + feedbacks het beschikbare handelingsvenster actief verkleinen. Daardoor versnelt niet alleen de problematiek, maar ook het verlies van sturingsvermogen.

Slotkern

Het Antropoceen laat zich samenvatten als een zelfversterkende, gekoppelde systeemcrisis met afnemende veerkracht en krimpend handelingsvermogen. Het systeem beweegt niet geleidelijk maar versnelt richting instabiliteit via versterkende feedbacks tussen ecologische, sociale en institutionele domeinen. De kernspanning is dat het noodzakelijke niveau van ingrijpen steeds minder aansluit op wat institutioneel en praktisch nog mogelijk is.

-

 Vertragen en verzachten

Met vertragen&verzachten (v&v) bedoelen wij een algemene aanduiding van transities op deelgebieden. Dit is in een Antropoceentheorie nader uit te werken, bv. naar beschermen van wat nog werkt, waar, hoe en wanneer dat nog kan. Het gaat dan over van brede transitie naar ruimtelijk en temporeel gerichte, contextafhankelijke doorbraken onder druk.

Er moeten dan dus transities gebeuren onder toenemende systeemdruk bij verhardende conditionering in een versnellende dynamiek met unieke Antropocene kenmerken. De vraag is echter hoeveel tijd we nog hebben tot v&v. De dynamiek is immers richting zelfversterkende versnelling. Het Antropoceen wordt om die reden dus geen ‘goed Antropoceen’, geen ‘Symbioceen’, geen ‘van antropocentrisme naar ecocentrisme’, geen systeemomwenteling in positieve zin. Dit impliceert: het is niet meer afhankelijk van zogenoemde SocialTippingPoint's. We kunnen rustig aannemen dat "de meeste mensen" best wel het goede willen.

Het zet alle leefbaarheid onder druk. Wij verstaan onder v&v: een minder slecht Antropoceen, voor zover mogelijk. De uitdrukking van ‘voor-zover-mogelijk’ moet dynamisch worden gezien naar de actuele situatie inclusief wat zich bewezen heeft, wat zich aan het bewijzen is en wat we de komende jaren op dat gebied kunnen verwachten. Dat laatste is dus een reële inschatting op basis van de meest actuele nieuwsbronnen.

Onder specifiek 'vertragen' verstaan wij: de overshootsnelheid voor zover mogelijk vertragen. Onder specifiek 'verzachten' verstaan wij: de gevolgen voor zover mogelijk minder onleefbaar maken.

Deze insteek gaat er vanuit dat de heersende natuurcultuur-verstrengelde dynamiek verloopt in de richting van afnemende cultuurmacht ten gunst van toenemende natuurkracht. De Antropocene kenmerken zijn niet weg te nemen, anders heeft het geen zin om van het Antropoceen te spreken en hebben we het eerder over een vervolgfase van het Holoceen. De dynamiek is niet weg te nemen, anders ontkennen we de massieve dynamiek van natuurcultuurverstrengeling in zelfversterkende richting. Beide ontkenningen zouden hubrisch zijn. Er zijn lieden, zo blijkt steeds weer, die nog steeds de implicaties van de Antropocene dynamiek en kenmerken missen in hun volle betekenis. Zij denken dat het nog steeds een cultuurstrijd is tussen mensen die ‘het goede willen tegenover mensen die dat in de weg staan’.

Die onzin bestrijden wij.

-

 Het grondmotief van een gelaagde ontologie.

Een ontologie betreft het ontische en is impliciet opgenomen in het pystische aspect. Dit aspect is betrokken op wat aan alle aspecten vooraf gaat. Het is daarmee betrokken op actuele-schepping-conti-nu van subject-object ervaringswerkelijkheid, die gelaagd is in aspecten. Wanneer een ontologie expliciet wordt gemaakt dan is deze ook opgenomen in het logisch-analytische aspect.

De actuele schepping van ervaringswerkelijkheid conti-nu is ‘Wording’ (Whitehead), verloopt via de ‘Zelfheid’ (Dooyeweerd), die dialogisch dynamisch van aard is als ‘Ik-Gij’-relatie (Buber). Het is de taal van het Leven Zelf (Michel Henry). Wanneer we dit immanent denken zonder bovennatuur, dan is het de Zelforganisatie (natura naturans bij Spinoza). Het kan niet gescheiden, maar wel onderscheiden worden in het denken: in subjectzijde en objectzijde. Aan beide zijden, subject en object, is er als penetrerende doorgeving (van ‘Vader op Zoon’) sprake van Creativity (de zelforganiserende scheppingsactiviteit) en Bedding (de historisch opgebouwde verleden realisaties die de actuele schepping met zich meetrekt (het vele wordt steeds vermeerdert met één – Whitehead). Creativity is vrij-gebonden aan Bedding. We kunnen zeggen: het moet het er mee doen. De verandering van Bedding stuurt dus op die manier de mogelijkheden voor Creativity.

Deze door de procesfilosofie meta-fysisch geduide Werking van moment naar moment is precies wat we nu in de snelle veranderingen van het Antropoceen zien gebeuren. Het stuurt de dynamiek waar alle organismen aan onderhevig zijn. Dit gaat, zoals we kunnen weten, niet in levensondersteunende, maar juist in levensontwrichtende en vernietigende richting. Het bindt de menselijke bijsturingsmogelijkheden in een richting van verhardende en verengende conditionering. De richting is onheilzaam in plaats van heilzaam.

Realisatie conti-nu vindt plaats vanuit een potentieveld (taoïsme). Dit veld zweeft niet ergens, maar is materieel-immaterieel ingebed in de verleden realisaties en fungeert als Bedding. Zo kunnen we spreken van pro-ces: voortplanting (van ervaringswerkelijkheid, boven-biotisch, voortplanting van moment naar moment), penetratie, zelfschepping, energie. Tijd is energie want Werking.

De rijkdom van de cultuurlijke aspectuele gelaagde bovenlaag – die later in de evolutie er ‘bovenop’ gekomen is – is niet los te koppelen van waar ze afhankelijk van is: van haar basis, de natuurlijke aspectuele onderlaag. Het is er energetisch en emergetisch uit voortgekomen. Het is nu juist deze rijkdom echter die onder de zware, massieve druk staat van de Antropocene dynamiek in de onderlagen. Dit is: de cultuurlijke aspecten worden nu gunstige Holocene mogelijkheden ontnomen om goed en heilzaam te kunnen functioneren. Ze kunnen niet tegen hun basis, hun primaire onderlaag, ingaan.

We hebben het dus over de existentiële Betekenis van het ontische, het zijnde. Het ontologische beeld hiervan kan schematisch gedacht worden als een ‘kruis’: de ‘verticaal’ gelaagde actuele schepping-conti-nu voltrekt zich als dynamisch temporeel ‘horizontaal’ proces van moment-naar-moment en wordt zo evolutionair historisch opgebouwd.

Structurerende ‘Holocene’ dynamiek in de natuurcultuurverstrengelde planetaire sferen, waar de mens in woont (habitat) inclusief de in de basis noodzakelijke technologische sfeer (Plessner, Sloterdijk) maakte veel mogelijk. Maar het technologische medicijn werd gif (Stiegler). Wat zich in het Holoceen ontsloten heeft als relatief goed functionerende cultuurlijke aspecten vervalt onder de Antropocene druk van toenemende overshoot noodzakelijkerwijs tot slechter functioneren.

We hebben voor de duiding van dit proces (en daarmee dus Antropocene theorievorming) objectiverende systeemtaal en we hebben, zoals gezegd, de processuele, affectieve en concrete subject-object-taal-van-het-Leven zelf. Het zou echter misleidend zijn om te denken dat die twee talen ons zouden kunnen redden uit de Antropocene dynamiek. Dit is vanwege haar unieke kenmerken, waaronder toenemende overshoot. Dit maakt de Antropocene dynamiek van een stellige aard, gelegen in de aard-der-dingen, in het ‘zo-zijn’, hetgeen betekent: het is niet anders.