De bekoring van het Ondraaglijke

Gepubliceerd op 24 juni 2026 om 20:34

Wakker worden was weliswaar geen leefbare optie meer, maar we deden het toch maar weer. Waarom dan toch, zo vroegen wij ons vertwijfeld af? Waarom steeds weer opstaan? Wie wil het leegdrinken van de gifbeker nu nog zo lang mogelijk uitstellen, wetende dat hij er toch niet aan ontkomt? Het kenmerkende van Antropoceen leed is immers dat het zich voor de transitie naar de duurzaamheid van eindeloosheid en maximale intensiteit niet schaamt. En toch … . Iemand van ons wilde de lol van het leed voor zijn, de mond alvast aan de gifbeker zetten, de bodem ervan reeds opzoeken tot de laatste drup. Wij zeiden dat hij zich niet hoefde te haasten omdat het laatste bedrijf van deze Totaalteloorgang niet zonder de bekoring van het Ondraaglijke zal zijn. “Jij zou je eens moeten schikken in het Ondraaglijke, in haar esthetica, in haar schoonheid”, zo spraken wij Antropos vermanend toe – (hij heette toevallig Antropos). Hem kon veel worden verweten, maar niet dat hij niet het exacte begin van zijn eigen teloorgang doorzag. We wierpen hem tegen dat dat niet exact genoeg was, er moest al iets aan zijn voorafgegaan, een moment suprême zullen we maar zeggen, een toppunt, zoveel maanden reeds daarvoor. Hijzelf vond deze nuancering een beetje al te ver gezocht. Het toppunt van zijn verwekkers had toch niet noodzakelijkerwijs tot zijn dieptepunt hoeven leiden?

Die Antropos toch, die mens toch, zo gevat … . Hij drukt zich bovenmatig spitsvondig uit als de energieke praatjesmaker van het universum. Terwijl hij die energie niet eens van zichzelf heeft maar zo bovenmatig rooft uit zijn omgeving, rooft van de planeet, rooft van zijn fundament. Hij bouwt aan de instorting door zijn hopeloze strijd tegen de instorting. Hij wilde de gevaren elimineren en bracht de gevaren er mee terug. Hij wilde bedrogen worden, zichzelf bedriegen, slachtoffer zijn door geen slachtoffer te willen zijn. Hij blinddoekte zichzelf. Zijn kunstmatigheid-van-nature werd zijn wanhoop, zijn puinhoop, zijn mesthoop, het werd zijn massagraf. De mens heeft zichzelf losgerukt van de bodem, de aarde, de planeet, zijn fundament, hij heeft zichzelf verbannen in de tijd, zichzelf gevangen gezet in dit Fuiktijdperk, zich afgesneden van zijn onmiddellijke wortels, zich gescheiden, zich gescheurd, verscheurd van zijn leefbaarheidsdomein. Het ogenblik kreunt, het huivert, het verlangt naar wat nooit meer terugkeert, het vreest, het vreest de val, de val van het verderf, de val in het verderf, dat zo nabij is dat we het kunnen ruiken. We ruiken lijklucht die zich verspreidt vanuit Vergeweggistan en spoedig onze kant op komt.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.