Je hebt halve en hele kadavers en het zijn de halve kadavers, zij die nog niet koud zijn en nog gebukt gaan, moeten gaan onder de zorgen, de pijnen, de ellende van het vlees, van het bloed. Zij zijn de lijdenden bij uitstek, omdat ze, eenmaal als mens geboren, die opperste, meest dwaze staat van zijn nog niet ontstegen zijn, omdat ze nog moeten worden ingepalmd door de tijdloosheid, nog moeten worden opgeslokt door het Grote Niets, de genade ervan ontvangend. En toch wensen we die genade zo lang mogelijk uit te stellen, welk een zotheid. Wij zijn het, wij zijn die uitverkorenen, wij zijn die halve kadavers, die karkassen van de toekomst. De rottenis druipt reeds van onze botten, struikelend, horende doof, ziende blind, tegenstribbelend tegen de dood. Steeds weer wensen we de lange route te nemen, de meest inefficiënte, de meest ineffectieve, de domste omweg in plaats van de slimste, de kortste, kortom de zelfmoord. Zelfmoord is niet fijn en kan eenvoudig voorkomen worden. De beste route, de meest ethische ook, is immers de route van het niet-geboren zijn. Het Paradijs, die Hof van Eden verwerd tot een doolhof, tot een stervenshof, en toch wensten we de uiteindelijke genade nog zo lang mogelijk te ontlopen, willens en wetens tegen wil en dank nog zo lang mogelijk te dolen, als wandelende skeletten, als fantomen, verlangend naar bevrediging die onmiddellijk weer gevolgd werd door onvrede, door onrust, door gebrek, door wanhoop. Het heeft de planeet gebracht tot de staat waarin hij nu verkeert, de staat van ontbinding. Het tijdperk van skelettepret is onontkoombaar aangebroken.
Reactie plaatsen
Reacties