De cultuurlijke sferen zijn inherent tegenstrijdig; ‘van onderop’ betekent kleinschaligheid, de problematiek is van planetaire schaal; en sturing van onderop is een tegenstrijdigheid in zichzelf. Waarmee ik niet gezegd wil hebben dat dergelijke lokale initiatieven niet zouden moeten plaatsvinden. Wat e.e.a. echter betreft op planetaire schaal is er een interessante link te leggen tussen het gedachtengoed van Clive Hamilton, Timothy Morton en taoïsme. Keuzevrijheid en ‘handelingsperspectief vanwege menselijk bewustzijn’ ontstaan niet als tegenpool van conditionaliteit, maar binnen conditionaliteit. Het kan er weer in verstarren.

Een verstarrende werking is gaande, het is aan de orde van de dag, we zitten er middenin, en het kan niet worden losgekoppeld van Antropocene ontwikkelingen waaronder toenemende migratiestromen – die deels weer mede veroorzaakt worden door Antropocene veranderingen en ontoereikend statelijk beleid in een inmiddels onontwarbare oorzaak-gevolg-kluwen. Menselijk leven introduceerde vrijheid - en bouwde vervolgens cultuurlijke systemen met alles erop en eraan, die nu opnieuw conditioneren tot en zodat er weer verstarring van vrijheid optreedt, zoals nu gaande is. De huidige verstarring kunnen we niet vergelijken met Holocene types daarvan. De huidige  moesten we dus maar niet zien op een schaal van decennia of eeuwen, maar op veel langere tijdschalen. De unieke Antropocene kenmerken maken het tot betrekkelijk harde structurering met vaste patronen.

Dit zegt veel over de toekomst. De innerlijk tegenstrijdige cultuursferen of componenten strijden op alle fronten tegen elkaar. Die cultuurlijke innerlijke tegenstrijdigheid doet zich nu voor in een veel groter geheel, met een veel grotere macht van natuursferen die uit de coulissen zijn getreden en het podium zijn opgekomen. Timothy Morton spreekt wat dat betreft van hyperobjecten. Misschien kunnen we nog beter spreken van hyperprocessen. Het is één ontwarbare kluwen geworden waarbij oorzaak-gevolg relaties niet of nauwelijks nog zijn te ontwarren en waarbij we middenin hyperprocessen zitten op de grootste ruimtelijke schaal die voor de mens van betekenis is: de planetaire. Dit correspondeert met de term superorganisme. We maken er deel van uit en dit betekent dat we niet meer buiten het superorganisme kunnen denken. We kunnen we dat betreft spreken van een 'fenomenologische verharding' zoals Morton dat noemt. En we kunnen spreken van een 'materiële verharding' waarbij opties worden afgesloten, zoals Clive Hamilton dat benoemt. Vrijheid is zo op meerdere manieren, waaronder dus de materiële en de immateriële, gebonden aan verhardende conditionering.

Dit raakt aan het taoïsme (die weer correspondeert met de procesfilosofie van Whitehead). Alles draait om Dao (de Weg). Dit is het onderliggende proces van de werkelijkheid, ofwel primordialiteit bij Whitehead. De term ‘de Weg’ duidt op temporele subject-objectrelatie (door Dooyeweerd geduid). Het superorganisme  waarvan we niet los te koppelen zijn is nu ‘de Weg’, en we kunnen er niet buiten kijken. Er is geen  externe sturing, doelen en streven zijn immanent, en via de mens is er grofweg gezegd geen interne tegensturing meer mogelijk op het benodigde nivo. Dit zijn geen wetmatigheden in mechanistische zin, maar ook geen vrije wil: het is hybride, in hybride netwerken, zoals Latour dat duidt. Het is een zelf-ontvouwende orde waarbij er geen tegenstelling is tussen vrijheid en conditionaliteit, d.w.z. op het nivo van Dao.

Een sleutelbegrip binnen het taoïsme is Ziran (“van-zelf-zo-zijn”; bij Whitehead ‘wat in de aard der natuur gelegen is’). Dingen gebeuren zoals ze gebeuren, zonder opgelegde controle. Kosmisch-universeel is en blijft er altijd Dao: proces. Leven is ‘slechts’ deel van dat proces als een nichevorm – en daaraan te relateren en dus te relativeren. Taoïsme zou zeggen: ja, er is geen buiten, maar dat is geen probleem, het wordt pas problematisch als je het probeert te beheersen. Maar dat is nu uit-der-aard het Antropocene kernprobleem. Niet voor Dao, maar voor de mens. Of inclusiever: voor het aardse leven. De huidige verhardende conditionering is voor ons een afwijking van natuurlijke vloeiendheid. Dao zal noodzakelijkerwijs corrigerend moeten optreden: zij wordt daartoe gedwongen. Godt zelf is misschien een verschuivende verhouding van determinerende en vrije factoren. Dit zou het taoïsme vast beamen via het beeld van de rivier met zijn twee, of zelfs drie goddelijke functies: de stroom, de bedding, de rivier zelf. (Bij Whitehead heeft Godt twee functies.)

 We zitten vast in hyperobjecten of -processen en we kunnen geen buitenpositie innemen, d.w.z. we kunnen er niet aan ontsnappen. De natuurcultuurverstrengeling is tegelijk een existentiële verstrengeling. We zitten er middenin. In het taoïsme zit vrijheid in meebewegen zonder weerstand. Vrijheid staat niet los van conditionering, maar wordt er al dan niet door verstard. Toenemende rigiditeit wordt nu het probleem. Dit brengt een spagaat met zich mee, ook een superspanning wanneer we convivialisme en commons willen aansturen. Is het convivialisme ook niet veel meer dan een oproep? De Commons-ideeën zijn wellicht wat praktischer, maar dan toch volgens mij niet toereikend voor de existentiële problematiek waar we in verkeren. Hooguit als kleinschalige adaptieve initiatieven, met daarbij, lijkt me, een scala aan idealistische denkbeelden die kunnen verlopen in een spectrum van realistisch-idealisme tot aan naïef-realisme.

Het Antropoceen zou kunnen gezien als een transformatie van vloeiende levensondersteunende conditionering (Dao) naar rigide gefixeerde levensafbrekende structuren op het gebied van leven. Ik bespeur dezelfde intuïtie bij het denken van Clive Hamilton en Timothy Morton.

In de aan de planetaire en existintiële schaal te relateren zin van vertragen&verzachten is het 'bij voorbaat niet kunnen uitsluiten' nooit een gelopen race.

Maak jouw eigen website met JouwWeb