Wetenschapsfilosofisch gezien hebben de vakwetenschappen zich gespecialiseerd:

  1. naar een aantal (niet alle) verschillende zijnsaspecten,
  2. met kwesties rondom de methode die moet worden gebruikt,
  3. met kwesties omtrent de grenzen van het gebied dat wordt bestreken
  4. met kwesties naar de verhouding tot andere wetenschappen,

Om zo, historisch gezien, tot een bepaalde autonomie van de desbetreffende wetenschap te zijn gegroeid.

Er is nu een  integratie en overkoepeling nodig tussen, op hoofdlijnen, de natuur- en de geesteswetenschappen, zoals in het paper wordt aangegeven. Het Antropoceen raakt aan  alle zijnsaspecten, dus ook de boven-wetenschappelijke of voor-wetenschappelijke. Wetenschap is abstrahering, terwijl het in Antropoceen (in brede zin, voorbij de geologische betekenis) in wezen de volle concrete existentiële werkelijkheid in zijn complete samenhang betreft. Naast wetenschap is dus op z’n minst ook filosofie nodig, zoals techniekfilosofie (de mens is kunstmatig van nature) wijsbegeerte (betrokken op alle zijnsaspecten) en metafysica (procesfilsofie).

Filosofie is geen wetenschap omdat zij zich bezighoudt met waarden en betekenis. Op universiteiten is filosofie in de regel wel ondergebracht bij de faculteit van geesteswetenschappen, maar dat zal wel om praktische redenen zijn: het moet toch ergens worden ondergebracht. Filosofie heeft alles te maken met ook aan de wetenschappen ten grondslag liggende mens- en wereldbeelden en werkelijkheidservaring. Aan beide ontkomen de wetenschappen niet volgens Dooyeweerd, vanwege de onlosmakelijke subject-objectrelatie en omdat het Cartesiaanse idee van het denken zelf als fundament (de God van de Rede) achterhaald is. Aan het denken gaat de eigenheid van de mensdierlijke existentie vooraf, en alle zijn is ingebed in Werking, Wording, Overgankelijkheid, waaraan het creatuurlijke onderhevig is.

Een Antropoceentheorie lijkt mij, omdat het aan alle zijnsaspecten raakt, dus ook een samenhang te zijn tussen wetenschap en niet-wetenschap. Het laatste onder andere via het esthetisch aspect van diverse kunstvormen, waaronder narratieve vormen. Het afbakeningsprobleem, de moeilijkheid om onderscheid te maken tussen wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke overtuigingen, technieken en praktijken, is wel een dingetje. Dit probleem ontstaat omdat er geen algemeen erkende reeks criteria bestaat om een theorie of praktijk als wetenschappelijk of niet-wetenschappelijk aan te merken. Dat maakt discussies ook altijd lastig wanneer gevraagd wordt: “waar is je bewijs”? De vraagsteller denkt dan bewust of onbewust in wetenschappelijk, logisch bewijs, wanneer hij het geloof heeft dat dat voor hem de ware echte kennisvorm is, en beschuldigd zodoende de ander im- of expliciet van pseudo-wetenschap. Volgens Dooyeweerd zijn er vele aspectuele manieren van kennen, waarvan het analytisch-wetenschappelijk-logische er één is.

Karl Popper noemde het afbakeningsprobleem een van de belangrijkste kwesties in de wetenschapsfilosofie. Popper stelde dat wetenschappelijke ideeën moeten voldoen aan de criteria van falsifieerbaarheid. Maar bij de Antropoceenkwesties in zijn totale samenhang gaat het niet enkel om bewijsbaarheid, deductie, inductie, hypothesen, empirisme, epistemologie, of Ockham’s scheermes. Het gaat ook om ontestbare aannames of overtuigingen. De wetenschap zelf kan dat niet oplossen, ook de wetenschapsfilosofie niet, ook de wijsbegeerte of metafysicia niet. Want het is niet oplosbaar, maar het heeft wel zijn implicaties in discussies en debat.

Dan hebben we het niet over pseudowetenschap, maar over boven- of voor-wetenschappelijk. Dooyeweerd noemt dat het pystische aspect, (het religieuze aspect in de ruimste zin van overtuiging als laatste en eerste grondmotief) en dat aspect ligt volgens D uiteindelijk ook aan de wetenschappen ten grondslag, bijvoorbeeld door te geloven dat de Rede de grondslag kan zijn. Uiteraard is de filosofie aanzienlijk verreikt door de vooruitgang in de gespecialiseerde wetenschappen. Andersom is ook specifiek de wetenschapsfilosofie een bron voor uitgangspunten en methodes voor de vakwetenschappen.

Het punt is dat bij de Antropocene ontwikkelingen het ook gaat om die narratieven die mogelijk via kunstvormen tot stand kunnen komen. Maar, dan hebben we het over twee soorten narratieven:

  1. de verhalen, beelden, voorstellingen die mogelijk kunnen leiden tot moreel-ethische acties, transities, transformaties; en
  2. de verhalen, beelden, voorstellingen die de mens nodig heeft om met Over-Macht te kunnen dealen.

We kunnen het vergelijken met de bijbelverhalen, wanneer we deze verhalen, dit gehele boek, niet zien als wetenschappelijk of historisch waar gebeurd, maar als één en al poëzie, waarin ook deze twee aspecten (het moreel-ethische en het kunnen omgaan met ellende) aan bod komen. Het gaat niet om waarheid maar om waarachtigheid, betekenis, zin.

We zijn in de westerse cultuur het mythische en magische omtrent Over-Macht misschien wel teveel kwijtgeraakt. De slinger is, mede doordat de natuur- en cultuursferen dualistisch gesplitst konden worden gedacht door Holocene omstandigheden, doorgeslagen naar rationaliteit. Daarom willen we de tegenstander overtuigen van zijn ongelijk omdat hij niet de goede rationele argumenten heeft.

Terwijl, naarmate we verder het Antropoceen ingezogen worden, de irrationaliteit wellicht de boventoon gaat voeren.