Overshoot van planetaire grenzen: we hebben er weet van, we kennen de gevaren, en tegelijk staan we er uiterst ambivalent tegenover en weten we het maar niet te keren. 

De filosoof Plessner maakte duidelijk dat de mens, in tegenstelling tot de overige organismen, wordt gekenmerkt door een dubbelstructuur. In onze dubbelstructuur kijken wij over onze eigen schouder mee naar wat we aan het doen zijn en dat brengt onze typische antropo-ambivalentie (onze verlegenheid met de situatie) met zich mee. Het gedachtengoed van Plessner maakt momenteel weer opgang in verband met het denken over het Antropoceen.
Plessner gaf halverwege de vorige eeuw een wijsgerige antropologie en sociologie die daarbij behulpzaam kan zijn. De mens deelt met andere dieren een centrische organisatie, maar kent tevens wat P noemt een excentrische positionaliteit: hij leeft net als (andere) dieren vanuit zijn centrum, maar staat daar tegelijkertijd buiten.

Door deze afstand kan hij zichzelf, maar ook andere levende en nietlevende dingen objectiveren. “Waar de plant leeft en het dier zijn leven leeft en beleeft, daar leeft en beleeft de mens zijn leven niet alleen, maar beleeft hij ook nog zijn beleven.”
De mens is cognitief reflectief op basis van zijn voelende zelfervaring. Hierdoor kent de mens een zekere handelingsvrijheid, maar hij blijft “ondanks deze vrijheid gebonden aan een bestaan dat hem remt en waarmee hij moet vechten”.
Omdat de mens door zijn excentrische levensvorm anders dan het dier niet volkomen samenvalt met zichzelf, is de mens volgens P “constitutief thuisloos” en dient zich daarom een ‘thuis’ te scheppen. Dat betekent dat de mens kunstmatig van nature is. Waaruit volgt dat de mens dus ook dissipatief van nature is, zijn omgeving verbruikend.

Zo wordt de mens pas mens als hij zich materiële en immateriële sferen creëert. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk zegt dat de mens leeft in sferen die hij zichzelf moet creëren: de mens is vóór alles een ‘sferen-bouwer’, want hij moet vorm geven aan de onmetelijkheid van de wereld. Hij omhult zich met sferen, materieel (een huis, kleding) en immaterieel (identificatie met een religie, een groep) om zich te beschermen tegen de anderen en tegen de wereld, maar ook om die wereld in het klein na te bootsen.
Die sferen kunnen zich (helaas) niet verengen tot enkel immateriële. Dit duidt wederom op de dissipativiteit van de mens: hij gebruikt en verbruikt materie en energie vanuit zijn omgeving: het aardsysteem.We zien dat dit – deze met het wezen van de mens samenhangende natuurlijke wetmatigheid - ons inmiddels in grote problemen heeft gebracht: planetaire overshoot.

 

De confronterende hardheid van dit overshootgegeven kunnen of mogen we volgens mij niet over het hoofd zien: wat eerder heilzaam was (of in ieder geval als zodanig werd ervaren en gezien), is nu in zijn tegendeel gekeerd. Het overshootprincipe kent zijn eigen natuurlijke wetmatigheden, met een lange en diepe geschiedenis in dit antropoceengeval. Die wetmatigheden zullen naar mijn mening moeten worden onderzocht en publiekelijk erkend en gepresenteerd worden. Als onontkoombaar behorende tot de realiteit, ondanks dat ze toch wel diffuus en multi-interpretabel zijn. En hetgeen dus ook felle emotie in het debat met zich meebrengt / zal brengen, gezien het achterliggende pystische aspect, betrekking hebbend op de verschillende mens- en wereldbeelden in samenhang met (eigen)belangen.

Welkom bij Antropoceen - reflecties

Ontdek hier inspirerende gedachten en reflecties over het Antropoceen, een tijdperk waarin de mens de grootste invloed heeft op de aarde. Laat je meevoeren in nieuwe inzichten en ideeën.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Ons nietig verblijf alhier

Een verstikkend en verzuipend verblijf alhier in deze uithoek van het heelal. Ons voorland moest ons maar rust aanjagen, het zijn immers onze eigen daden en het zijn de verhelderende daden waarmee we onherroepelijk over onszelf beslissen. De daden zelf zijn niets bijzonders, zij worden al millennia met succes toegepast. Hete het succes voorheen vooruitgang, nu heet het ondergang, maar gang is het, de gang van het gaande, de gang van het worstelende, de gang van het struikelende. Nu, in de oogwenk van een zucht en een scheet, onderdrukken we alle struikelende aangeregen ogenblikken van de eeuwen met de schaduw van ons soortelijk komend lot; Godt zelf had het niet klaar kunnen spelen. Maar wij snoevers, wij spelen het klaar met de list en het bedrog van onze eigenwaan. Wie zich nog nooit de Antropocene vernietiging der planetaire overshoot heeft voorgesteld is rijp voor het touw, de kogel, het gif, maar niet rijp genoeg voor waar hij werkelijk aan zal sterven, voor waar wij verkelijk aan sterven: ons gebrek aan voorstellingsvermogen. Wij zijn de galeislaven van dit universum, wij zijn het wormvormigste aanhangsel der aanhangselen, blind als onze ontstoken nutteloze blinde darmen. Deze wereld, deze gang van het gaande, deze kosmische wanstaltigheid zal ons alles ontnemen, al onze vrijheden en wij zien het niet met onze uit de hand gelopen vrijheidsdrang. Zodra we over het Antropoceen beginnen na te denken – wat over het algemeen af te raden is – raken we geïnspireerd door haar romantiek, door haar lyriek, door haar mystiek, door het misverstand van de rationaliteit, de redelijkheid en de technologie als oplossingen. Onze rationaliteit, onze redelijkheid, onze technologie zelf zal oplossen aan de verzuring der oceanen, in de onthullende verkankering van alle skeletachtigen, verbijstert over het oordeel wat buiten haar over haar geveld wordt. Rationaliteit is niets, het is een rimpeling in de tijd, het is de eendagsvlieg die zijn dag niet heeft, niet beschikkend over laatste redmiddelen. Religies en redelijkheid, dat wil zeggen onredelijkheid en redelijkheid hebben ons verboden door eigen toedoen te sterven en zie toch hoe wij op precies dat afstevenen en door welke belediging van dit gebod wij gekruisigd gaan worden. Het is een vorm van belediging van de soorten en de zelfbelediging van de eigen soort - waarachter een grotere, een rijkere, een veel duurzamere intelligentie schuil gaat dan onze eendagsrationaliteit. De intelligentie van de  onverwoestbare evolutionaire Zelforganisatie: zij weet wat, zij vermag wat, haar vermogens liggen op het vlak van opkomst, groei, bloei en instorting van soorten, van tijdperken, van zonnestelsels, van sterrenstelsels, van heelallen. Zelforganisatie trekt voort van heelal naar heelal. Wij hebben de grenzen van haar genade overschreden, haar miljoenen, miljarden jaren aan fossilering van energie. Onze aanbidding van die energie werd een rooftocht, een vernietigingstocht, een zelfvernietigingspelgrimage. Een mens hoeft niet oorlog te voeren met het universum, hij stuurt immers het ultimatum aan zichzelf. Dezelfde vrijheid die hij verworven heeft, is onbereikbaar voor wie haar blijft zoeken in de toekomst. En voor wie haar niet zoekt ook – er kan niet niet-gezocht worden, de human conditionaire laat dat niet toe, we zitten gevangen, we hebben het over het Fuiktijdperk.

Lees meer »

De volmaakte zelfmoord

Waar ze vroeger gezellig met elkaar optrokken, staan in dit tijdsgewricht Schepper en Opschepper lijnrecht tegenover elkaar. De Opschepper heeft het takenpakket van de Schepper afgepikt, en zie wat hij er van bakt. De Opschepper is niet leerbaar voor coaching, gebruikershandleidingen zijn niet aan hem besteed. En zo werd de Opschepper, die praatjesmaker van de kosmos, de architect van het Fuiktijdperk, een tijdperk dat de toekomst heeft. De toekomst wacht ons op om ons met genoegen te offeren en de mensen gedragen zich als haar marionetten, als haar pijpendansers. Wanneer wij, aanbidders van energie, energie en energie onszelf tot zowel werkgever als ondergeschikte verklaren van wat komen gaat, dan baden we reeds in de doorzichtigheid van ons door onszelf voorbeschikte lot, in een dageraad van rampen, in een vruchtbare Apocalyps. Zijn wij dan medeplichtig aan onze eigen vernietiging? – ach, laat de rechter oordelen, maar wie zal deze rechter moeten zijn? De rechter die zelf niet medeplichtig is werpe de eerste steen. Hoor het gehuil van onze angst en het genot van het Kwaad dat zich door onze gedachten mengt. Waarom gaan we onszelf niet te lijf met een volmaakte zelfmoord? O, juist ja: we gaan onszelf te lijf met een volmaakte zelfmoord.

Lees meer »

De frisheid van de opstandige engel

Er is een naam, het heet noodlot, er is nog een naam, het heet tragiek. Ons faillissement alhier in dit uithoekje van het heelal zal zich kleden met deze namen, het zal haar identiteit zijn, haar favoriete identiteit, haar lievelingswoorden. We hebben behoefte aan een taal voor het onherstelbare, om verlichting te zoeken in de verbale vindingrijkdom van de rampen die als de taal van het Onheil over ons zullen komen. Woorden zijn barmhartig, ze kunnen ons misleiden, troosten en doen hopen, precies wat we nodig hebben: de troost van misleidende hoop. En al weten we precies wat we nodig hebben, en al weten we dat het noodlot niets te willen heeft, en hevig onderhevig is aan Overmacht, toch heeft het gewild wat ons overkomt, omdat we dit noodlot zelf in gang hebben gezet en zijn gang, zijn autonome gang hebben laten gaan. Tegen wie of wat moeten we vechten wanneer de door ons veroorzaakte hitte ons de laatste lucht uit onze longen perst, wanneer de zeespiegel jaagt op dezelfde lucht uit dezelfde longen? Er is een hoop te kiezen en we krijgen het: wanhoop, puinhoop, schroothoop, mesthoop – voldoende keuzestress. Hoe kunnen we in deze precaire situatie de frisheid hervinden van de opstandige engel? Die als een IJzeren Dame aan het begin van het kolonialisme, aan het begin van het imperialisme, aan het begin van het kapitalisme, kortom, aan het begin van alle gelegenheidsoorzaken waar het noodlot gebruik van heeft gemaakt, nog zo heerlijk onwetend was van de Antropocene geestdrift waarin we ons nu verslikken, waarin we zo romantisch zullen stikken?

Lees meer »

De bekoring van het Ondraaglijke

Wakker worden was weliswaar geen leefbare optie meer, maar we deden het toch maar weer. Waarom dan toch, zo vroegen wij ons vertwijfeld af? Waarom steeds weer opstaan? Wie wil het leegdrinken van de gifbeker nu nog zo lang mogelijk uitstellen, wetende dat hij er toch niet aan ontkomt? Het kenmerkende van Antropoceen leed is immers dat het zich voor de transitie naar de duurzaamheid van eindeloosheid en maximale intensiteit niet schaamt. En toch … . Iemand van ons wilde de lol van het leed voor zijn, de mond alvast aan de gifbeker zetten, de bodem ervan reeds opzoeken tot de laatste drup. Wij zeiden dat hij zich niet hoefde te haasten omdat het laatste bedrijf van deze Totaalteloorgang niet zonder de bekoring van het Ondraaglijke zal zijn. “Jij zou je eens moeten schikken in het Ondraaglijke, in haar esthetica, in haar schoonheid”, zo spraken wij Antropos vermanend toe – (hij heette toevallig Antropos). Hem kon veel worden verweten, maar niet dat hij niet het exacte begin van zijn eigen teloorgang doorzag. We wierpen hem tegen dat dat niet exact genoeg was, er moest al iets aan zijn voorafgegaan, een moment suprême zullen we maar zeggen, een toppunt, zoveel maanden reeds daarvoor. Hijzelf vond deze nuancering een beetje al te ver gezocht. Het toppunt van zijn verwekkers had toch niet noodzakelijkerwijs tot zijn dieptepunt hoeven leiden?

Lees meer »

de extase van lijdensbloei

Ons bijzondere verstand, ons geweldige intellect, onze hoogwaardige ratio, ons superbe denkvermogen, ons beroemde weten, ons goddelijk bewustzijn – ze blijken in tijden van planetaire overshoot van nul tot generlei waarde. Al onze verbale vermogens: idem. Ze zijn allemaal niet afdoende in staat om de opwarming, de verzuring, de vervuiling, de bio-aftakeling te bestrijden. Welk menselijk talent moeten we dan inzetten? Spotlust? Cynisme? Hoop? Of is het grootste talent van de mens, naast zijn tekortschieten, zijn in de lach schieten? Of zijn schieten op alles wat hem tegenstaat? Wij leven in de meest welbespraakte periode der decadentie, met de grootste wetenschappelijke vermogens - en zie toch hoeveel CO2 we daarmee de lucht in schieten. Het werkelijke tragische leven vind je niet bij de wetenschap, niet bij het geloof in de vooruitgang, niet bij welke technologie dan ook. Dat wat we zo hoogwaardig aan het doen zijn, deze geweldige collectieve voorbereiding van de superbe zelfmoord van een soort en vele soorten met zich meeslepend in zijn bijzondere kielhaling, daar vind je de beroemde werkelijke tragiek, de goddelijke toxische tragiek, de poëtische romantiek van die tragiek, die binnenkort tot de bloei van een grootse climax zal komen, tot een orgasme van lijden, tot een extase van ondergang. Dit is het talent dat ons voortstuwt: het talent tot onvermogen, tot het feest van het falen. Een stuwing die lijdensbloei optimaliseert.

Lees meer »

De klok tikt zoals ie getikt is

Onze kop in het zand stekend wissen we het liefst de beelden van onze toekomst. We spoelen ze van ons netvlies, we zetten onze mooiste oogkleppen op – en dweilen onze kraan nog verder open, met AI, met airco’s, met tel maar op. Het gaat, het gaat nog steeds, het gaat zo goed en zo kwaad als het gaat en zolang het gaat, gaat het. Het gaat als een speer die zich in het hart van de existentie zal boren. Het gaat als een banaan die voor boemerang zal spelen, het zal gaan tot het gaatje, tot het naadje van de kous die alles weet van de klepel, maar niets van de klok. Terwijl het nu juist de klok is, de klok, die tikkende tijdbom, die tikt zoals ie getikt is op vijf voor dertien en wie niet weg is is gezien. En in plaats van onze verrotting in de lethargie van de ondergang weg te tikken, wasemen we zweet uit en blijven we maar naar adem happen in steeds verstikkender lucht, stank en bloeddorstigheid. De walmen spreiden zich uit van de evenaar naar de polen van de toekomst, aangejaagd door de energieke koorts die eigen is aan blinde afgrond. Het huilen zal ons nader vergaan dan het lachen, maar waar blijven de tranen? Ze zijn al door de hitte verdroogd voordat ze naar buiten wellen. We zijn veroordeeld tot het martelaarschap van het droge oog en de holle lach. Geschreeuw, gevloek, getier, gekrijs, de zelfkastijding van nagels in het vlees, en de vertroosting van de zelfmoord zullen gaan behoren tot het toekomstige arsenaal van onze therapeutische gereedschappen in onze poëtische gereedschapskist, in onze schilderachtige schildersdoos, op de bodem waarvan nu reeds de zondebokken liggen in de vorm van gelukzoekende klimaatvluchtelingen, linkse politici, woke milieuwetenschappers en de eliteclub der zogenaamde beleidsmedewerkers.

Lees meer »

Lot genoten en genieters

De wet van behoud van ellende betrof in het vorige tijdperk de symmetrie van het evenwicht van vreugde en lijden. Deze wet is nu onder het huidige gesternte gemuteerd in de wet van de toenemende ellende, hetgeen betekent: de asymmetrische uit-evenwichtssituatie van de vreugde van het lijden. Niemand kan nog ontkomen aan de vreugde van dit nieuwe product tenzij vroeg genoeg gestorven of niet geboren. Het product wordt gratis verkrijgbaar, zodat, zoals het hoort, de rijken niks goedkoper uit zijn dan de armoedzaaiers. Het is een rechtvaardig product, een nivellerend product, een socialistisch product zeg maar. Probeer dus schouder aan schouder te staan, zij aan zij te lopen met hen die hetzelfde lot zullen moeten ondergaan. Rijk of arm, welke kant je ook oploopt, het maakt niks uit, je zult vastlopen. We zullen met elkaar vastlopen en wanneer jouw land overstroomt, of onderstroomt – ons om het even:  je zult moeten zwemmen, samen met je landgenoten, je lotgenoten, je lotgenieters. Arm of rijk, jullie zullen met één machtige dijkdoorbraak genivelleerde lotgenieters zijn, geniet daar samen van! En met z’n allen zullen jullie moeten zwemmen naar de diepten van de zee, of weer op land moeten kruipen naar het lot van de verdrogende, de verdorrende, de verbrandende, de verdorvene, de uitgestorvene. Je hoeft niet te zwemmen, je mag ook verzuipen. Je mag verhongeren, verdorsten, je mag. Het is de vreugde van de toename van het mogen.

Lees meer »

kansen keren voor nieuwe levenssferen

Zo onbevlekt we dachten te zijn geboren, zo woest bevuilden we onszelf en de planeet met ons eigen zweet en bloed, wentelend in de drek van te warm, te zuur, te nat, te droog, te chemisch. De wereld vreet aan ons omdat wij de wereld aanvreten. We zijn de soort met de grote bek. We zouden onze woorden in stomheid moeten gieten en onze sprakeloze spijt in onhoorbare klanken. Een scheet, een boer, een rochel, laat het genoeg zijn, laat het toch het diepste spreken zijn, een laatste oprisping van de praatjesmaker van het universum. We treffen nu een Tijdperk aan dat verstrikt is geraakt in een onontwarbaar en redeloos universum, in een zich sluitend net, in een fnuikende Fuiktijd. Het is een tijdperk dat voor zichzelf een heel systeem van dwalingen heeft uitgedacht, volslagen absurde doelstellingen nastrevend, lijdend onder de onbenulligheden van een uit de hand gelopen diersoort, dat een pervers web over de werkelijkheid heeft gesponnen, met zijn babylonische gebazel, met zijn verkwistend gekwezel. Zijn bestemming (van de soort) en haar bestemming (van dit Tijdperk) corresponderen met elkaar als communicerende vaten, het ene holle vat holt het andere holle vat uit en zo hollen ze samen achteruit. Illusie vult desillusie, genot vult leed. Ze zijn een onverstandshuwelijk aangegaan van utopie en distopie, de eerste zich opsluitend in de onhebbelijkheden van de tweede. Is dit tragisch, lachwekkend of beide? Waarom toch maakt de mens er maar geen einde aan, aan zijn curieuze uitstervelijkheidsdrang, aan de creatie van zijn eigen ondergang? Hier het antwoord: de uitsterving is nog maar half begonnen en de gifbeker dient eerst tot op de bodem te worden leeggedronken. Zo nu en dan per eeuwigheid moet kennelijk de levensstrijd dodelijk en levensecht op soortnivo worden beslecht waarna de kansen wederkeren voor nieuwe levenssferen. Zo kwam het dus dat dood en stank en ongemak zich samenbundelden tot op zijn grenzen botsende hoogverheven mensenkak.

Lees meer »

Ontsnaploze cirkel

We kunnen niet aan het Antropoceen ontsnappen - noch door haar te snappen, noch door haar te bestrijden, noch door haar aan iemand te verkondigen gelijk een calvinistische dominee een donderpreek van hel en verdoemenis verkondigd – hetgeen ook nog nooit tot verlossing heeft geleid. We kunnen het enkel ondergaan en daarom correspondeert dit woord met ten onder gaan. Het is één en al passie zoals passé correspondeert met voorbijgaan. Het wordt heftig en hevig zoals dit begrip correspondeert met onderhevig zijn aan. Het loopt af, verkeerd af, en dat correspondeert weer met ondergang. Zo is de cirkelredenering keurig rond. We raken passé, dat raakt ons en daarom is het passie. Het klopt allemaal en als het klopt, dan zouden we het, hoe zinloos dan ook, toch moeten kunnen snappen? Het snapdier heeft immers een hoofd en wat moet men met een hoofd? Wat doet men met een hoofd als men geen paard is en toch gelijk een paard achter de wagen van het Antropoceen is gespannen? Wat moet zo’n hoofd nog, wat moet het nog willen als er geen ontsnappen mogelijk is omdat de cirkelredenering dat niet toelaat?

Lees meer »

Een spiegel van miljoenen jaren

Wie de tijd heeft kijkt toe en ziet zichzelf kijken in een spiegel van miljoenen jaren. Wij koesteren het comfort van het beschouwen en eisen de last van bloed, zweet, tranen liever niet op. Wij leven liefst van deze erfzonde vrij, wij keren ons af van deze mensrijke epilepsie, de inspanningen die het bewustzijn van de ondergang verstikken. Wij vieren de ondergang op de rand van het massagraf, wij genieten haar peilloze diepte. Soms slagen we erin onszelf in iets te verliezen, maar hoe kunnen we onszelf nog in de wereld verliezen bij zoveel voorrecht? In een wereld die zichzelf verliest? Bestaan heeft nog maar één betekenis: de val, de val in de Geschiedenis, de val in het lijden. Die pas ten einde komt in de verzuchting na onze laatste zucht.

Lees meer »

het talent van de martelaar

En de mens dan? Die fantastische veroorzaker van Antropoceen geweld, waar blijft de mens, waar blijft hij als slachtoffer? Hoe verhoudt zich het veroorzakerschap tot het slachtofferschap? Ach, de mens, what the fuck is de mens anders dan zoals een lelijke eend een lelijke eend is en een kwijlende boxer een kwijlende boxer. We moesten de ondergang maar romantisch en poëtisch benaderen: een boxer kwijlt zich een weg door zijn bestaan, een wolf blaft tegen de maan, de wereld is gek, aan Duivels geen gebrek, de wanhoop heeft niets anders te klagen dan door de mens te worden gedragen.Een slachtoffer dient zich te gedragen als een voorbeeldig martelaar. Omdat niet iedereen talent heeft voor de rol van martelaar, moeten de meesten van ons het doen met visioenen van stromen van bloed. Wij hebben het voordeel van vroegtijdig sterven niet uitgebuit zoals de dertigplusser J.C. (Zoon van zijn Vader) dat heeft kunnen uitbuiten. Wij worden niet allemaal wereldberoemd. Onze dolende zielen botsen nu op de uiteindelijke grenzen van een bescheiden planeet. Een planeet die nooit de kunst machtig is geworden om zijn grenzen eens exponentieel op te rekken zoals van haar verwacht werd. Visioenen kunnen niet enkel visioenen blijven en zullen zich moeten verwerkelijken tot waarheden, tot ultieme waarheden van dit theater. Soorten worden uitgeworpen zoals keutels worden uitgeworpen en radicaal doorgespoeld door slechts één druk op de knop. Het is de knop. We moeten de knop in de gaten houden gelijk een kantelpunt.

Lees meer »

de cyclus van vernietiging en vernieuwing

Het leven in het Antropoceen is voor zolang het duurt slechts mogelijk dankzij de gebreken van ons voorstellingsvermogen en ons verstand. Wij danken onze kracht aan dit gebrek en ieder hart is gemaakt voor slechts een bepaalde hoeveelheid leed. Wij danken onze volharding aan het weigeren te stoppen met ademhalen en piemelen en daarom dijt het leed uit zoals het heelal uitdijt. Zoals het heelal reeds zo vaak is uitgedijd en vervolgens onder haar eigen ijdelheid, haar eigen leegte, haar eigen entropie weer is ineengestort, ineengekrompen tot de leedloosheid van een punt … die een komma bleek te zijn en weer uitdijde tot het uiteindelijk - zoals ook nu in het Antropoceen -, weer overloopt van de volheid en de vervulling  van leed … die vervolgens weer onder haar eigen gewicht moet bezwijken. Vernietiging is getrouwd met vernieuwing. Elk leed behoeft een eigen universum tot vernietiging die moet leiden tot vernieuwing en die behoefte wordt deze keer in dit verbijsteringwekkende geologische en existentiële tijdsgewricht vervuld door een uit de hand gelopen verstand van een bepaalde soort, door onze geest, door onze ziel, zaligheid en gebreken. Ons verstand loopt vast op deze kosmische woekering en dat is goed. Een verstand dat niet vastloopt verloedert en dat is uiteindelijk dezelfde vorm van vastlopen en dat is goed omdat het zo gaan moet. Verstand zal per definitie waanzin moeten worden en verbijstering – om zo enkel door vernietiging uiteindelijk verlost te kunnen worden.

Lees meer »

Over ons

Antropoceen - reflecties is een platform voor diepgaande beschouwingen en reflecties over het Antropoceen en de impact van de mens op de planeet. Onze missie is om bewustwording te creëren en discussies aan te wakkeren over de toekomst van onze planeet.