1. Een procesmatige blik op het Antropoceen
    2. Een historische blik op het Antropoceen
    3. De lange aanloop
    4. Procesfilosofie
    5. De status van het verleden
    6. Opbouw en afbraak
    7. Van bronoorzaken naar gelegenheidsoorzaken
    8. Waarom doen we er onvoldoende aan?
    9. Kunnen we nog zonder energietoevoeging?
    10. Dissipatieve, filosofische en ethische implicaties
    11. Onderliggende wereldbeelden
    12. Overmacht en onderhevig zijn aan overmacht
    13. Concurrentie&samenwerking

    *

    1. Een procesmatige blik op het Antropoceen

    Er worden vele oorzaken genoemd die geleid zouden hebben tot planetaire overshoot, van het ontstaan van de landbouw tot en met bijvoorbeeld kapitalisme. We kunnen die gelegenheidsoorzaken weliswaar inventariseren en erkennen, maar hier gaat het meer om een procesmatige blik, om te kijken naar de evolutionaire oorzakelijkheidsketen. We kunnen dan spreken van voorafgaande bronoorzaken (of bronvoorwaarden) en gelegenheidsoorzaken. Zonder bronvoorwaardelijkheid waren de gelegenheidsoorzaken niet mogelijk geweest. En we moeten de hardnekkigheid van de problematiek afdoende kunnen verklaren, hetgeen er eveneens voor pleit om de blik te richten juist ook op de bronoorzaken en de evolutionaire wetmatigheden daarvan.

    Evolutionair succesvolle routes volharden in hun succes ofwel groei tot ze door negatieve feedback de kop in worden gedrukt. Binnen planetaire grenzen kan dit proces zich blijven herhalen in cyclische patronen van geologisch gezien betrekkelijk korte tijdschalen. Voorbij deze grenzen is er ook sprake van cyclische patronen, maar dan op immens grotere tijdschalen. Dit maakt het begrip (on)omkeerbaarheid tot een geologisch perspectief. Op menselijke tijdschalen gezien zitten we nu in een onomkeerbaar traject. We moeten dus kijken naar de bovenmenselijke tijdschalen van BigHistory en DeepHistory. We hebben het over tijdschalen van miljoenen jaren.

    Evolutie - waarvan technologische dissipatieve cultuur (lees: de mens en zijn samenleving als grootverbruiker van zijn leefomgeving) een nichevorm is die mogelijk werd gemaakt door en vanaf het rechtop gaan lopen - heeft wel vaker paden bewandeld die van succes of ‘succes’ konden worden beticht, waardoor dat pad uiteindelijk tegen zijn eigen grenzen aanliep en ten onder ging. Het mensdier, als voertuig van die overmachtige evolutie die nu het Antropoceen aanstuurt, is daaraan onderhevig. De lange en primaire temporeel-evolutionaire route is nu via cultuurlijke evolutie een overmacht geworden door planetaire overshoot. De actuele mens legt het af tegen een fysisch-biotisch-cultureel traject van miljoenen jaren evolutie die geleid heeft tot deze overshoot. Het kernkantelpunt als bronoorzaak ligt zo gezien al in het verre verleden. Een procesmatige blik richt zich op evolutionaire wetmatigheden en principes, die de gelegenheidsoorzaken van de laatste duizenden jaren inkaderen. Die gelegenheidsoorzaken konden zich versnelt ontwikkelen door de gunstige Holocene omstandigheden van de laatste twaalfduizend jaar, maar ze waren niet mogelijk zonder het voorafgaande traject van de soort die uit de bomen kwam en rechtop ging lopen.

    *

    1. Een historische blik op het Antropoceen

    Een historische terugblik probeert de evolutionaire wetmatigheden te plaatsen binnen geschiedenissen van verschillende lengte en duur. Wat betreft de huidige penibele situatie hebben zich in het verleden al heel wat gelegenheidsoorzaken voorgedaan in de lange evolutionaire oorzakelijkheidsketen die heeft geleid tot de actuele planetaire overshoot. In oorsprong heeft het Antropoceen twee levens gekend: de geologische geschiedenis van de aarde (BigHistory) en de historisch-existentiële wereldgeschiedenis van het mensdiertijdperk (DeepHistory).

    De historicus Chakrabarty zegt hierover: “Het is de morele kant van het Antropoceen-debat – vragen over de historische verantwoordelijkheid voor de opwarming die tot nu toe heeft plaatsgevonden – die ons dwingt ideeën die diepgaand te maken hebben met de geschiedenis, geologie en geologische tijd van de aarde te vertalen naar de taal van de wereldgeschiedenis. Dit vereist echter twee belangrijke verplaatsingsdaden: de verplaatsing-vertaling van de categorie 'kracht' – verwijzend naar de fysieke aantrekkingskracht die het ene materiële lichaam uitoefent op het andere (om de Newtoniaanse interpretatie ervan te volgen), dus de mensheid als geologische kracht – naar de menselijk-existentiële categorie macht en de sociologisch-institutionele correlaties daarvan; en de daarmee gepaard gaande verplaatsing van het probleem van het Antropoceen van het domein van de geologische tijd naar de tijd van de menselijke of wereldgeschiedenis."

    We kunnen zo twee verwante maar tegengestelde denkrichtingen volgen. De ene is uitzoomend vanuit de actualiteit van de korte geschiedenis naar de lange geschiedenis; de andere, daar tegenover, is inzoomend vanuit de lange geschiedenis naar de actuele.

    Inzoomend kunnen we een traject vaststellen:

    de geschiedenis of evolutie van het huidige heelal (14 miljard jr)-> van de planeet aarde (5 mijlard jr) -> van het biotische leven (4 miljard jr)-> van de primaten (12 miljoen jr) -> van het rechtop gaan lopen van een primatensoort (8 miljoen jr) van de mens (300.000 jr) -> van het Holoceen (12.000 jr) -> van het westers techno- kapitalisme (400 jr) -> van de Grote Versnelling (vanaf 1950) -> van de laatste drie à vier decennia klimaat- en ecologisch beleid of ‘beleid’.

    We kunnen zo die vraag overdenken naar de historische verantwoordelijkheid of oorzakelijkheid van opwarming en alle andere ecologische overshoot. Er is zo gezien sprake zijn van een lange oorzakelijkheidsketen, die te maken heeft met evolutionaire groei- en overshootwetmatigheden in relatie met het wezen van de mens. We kunnen dan denken in termen van bronoorzakelijkheid en afgeleide indirecte gelegenheidsoorzaken die zich voor konden doen in die lange evolutie. Dat zou ook (pas) de hardnekkigheid van de problematiek kunnen verklaren, inclusief waarom oplossingen niet zomaar voor het grijpen liggen. Het relateert volgens ons het ‘te dichtbij’ zoeken van oorzaken zoals het begin van de techno-kapitalistische industriële revolutie, of misleiding door olie-aanbieders. Het zoeken van verklaring van de hardnekkigheid in die gelegenheidsoorzaken zou weleens tekort kunnen schieten.

    *

    1. De lange aanloop

    Hier wordt betoogd dat de weg naar planetaire overshoot een lange aanloop moet hebben gehad, waardoor uiteindelijk zowel de landbouw, de verstedelijking, de bevolkingsgroei als ook de technologische industriële samenleving booming konden worden, met toenemende ontwrichtende werking op het aardsysteem. De ene ontwikkeling ontsloot de mogelijkheid tot de volgende enzovoorts, in een lange oorzakelijkheidsketen.

    Het is zo gezien niet zozeer het menselijke onvermogen, als wel dit lang opgebouwde vermogen dat het Antropoceen nu aanstuurt. Wanneer deze evolutionaire route is begonnen is arbitrair, maar laten we beginnen bij de periode dat voorpoten handen werden bij het rechtop gaan lopen. We krijgen dan een route:

    van voorpoten naar handen (de voorpoten werden er niet afgeschroefd, waardoor ze ergens anders voor gebruikt konden worden) -> handigheid - > kunstmatig-zijn-van-nature (technologie; zich moeten aanvullen met exogene middelen om volledig mens te kunnen zijn -> hersenontwikkeling/intellect/ratio -> ontsluiting van cultuurlijke mogelijkheden -> planetaire-grens-bereikt -> toenemende overshoot.

    Dit brengt implicaties met zich mee voor het denken over niet alleen de oorzakelijkheidsketen, maar ook over kwesties als verantwoordelijkheid, schuld, vrijheid en gebondenheid, hardnekkigheid, (on)oplosbaarheid, alternatieven of ‘alternatieven.‘

    *

    1. Procesfilosofie

    De mens is de oorzaak van klimaat- en ecoverandering, planetaire overshoot en daarmee het ontstaan van het Antropoceen. Maar wat zeggen we daarmee precies?

    De benadering van de hardcore geologen Antropoceen blijft aan de klinische kant en krijgt niet de volle werkelijkheid van het Antropoceen te pakken in zijn betekenis. Zij zoeken in de aardlagen naar 'golden spikes', naar signalen van menselijke invloed. De betekenis heeft echter betrekking op de gevolgen in de zin van (on)heil. De gevolgen zijn dramatisch en moeten waar nodig worden bestreden. Maar een effectieve bestrijding blijkt vol te zitten met weerbarstigheden. Die weerbarstigheden, en de hardgebakkenheid van de trends moeten afdoende verklaard kunnen worden en dan hebben we het volgens ons over  een diepe oorzakelijkheidsketen. Hoe die oorzakelijkheidsketen wordt gezien is vast ook afhankelijk van mens- en wereldbeeld, dat wellicht voorafgaat aan rationeel-analytische theorieën, abstracties en onderzoek. Misschien dat dit betekent dat er geen eenduidige universele Antropoceentheorie in het verschiet ligt wat betreft oorzakelijkheid (en daarmee de interpretatie van gevolgen), maar dat er een spectrum van theorieën zou kunnen zijn. Welke theorie verklaart dan de gang van zaken het beste?

    De procesfilosofie (waaronder ook taoïsme) benadert de realiteit als actuele schepping uit mogelijkheden. Er is een ‘potentieveld’, een primordialiteit, waar Creativity (term van Whitehead) of Tao gebruik van maakt en waarbij de eerdere realisaties conti-nu de mogelijkheden bepalen voor de volgende actuele manifestatie van de reeks van gebeurens.

    Het is niet onwaarschijnlijk dat de hele Holocene periode de mogelijkheid ofwel potentie bood voor de gang naar planetaire overshoot. Maar zo’n gunstig tijdperk is op zichzelf geen oorzaak en niet verklarend genoeg. Groeiwetmatigheden zijn evolutionair, temporeel van aard, primordiaal voor actuele realisatie.

    Er zijn een vijftal eerdere massa-extincties geweest, en deze keer, de aanloop naar de zesde, verliep op een specifieke manier. De eerdere evolutionaire natuurlijke ontwikkeling die via de primatensoorten liep maakte de erop volgende mogelijk: voorpoten werden handen, handen gingen door hun handigheid wellicht een verbond aan met hersenontwikkeling, die twee samen gingen een verbond aan met technologie, die technologie ofwel kunstmatigheid was vanwege de constitutieve thuisloosheid van dit naakte onbehuisde zelfbewust geworden dier noodzakelijk voor overleven van individu en soort waarlangs deze evolutionaire vorm verliep (kunstmatig van nature). De technologie werd uiteindelijk een complete planetaire technosfeer (nieuwigheid in de evolutie) die steeds meer kracht en invloed kreeg op de overige geosferen, door extractie en dissipatie van exogene hulpmiddelen en energiebronnen.

    De evolutionaire en primordiale bronoorzakelijkheid moet volgens ons in beeld komen om twee redenen:

    1. in te zien dat de rest van de oorzaken proxy-, of gelegenheidsoorzaken zijn: de ontdekking van vuur, van metalen, van fossiele brandstoffen, de overgang naar landbouw, de daarmee gepaard gaande verstedelijking en culturele ontwikkelingen die  uiteindelijk steeds complexer raakten.
    2. Om de weerbarstigheid afdoende te kunnen duiden.

    Ad a. Het Holoceen bood de gelegenheid voor de versnelling van proxy-oorzaken, hetgeen samen op ging met wetenschappelijke en technologische ontdekkingen, van bv. ijzeren tijdperk, stoomtijdperk, industrialisatie, geneeskundige mogelijkheden, toenemende hygiëne, wederopbouw, kapitalisme, neo-liberalisme, de Great Acceleration, en niet te vergeten de met dit alles gepaard gaande demografische explosie, door het steeds weer kunnen uitstellen of overleven van afdoende negatieve feedback. Allemaal proxy-deelnemers in een lang traject van evolutionaire groeiwetmatigheden.

    Ad b. Zogezien duidt dit op een bepaald evolutionair verloop tot aan en voorbij zijn uiterste grens: de planetaire grens, met planetaire overshoot. En het lijkt ons niet onlogisch dat we niet zonder meer, of misschien wel in het geheel niet, kunnen verwachten dat eerdere evolutionaire succesfactoren door het dier waarlangs deze evolutie is verlopen, beheerst kunnen worden omgekeerd want dan zouden ze zowel tegen hun eigen oorspronkelijke succes- of groeiwerking ingaan als ook tegen 'de pijl van de tijd' die slechts één richting kent.

    We zijn door en door afhankelijk van de huidige stand van de technosfeer. De hardgebakkenheid daarvan moet aan het licht komen om de al decennialang gaande trends, sinds we hun verontrustende en onheilzame impact kennen, te kunnen verklaren. En het lijkt me niet onlogisch dat vanwege de planetaire overshoot de evolutie nu gestuurd wordt door de mens te boven gaande krachten.

    Je zou kunnen zeggen: de aanloop naar de huidige planetaire overshoot werd deze keer aangestuurd door de evolutionaire vorm of organisme genaamd ‘mens’. En dan met name door de technosfeer die een eigen leven ging leiden en waar we nu niet zomaar vanaf kunnen. Dat was in zekere zin een vorm van macht (vermogen) hoewel het tegelijk de mensheid gewoon is overkomen. De mens heeft natuurlijk helemaal niet aangestuurd op planetaire overshoot, het is collateral damage. En de mens stuurt nu het Antropoceen niet aan, er zijn natuurlijke overmachten ontstaan die de macht van de mens te boven gaan. Dit laatste geeft ons ook een nieuw perspectief op maakbaarheid en vooruitgang.

    Dit alles is verlopen als een natuurlijk proces, waarbij cultuur als een nicheconstructie van natuur kan worden gezien. Een proces dat uniek is in de mensengeschiedenis, maar zeker niet in de planetaire geschiedenis. De mens is een levensvorm waarlangs een bepaalde ontwikkeling een tijdlang is verlopen, met alles erop en eraan, ruimtelijk en temporeel. Met ‘alles erop en eraan’ wordt ook bedoeld dat evolutionaire processen niet gelijktijdig over de gehele planeet hoeven te verlopen: de ruimtelijke component impliceert dat een ontwikkeling 'ergens' ontstaat.

    Ja, het is nu de mens die de oorzaak is, maar wat zegt dat eigenlijk precies wel en niet? Waarom zou die mensengeschiedenis niet gewoon een natuurlijke geschiedenis zijn, zodat de oorzaak van de huidige massa-extinctie in essentie niet verschilt van die van eerdere?

    De relatie tussen de weerbarstigheid van de dilemma’s, tegenstrijdigheid, spagaten, onmacht en daartegenover verantwoordelijkheid: hoe moeten we dat enorme spanningsveld zien?

    *

    1. De status van het verleden

    De status van het verleden bij Whitehead kan zinvol toegepast worden op Antropocene ontwikkelingen.

    Proces is de basis van alles. Alles gebeurt in een keten van gebeurtenissen. Niets komt plotseling uit de lucht vallen. De oerknal is slechts het begin van ons elektromagnetisch kosmisch tijdperk, niet het begin van het universum. We moeten veronderstellen dat er een voorafgaand tijdperk was dat ons kosmische tijdperk genereerde en een volgend tijdperk waarin het onze zal overgaan. Er bestaat geen 'lege tijd', tijd is Werking, Wording. Dit overmachtige gegeven van overgankelijkheid op grote BigHistory-tijdschalen van miljarden jaren geldt voor alle tijdschalen, dus ook voor de overgankelijkheid van Holoceen naar Antropoceen.

    Het is noodzakelijk dat het verleden vergaat om nieuwigheid te laten plaatsvinden in een creatief universum. Proces, zegt Whitehead, brengt verlies met zich mee. “Het huidige feit heeft het verleden feit niet in enige volledige onmiddellijkheid bij zich” ( PR , 340).

    Maar vergaan betekent tegelijk ontstaan. De basale principes van Temporaliteit en Wording betekenen niet enkel vergankelijkheid maar Overgankelijkheid, waarbij het verleden mede bepalend is voor de toekomstige ontwikkelingen in een verhouding van determinisme en vrijheid, van bepaaldheid en mogelijkheid.

    We zitten nu in de Overgankelijkheid van een sub-tijdperk binnen ons kosmisch tijdperk van het huidige heelal. Met zijn huidige natuurwetmatigheden, waar de individuen, de soorten, de organismen onderhevig aan zijn. Het Holoceen was een redelijk gunstig tijdperk voor de mensensoort en de bijbehorende cultuur-ontwikkelingen die deel uitmaken van natuurlijke ontwikkelingen. En de culturele ontwikkelingen hebben nu eenmaal feitelijk tot een toename van energiegebruik geleid, waar we niet zomaar meer vanaf kunnen gezien de medebepalende status van het verleden voor gaande en toekomstige ontwikkelingen. Dit laatste dringt zich meer en meer aan ons op, ondanks alle pleidooien, oproepen, manifesten en protesten om te stoppen met het uitstoten van broeikasgassen.

    *

    1. Opbouw en afbraak

    Evolutionaire aanpassing gaat niet alleen gepaard met opbouw, groei en bloei, maar ook met afbraak, instorting, uitsterving. Het eerste betekent heil voor de bestaande organismen, het tweede betekent onheil.

    De mens nu is dat specifieke organisme dat over zijn eigen schouder meekijkt, kan meekijken, naar wat zhij aan het doen is. Helmuth Plessner noemt dit de excentrische positionaliteit van de mens. De mens heeft met alle overige dieren de centrische positie gemeen; in de loop van de evolutie is daar 'iets bovenop' gekomen, namelijk die excentrische positie, Dooyeweerd heeft nagenoeg hetzelfde uitgewerkt als de primaire naïeve ervaring versus de secundaire theoretische houding, ofwel het beschouwend denken. De naïve ervaring is primair aan de theoretische houding omdat het denken pas later in de evolutie 'er bovenop' is gekomen.

    Dit laatste kan gezien worden in het licht en duister van de huidige ontwikkelingen. We zien wat we aan het doen zijn en zo zien we nu, vanwege deze dubbelstructuur, een diersoort spartelen op dubbele wijze. De mens is in verwarring en raakt meer en meer ontheemd in dit thuis, onze habitat, onze planeet. En daar heeft zhij voorgevoelens bij die zich op diverse manieren uiten, bijvoorbeeld ook door Zandkopper te zijn. Terwijl ondertussen de ‘Antropocene tijden’ zich steeds stelliger blijken te ontwikkelen.

    *

    1. Van bronoorzaken naar gelegenheidsoorzaken

    Van bronoorzaken van gelegenheidsoorzaken is een evolutionair traject van primaire (‘lagere’, eerdere) naar secundaire (‘hogere’, latere) oorzaken. Het is de evolutionair gelaagde opbouw van de werkelijkheid. Dat is een ontwikkeling: van fysische aspecten via fysisch-biotische aspecten naar de samenhang en het brede spectrum van fysisch-biotisch-cultuurlijke aspecten, ofwel natuurcultuurverstrengeling.

    Het is een route van het eerdere niet-rationele naar ook het latere ‘daarbovenop’ gekomen rationele zijnsaspect, in de samenhang van de holistische totaliteit van alle zijnsaspecten.

    Het is een spoor van de logica van de intelligentie van de natuurlijke Zelforganisatie als niet-rationele Strevende Werking via het fysisch-biotische naar de gerelateerde cultuuraspecten, met zijn specifieke onderscheidende kenmerken van intelligentie die onderhevig zijn aan Zelforganisatie.

    Het onderstaande is een niet-willekeurige volgorde van eerder/lager/primair naar later/hoger/secundair (er bovenop gekomen). Het primaat ligt bij eerder/lager/primair (en eenvoudiger), als fundament voor later/hoger/secundair (en complexer).

    Bronoorzaken, gelegen in veranderingen binnen de primaire fysische en biotische natuuraspecten. We kunnen dit zien in het licht van de evolutie van een bepaalde soort van de laatste miljoenen jaren: een verandering van bot- en spierstructuurverandering naar rechtopgang, naar handenfunctie/handigheid, naar hersenfunctie/slimheid, naar kaakverandering/maag-darmverandering, naar verandering van de positie in de voedselketen, naar ontharing, naar het technè of kunstmatig moeten zijn van nature. Precies omdat de rechtopganger daardoor in staat werd om zich aan te vullen met gereedschappen en energie uit zijn omgeving, werd hij ook gebrekkiger-van-zichzelf. Een mens moet zich aanvullen om volledig mens te kunnen zijn. Dat is: hij kan niet meer zonder een bepaalde mate van dissipativiteit, zijn omgeving verbruikend.

    Evolutionair gezien kent de pijl van de tijd maar één richting, in de regel naar toenemende complexiteit bij positieve feedback en naar vereenvoudiging (via verstoorde orde) bij negatieve feedback, waardoor fysisch-biotische vereenvoudiging over het algemeen niet mogelijk is vanuit endogene factoren, wel vanuit exogene factoren. D.w.z. deze fysisch-biotische temporaliteit (naar complexiteit dan wel naar vereenvoudiging) is over-macht waaraan de organismen onder-hevig zijn.

    Veranderingen gelegen in de cultuurlijke aspecten. In toenemende mate voltrekt zich dit in de richting planetaire overshoot, als gelegenheidsoorzaken en symptomen op basis van de bronoorzaken, met als gevolg iedere keer weer een versnelling in dissipatieve afhankelijkheid en toenemend gebruik van exogene energie en overige grondstoffen; inclusief rigoureuze landverandering zoals ontbossing etcetera. Terugkijkend zien we miljoenen jaren waarin er wat dat betreft niets aan de hand is, niets te zien is, en de richting naar planetaire overshoot uiteraard ook niet beseft kon worden – totdat het zich plotseling geopenbaard heeft, en pas achteraf beseft kon worden. Betrekkelijk plotseling, maar allang gaande als onderstroom, openbaarden de dissipatieve veranderingen zich in hun samenhang tot een explosief exponentieel kruitvat. We kunnen een inventarisatie maken van een oorzakelijkheidketen:

    - gebruik van gereedschappen
    - grotere mate van dissipativiteit (waardoor bv ontharing mogelijk werd = waardoor de mens van zichzelf steeds gebrekkiger werd, want kon worden en toch kon overleven)
    - ontdekking van grondstoffen en fossiele energiebronnen
    - gebruik van vuur om te verwarmen
    - gebruik van vuur om voedsel te bereiden
    - ontwikkeling van landbouw
    - gebruik van vuur om metalen te smeden
    - verstedelijking / setteling
    - kaalkap door de Romeinen
    - complexere samenlevingen, waardoor dissipatievere materiële infra-structuren
    - complexere samenlevingen, waardoor ontsluiting economisch aspect
    - complexere samenlevingen, waardoor ontsluiting politieke aspect
    - complexere samenlevingen, waardoor ontsluiting juridisch aspect
    - complexere samenlevingen, waardoor ontsluiting esthetisch aspect (waaronder toerisme)
    - complexere samenlevingen, waardoor doorgaande ontsluiting technologisch aspect
    - complexere samenlevingen, waardoor doorgaande toename energiebehoefte
    - wetenschappelijk-theoretische, en van daaruit praktisch-technologische ontwikkeling waarvan de laatste een zoveelste versnelling in dissipativiteit en energietoename
    - kapitalisme
    - kolonialisme
    - industriële revolutie
    - hygiënische en gezondheids revolutie; (kinder)sterfte-afname
    - exponentiële bevolkingstoename
    - welvaartsgroei
    - commerciële industrie
    - vele -ismen: verabsoluteerde, dualistische, reductionistische, verwrongen overtuigingen, denkbeelden en reactionaire patronen met socio-ecologische impact, zoals rationalisme, materialisme, kapitalisme, economisme, neo-liberalisme, individualisme, antropocentrisme, egocentrisme, hedonisme, populisme
    - de impact van sociale media, met toenemende verdeeldheid en polarisatie
    - eetgewoontes
    - open winkeldeuren in de winter
    - exponentiële groei AI
    - exponentiële groei airco's
    - wapenwedloop; defensie-uitgaven, waardoor concurrerende financiële middelen
    - vergrijzing en toename zorgkosten, waardoor concurrerende financiële middelen
    - cultuuroorlogen
    - de lijst is vast niet compleet.

    Je zou kunnen stellen dat met het transformeren van voorpoten in handen -  die door verfijning van de motoriek, in staat werden tot steeds geavanceerdere technologische handelingen -, het Antropoceen reeds in de wieg is gelegd. Deze evolutionaire transformatie ging tegelijk gepaard met hersenontwikkeling, en die twee samen konden er wat van wat betreft de omgeving verbruiken als hulpmiddel.

    De omgeving verbruiken was voor de mens, als het naakte onbehuisde dier, gewoon pure noodzaak om volledig mens te kunnen zijn. Hij moest zijn gebrekkigheid aanvullen met exogene middelen. Zo kon er sprake zijn van een kweek van een bepaald type ontwikkeling binnen de evolutie - een cultuurlijke nichevorm. Positieve feedback versterkte dit proces zodanig dat er uiteindelijk een exponentiële sprong plaasvond waardoor planetaire overshoot werd bereikt doordat negatieve feedback steeds kon worden uitgesteld. Uitstel betekent geen afstel.

    *

    1. Waarom doen we er onvoldoende aan?

    Als soort zijn we bijzonder succesvol gebleken bij het innemen van aardse ruimte. Precies daardoor zijn we nu in een penibele situatie terecht gekomen. We kennen onze situatie, we denken de oorzaken te weten en toch blijken we onmachtig, onaangepast, onwijs te zijn. De mensengeschiedenis was per saldo een aaneenschakeling van positieve feedback, die haar eigen bestaansrecht vestigde. Het vestigde zich als evolutionaire hardgebakkenheid met alle groeikenmerken en – wetmatigheden erop en eraan. Eerdere ontwikkelingen maakten daarop volgende mogelijk, zodat alle oorzaken van de huidige situatie die wij gewend zijn als oorzaken aan te wijzen, (kapitalisme, vrije markt, fossiele industrialisering, technologie, commerciële industrie, zogenaamd antropocentrisme, etc.) slechts indirecte oorzaken waren, proxy-oorzaken  in een keten van aaneenschakelingen naar toenemende complexiteit en schaalgrootte. Dit betekent dat het kernkantelpunt naar het Antropoceen eigenlijk al in het verre verleden ligt.

    De vraag naar: “wat waren de onderliggende evolutionaire oorzaken van de keten van veranderingen die tot dit nieuwe tijdperk hebben geleid?” doet de kwestie van wanneer is het Antropoceen begonnen (de vraag van de geologen) verleggen naar het veel bredere vraagstuk van waarom is het begonnen. Waarom is het begonnen kan een antwoord zijn op de vraag waarom we er onvoldoende aan doen. Het is de vraag naar het evolutionaire proces dat tot planetaire overshoot heeft geleid.

    De vraag: “Wat is de betekenis van het Antropoceen?” heeft betrekking op de existentiële kwestie van heil en onheil. Het is de samenhang van deze drie vragen: 1. “waarom doen we er onvoldoende aan?” 2. “Wat waren de onderliggende evolutionaire oorzaken?” 3. “Wat is de betekenis van het Antropoceen”, die ons misschien kunnen bijlichten over onze penibele Antropocene situatie en de konsekwenties naar de toekomst. In deze samenhang kunnen we ook benoemen waarom het begrip ‘Antropoceen’ relevant is als afwijking van de voorbije Holocene omstandigheden. Immers, juist die Holocene omstandigheden hebben bijgedragen aan de samenhang van de drie genoemde vragen door hun versterkende werking naar planetaire overshoot.

    Deze vragen en de kwestie van de betekenis: wat is er wat dat betreft aan de hand? Als we onszelf niet meer voor de gek willen houden, dan zal dit realistisch bekeken en benoemd moeten worden. Gezien de hardnekkigheid van de trends zouden de onderliggende oorzaken weleens dieper kunnen liggen dan wat we over het algemeen geneigd zijn om als oorzaken te zien en waar we ons op richten, zoals CO2-uitstoot en vervuiling, samenhangend met kapitalisme, industrialisering, groei-economie, commercie, zogenaamd antropocentrisme, individualisme, etc.

    Als dat zo is, dan zijn de genoemde oorzaken slechts gelegenheidsoorzaken en symptomen in een veel langere en veel diepere oorzakelijkheidsketen. Misschien brengt dit ons op het spoor van natuurlijke, evolutionaire groeiwetmatigheden tot aan doorgaande planetaire overshoot. Die zich in dit geval via het succes of 'succes' van een specifieke diersoort voltrok. Misschien moeten we die soort dan zien als een voertuig, een gebruiksmiddel van evolutionaire wetmatigheden. Is het (dus) de mens niet ook gewoon overkomen? Deze vraag komt terug in de volgende paragraaf.

    *

    1. Kunnen we nog zonder energietoevoeging?

    Wat betreft het Antropoceendebat lijkt ons het volgende niet van ondergeschikt belang te zijn: er is diepe ‘logos’ en lange evolutionaire ontwikkeling aan het onontkoombaar techné moeten zijn van de mens; aan de daarmee gepaard gaande dissipativiteit; aan het kunnen ontstaan en positief ontsluiten van mogelijkheden in de mensengeschiedenis; met toenemende complexiteit en toenemende schaalgrootte en bevolkingstoename tot gevolg; en aan het hebben kunnen toevoegen van exogeen energetisch vermogen aan onszelf met een ‘factor duizend’, met behulp van olie, gas, steenkool, etcetera.

    Die ‘factor duizend’ is evolutionair historisch gegroeid in zowel natuurlijke als cultuurlijke evolutie en we hebben er nu mee te dealen. Kunnen we nog zonder die energietoevoeging? Kunnen we dan nog leefbaar en heilzaam mens-zijn onder de huidige omstandigheden en planetaire overshoot? Met het gegeven dat we op niet al te lange termijn met 9 miljard mensen zijn?

    De landbouwrevolutie heeft een stevige bijdrage geleverd aan die ‘factor duizend’. Het ontstaan van de landbouw, vaak aangeduid als de Neolitische revolutie, werd mogelijk gemaakt door redelijke stabiele klimaatomstandigheden gedurende het Holoceen. En kijk eens tot welke gevolgen deze revolutie nu mede heeft geleid doordat we in de loop van de geschiedenis deze op zichzelf niet-negatieve ontwikkeling gewoon hebben doorgezet, hebben kunnen doorzetten in de richting van grootschaligheid, intensivering en het rigoureus veranderen van totale landschappen, ontbossing, etc. Nu is, naast de stikstofproblematiek en de vervuiling door giffen en kunstmest, de landbouw ‘verantwoordelijk’ (wie zijn die ‘verantwoordelijken’?) voor éénderde van de totale broeikasgasuitstoot wereldwijd. En domesticatie van dieren heeft de biowereld ook drastisch doen veranderen.

    We konden door deze revolutie dingen bereiken die daarvoor gewoon niet mogelijk waren, inclusief, na verloop van tijd, het voeden van zoveel monden, wereldwijd. Dit bracht ook weer verdere technologische ontwikkeling met zich mee, inclusief verbrandingsverschijnselen. IJzer moet immers gesmeed worden als het heet is.

    Volgens ons is in dit verband interessant het gegeven dat landbouw niet op één plaats is ontstaan. Dat geeft te denken over hoe culturele ontwikkelingen samenhangen met klimatologische omstandigheden, en hoe de ermee gepaard gaande verschijnselen en nieuwe (dissipatieve) mogelijkheden ermee samenhangen, zoals setteling en verstedelijking. Setteling en verstedelijking hebben uiteraard weer veel bijgedragen aan de verfijning van sociale, economische en juridische aspecten, zoals geld als handig ruilmiddel en bestuursvormen. Dat het niet op één plaats is ontstaan wijst op natuurlijke wetmatigheden in combinatie met voorafgegane bronvoorwaardelijkheid.

    Alle ontwikkelingen bij elkaar hebben geleid tot de huidige overshootshitsituatie. Is het (dus) de mens ook niet gewoon overkomen?

    We zullen ons (dus) terdege rekenschap moeten geven van natuurlijke wetmatige overshootprincipes. Iets groeit tot aan zijn grens, en het unieke in de mensengeschiedenis is dat die grens heden ten dage op planetair niveau is bereikt. Van betekenis voor onze ambivalente, politieke omgang met de huidige klemmende situatie is volgens mij dat de planetaire grens uiterst diffuus is, multi-interpretabel - zowel in de natuursferen als in cultuursferen -, dus bediscussieerbaar, met alle emotionele strijd erop en eraan ook, vanwege de belangentegenstellingen. Zowel in de natuursferen als in cultuursferen zijn deze grenzen niet eenduidig.

    *

    1. Dissipatieve, filosofische en ethische implicaties

    Het basale, primaire, fundamentele fysisch-biotisch-cultuurlijk onomkeerbare omslagpunt richting toenemende planetaire overshoot is al in de evolutionair-historische ontwikkeling gelegen, te maken hebbend met fysisch-biotische veranderingen, als bronvoorwaardelijkheid voor gelegenheidsoorzaken. Aan dit idee van onomkeerbaarheid in een ver verleden zijn o.a. dissipatieve, filosofische en ethische implicaties verbonden, van belang binnen het Antropoceendebat.

    Dissipatieve implicaties. Er is wat dat betreft een onderscheid te maken tussen beïnvloedbare en niet-beïnvloedbare dissipatie (het verbruiken van grondstoffen en energie uit de omgeving waardoor een niet-evenwichtssituatie ontstaat). De niet-beïnvloedbare mate van dissipativiteit (keer aantal), eigen aan het wezen van de hieraan onderhevige diersoort, is nu eenmaal door hardgebakken evolutie tot stand gebracht en is voor de onderhavige onderhevige diersoort een voldongen gegeven omdat deze niet door hemzelf endogeen kan worden geschrapt of herontworpen – anders dan door zelfvernietiging.

    Filosofische implicaties. Het cultuurlijke heeft zich als een in beginsel succesvolle cultuurlijknatuurlijke nichevorm ontwikkeld vanuit het natuurlijke. (Waarbij ‘natuurlijk’ bedoeld wordt in de betekenis van het non-dualistische ‘wat in de aard en samenhang der dingen is’, zoals de procesfilosoof Whitehead dat hanteert). Dit relateert ook elke moralistische meetlat (waaronder bv. de zgn. ‘antropocentrische’ meetlat), ofwel normatieve ‘ought’-kwesties.

    Ethische implicaties: kwesties rondom ant-woordelijkheid, verantwoordelijkheid, rechtvaardigheid, ongelijkheid en schuldvraag. Inclusief moralistische meetlatten ofwel normatieve ‘ought’-kwesties. Dit hangt vaak ook samen met wereldbeelden en religieuze overtuigingen. Als de onomkeerbaarheid naar planetaire overshoot, - die via het toeval van gunstige Holocene omstandigheden een superversnelling doormaakte, - al in de evolutionair gegroeide bronvoorwaardelijkheid en evolutionaire groeiprincipes is gelegen, moeten we dan niet zeggen dat het de mens ook maar overkomen is? Het roept op z’n minst een intrigerende vraag op: moet de mens niet gewoon gezien worden als voertuig van de evolutie, puur onderhevig aan haar Overmacht van groeiwetmatigheden die nu door de planetaire grenzen zijn geschoten? En waarop dus een correctie moet volgen, die niet door de ‘mens-als-voertuig’ kan worden beheerst?

    *

    1. Onderliggende wereldbeelden

    Er liggen onderliggende wereldbeelden ten grondslag aan de kijk op klimaatverandering en de mogelijke oplossingen daarvan.

    Naast andere al dan niet theoretische denkbeelden omtrent dit existentiële probleem vindt men in grote lijnen twee theoretische, levens- en wereldbeschouwelijke benaderingen. Een dominante benadering is om het fenomeen simpelweg als een op te lossen uitdaging te beschouwen door de oorzaken enkel te zien in de korte geschiedenis van de moderne tijd. De kwesties omtrent: - hoe bereiken mensen de komende decennia een vermindering van hun uitstoot van broeikasgassen; - hoe maken we de overgang naar hernieuwbare energiebronnen; -hoe verkleinen we de ecologische voetafdruk van de mens;  hoe krijgen we de wereld sociaal rechtvaardiger voor iedereen?  - deze kwesties worden niet of onvoldoende gezien in het licht van de diepere evolutionaire bronoorzaken. Hierdoor worden de tegenwerkende krachten gezien bij subversieve lobbyisten, onwillige politiek en gevestigde belangen van bedrijven. Daar wordt dan de schuld gelegd.

    Een andere manier om klimaatverandering te bekijken is als een complexe familie van onderling verbonden problemen die veel diepere evolutionaire oorzaken kent. Deze planetaire overschrijding heeft een lange geschiedenis, die in recentere tijden in een stroomversnelling is geraakt. Die lange geschiedenis heeft alles te maken met het fysisch-biotische gegeven dat door het rechtop gaan lopen, voorpoten vrijkwamen om handen te worden en daarmee letterlijk handig te worden om gereedschappen te maken.

    De Israëlische historicus Yuval Noah Harari wijst hier op in zijn boek “Sapiens: A Brief History of Humankind”. "Een van de meest voorkomende toepassingen van vroege stenen werktuigen," schrijft Harari, "was het openbreken van botten om bij het merg te komen. Sommige onderzoekers geloven dat dit onze oorspronkelijke niche was." Waarom? Want, legt Harari uit, "de positie van het geslacht Homo in de voedselketen was ondergeschikt aan andere roofdieren. Mensen konden dode dieren pas eten nadat leeuwen, hyena's en vossen hun deel hadden gehad en de botten hadden schoongemaakt van al het vlees dat eraan kleefde! Het is pas "in de laatste 100.000 jaar", zegt Harari, "dat de mens naar de top van de voedselketen is gesprongen." Het is een sprong in een betrekkelijk korte tijd, evolutionair gezien: een eerste versnelling in de richting van toenemende overshoot. Andere dieren aan de top van de piramide, zoals leeuwen en haaien evolueerden heel geleidelijk naar die positie, gedurende miljoenen jaren. Naarmate de leeuwen dodelijker werden, evolueerden gazellen om sneller te rennen, hyena's om beter samen te werken en neushoorns om slechter gehumeurd te worden. Daarentegen klom de mensheid zo snel naar de top dat het ecosysteem geen tijd kreeg om zich aan te passen.

    In het Holoceen, een ultrakorte periode in de geologische geschiedenis, zijn er steeds revolutionaire fases met volgende versnellingen richting planetaire overshoot geweest: de landbouwrevolutie, de verstedelijkingsrevolutie, het bronzen tijdperk, het ijzeren tijdperk, het grootschalig winnen van turf, enzovoorts. Het probleem van de ecologische voetafdruk van de mens is de afgelopen 500 jaar toegenomen door de Europese expansie en kolonisatie van verre landen die door andere volkeren werden bewoond, en de daaropvolgende opkomst van de industriële beschaving. Allemaal versnellingen in een lang proces, waarbij de eerdere ontwikkelingen de erop volgende mogelijk maakten. Een zoveelste versnelling vond plaats na het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen het aantal mensen en de consumptie exponentieel toenamen, dankzij het wijdverbreide gebruik van fossiele brandstoffen, niet alleen in de transportsector, maar ook in de landbouw en de geneeskunde.

    Deze twee benaderingen leveren elk een ander verhaal op. De eerste is meer idealistisch: als we maar willen en voldoende ons inspannen, als de tegenwerkers nou maar eens gingen meewerken ..., dan zou het ons kunnen gaan lukken. De tweede benadering is naar mijn mening realistischer: je verandert niet zomaar een evolutionair gegroeide ontwikkeling. De antithese zit hem erin dat ze elk een ander verhaal, een ander Antropoceenconcept, een andere Antropoceentheorie opleveren.

    *

    1. Overmacht en onderhevig zijn aan overmacht

    De invloed van de mens kan op twee manieren in verband worden gebracht met de huidige Antropocene ontwikkelingen:

    • De mens is/was machtig in de zin van veroorzaker
    • De mens is onmachtig in de zin van onderhevig geraakt aan deze veranderende evolutionaire overmachten van natuurlijke Zelforganisatie. Hetgeen niet wil zeggen dat het Antropoceen wordt gestuurd door de onmacht van de mens: het wordt gestuurd door fundamentele natuurlijke overshootprincipes en mechanismen op planetair nivo - zoals dat een aantal keren vaker is gebeurd in de 'Big History', voor zover bekend.

    In deze tweeledigheid doet de mens mee in een verband van primaire bronoorzaken en daaropvolgende secundaire gelegenheidsoorzaken in een lang evolutionair traject richting overshoot. Wanneer we secundaire oorzaken verwarren met primaire hoofdoorzaken (en dat is wat we over het algemeen geneigd zijn te doen met ons wijzen naar het kapitalisme, industriële revolutie, zogenaamd antropocentrisme, etcetera - kennelijk in de fundamentele menselijke behoefte tot het toewijzen van schuld en schuldigen), dan zien we naar mijn mening iets over het hoofd. Er zou weleens sprake kunnen zijn geweest van een zeer lange en diepe aanloop naar de overshoot op planetair niveau. Samenhangend met iets wezenlijks aan de diersoort mens: hij is per definitie dissipatiever dan de overige diersoorten: hij kan niet anders: hij moet zijn omgeving gebruiken en verbruiken om volledig mens te kunnen zijn. Overige dieren hoeven zich niet te kleden, als bijvoorbeeld.

    *

    1. Concurrentie&samenwerking

    In evolutie spelen zowel concurrentie als samenwerking een cruciale rol. Concurrentie omvat de strijd om schaarse hulpbronnen zoals voedsel, water en partners, wat leidt tot competitieve adaptaties en de sterkere individuen of soorten die overleven. Samenwerking vindt plaats wanneer individuen of soorten samenwerken om wederzijdse voordelen te behalen, zoals het gezamenlijk jagen, verdedigen of het delen van kennis, wat de overlevingskansen van de groep vergroot. Deze twee krachten zijn niet tegengesteld, maar interacteren constant en sturen daarmee de evolutionaire ontwikkeling. 

    De dynamiek van het evolutionaire principe van concurrentie en samenwerking is complex. Een verschuiving in de omgevingsomstandigheden kan de nadruk verleggen van de ene naar de andere strategie. Maar het is niet een cognitieve intellectstrategie, het is de ‘intelligentie’ of zo je wil ‘instinctmatigheid’ van de evolutie zelf. Die dus de overmacht vormt.

    Wat nu zou moeten gebeuren om de klimaatverandering tegen te gaan is samenwerking op wereldniveau. Dat is vanwege het evolutionaire concurrentieprincipe nog nooit eerder gebeurd en wat we in de praktijk zien gebeuren is precies het tegenovergestelde, namelijk samenwerking op niet-wereldniveau in relatie tot geopolitieke machtsvorming onder de sturing van het concurrentieprincipe. De symptomen hiervan zijn: versplintering, fragmentatie, polarisatie, strijd om schaarse hulpbronnen, strijd om het Noordpoolgebied, afkalvende democratiëen, toenemende autocratie. We hebben het in de basis over onderhevigheid aan evolutionaire principes met aan soorten overmachtige wetmatigheden die nu het Antropoceen aanstuurt.

    De aanloop naar het Antropoceen is gebeurd in een miljoenen jaren evolutie. Je zou kunnen starten bij het rechtop-gaan-lopen van een soort en uit botonderzoek is gebleken dat we het dan hebben over 8 tot 10 miljoen jaar geleden. Je zou zelfs nog daarvoor kunnen starten want welke ontwikkelingen zorgden ervoor dat die botstructuurverandering een evolutionair voordeel opleverde?

    Ten gevolge van het rechtop lopen en het beschikbaar komen van handen om gereedschappen te maken heeft het mensdier zich ontwikkeld met karakteristieke soorteigenschappen, waaronder het kunstmatig-zijn-van-nature vanwege zijn inherente gebrekkigheid. Het mensdier moet zich op een andere manier in stand houden dan de overige primaten, hij moet zich aanvullen met energetische en andere middelen uit de natuur. Dat heeft hij met succes gedaan. Maar precies daardoor, door die overmatige dissipativiteit, raakte de planeet als holistisch ecosysteem uit evenwicht en werden de planetaire grenzen bereikt. We zullen niet meer terugkeren naar Holocene omstandigheden, de spanningsopbouw - en dus conflictpotentie - neemt alleen maar toe, onder de vigerende, veranderende interactie van samenwerking&concurrentie. En om nu feestelijk te gaan roepen: “Leve het Antropoceen!”, dat moet je ook maar net liggen …

    Maak jouw eigen website met JouwWeb