Veerkrachtproblematiek

Gepubliceerd op 30 april 2026 om 21:27

Begin mei 2026 wordt er een jaarlijke bijeenkomst georganiseerd van Europese aardwetenschappers. Deze keer gaat het voor een groot deel over het Antropoceen. Een programma-onderdeel over veerkracht betreft het volgende: ITS4.20/CL0.23 | PICO / Hoe bouw je veerkracht op? Kwantitatieve en kwalitatieve benaderingen om regionale veerkracht te begrijpen en te versterken, zodat we beter bestand zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering.

Er schuilt een paradox in de tekst: omdat we veerkracht ondermijnen door menselijke activiteiten moeten we veerkracht versterken.

De tekst vermeldt:  “Terwijl individuele aanpassingsmaatregelen zich richten op het verminderen van het risico dat verbonden is aan een specifiek gevaar voor een bepaald object, pakken veerkrachtkaders en de daarin voorgestelde gebieden algemene regionale structuren aan.” Maar de planetaire structuren pakken we onvoldoende aan en we kunnen gevoeglijk aannemen dat die planetaire schaal overheerst over de schaal van de regionale schalen. We mogen volgens ons veronderstellen dat natuurverslechtering precies ook de cultuurlijke veerkracht ondermijnt.

Is dit niet een blinde vlek in hoe ‘veerkracht’ wordt gebruikt? In veel beleidsteksten wordt veerkracht opgesplitst in een natuurlijk en een sociaal domein. Dat maakt het bestuurbaar of 'bestuurbaar'. Je kunt zo immers indicatoren maken, interventies ontwerpen, stakeholders betrekken. Maar die scheiding is slechts een analytische onderscheiding. Het kan geen ontologisch scheiding zijn vanwege precies die natuurcultuurverstrengeling.

Het lijkt ons op z’n minst een spanning te zijn die Antropocene theorievorming zal moeten duiden. We kunnen niet onbeperkt sociale veerkracht opbouwen terwijl de ecologische basis eronder wegvalt. Het mag toch niet zo zijn dat we denken dat sociale en technologische vernieuwing ecologische achteruitgang kan compenseren. We kunnen met sterke instituties beter omgaan met overstromingen, maar als zeespiegelstijging en bodemdaling doorzetten, verschuift de grens van wat überhaupt nog op te vangen is. En door de verstrengeling is de dynamiek nu juist richting verzwakking van instituties en bestuurlijk vermogen. Het probleem wordt niet afdoende aan de voorkant opgepakt. Dat is misschien ook niet helemaal, of nauwelijks mogelijk (ook door Antropoceentheorie te onderzoeken). Wij denken echter dat het niet mag leiden tot misleidende ideeën omtrent veerkracht. Dit vereist een Antropoceentheorie omtrent de aard van de dynamiek, gecombineerd met de harde Antropocene kenmerken zoals doorgaande overshoot.

Het heeft weinig zin om onhoudbare systemen te verdedigen, terwijl de spanning is dat we dus eigenlijk radicale transformaties nodig hebben - die echter maar niet afdoende ingezet (kunnen) worden. (wederom: deze kwestie vereist inter- en transdisciplinaire, niet-normatieve theorievorming.)

Er is een groeiende stroming die spreekt over sociaal-ecologische veerkracht: niet twee systemen (natuur en cultuur), maar één verweven geheel. Daarin is veerkracht juist het vermogen om relaties tussen mensen, soorten en systemen zó te organiseren dat ze samen kunnen voortbestaan. Maar dan hebben we het dus juist over radicalere inzet, onder de dynamiek van verhardende conditionering die transformaties steeds verder bemoeilijken naarmate ze niet op tijd worden ingezet.

Veerkracht opbouwen is afhankelijk van transitievermogen. Juist dit vermogen staat onder druk. Het heeft alle schijn van een vicieuze cirkel naar beneden. Het doet zich niet zomaar contingent voor maar het is een negatieve feedbacklus die onderhevig is aan patronen, structuren, dynamiek, wetmatigheden van toenemende overshoot. We kunnen niet veerkracht blijven toevoegen zonder de onderliggende relaties te veranderen. Maar die onderliggende relaties moeten we in Antropoceentheorie uitwerken, ook om de hardgebakkenheid ervan te bepalen. Anders zijn we hubrisch bezig. Transitievermogen, ofwel samenwerkingspotentieel, ofwel STP’s kunnen naar onze mening niet tegen de Antropocene dynamiek van spanningsopbouw en verhardende conditionering in groeien.

Bij de procesfilosofie van Whitehead en Deleuze is de kern dat de werkelijkheid niet bestaat uit stabiele dingen, maar uit processen, relaties en voortdurende wording. Dit duidt dus op één veld van sociaal-ecologische processen. Natuurculturrverstrengeling is hier geen probleem, maar juist het uitgangspunt. Dan is neergaande ecologie en afnemend transitievermogen geen fout in het systeem, maar een bepaald type dynamiek. Het is een ‘afglijdende wording’: relaties verstarren en het systeem verliest creatief vermogen. Whitehead zou zeggen: minder ‘intensiteit van ervaring’, met minder mogelijkheid tot nieuwe verbindingen.

Procesfilosofie verzet zich tegen lineair denken. Er zijn geen vaste trajecten, alleen velden van mogelijkheden. Elke situatie bevat steeds potentialiteit, een ongerealiseerd veld van  mogelijkheden. Zelfs in een crisis is het systeem niet gesloten. Maar de dynamiek stuurt het in een bepaalde richting van minder heilzame mogelijkheden. Ontologisch onderbouwd betekent dit ontisch: als ecosystemen verarmen, verarmen relaties, waardoor het transitievermogen daalt.

Procesfilosofen zouden weleens kritisch kunnen zijn op de tekst van ITS4.20/CL0.23. Er is geen stabiele toestand om naar terug te keren, dus de focus op stabilisering met behulp van veerkracht zou juist transitie kunnen blokkeren. De echte uitdaging ligt dan in meebewegen en herconfigureren. Maar we voorvoelen wel dat dit het spanningsveld niet doet verminderen. Procesfilosofisch kunnen we zeggen: een netwerk van relaties verliest zijn vermogen tot vernieuwing en raakt gevangen in zelfversterkende patronen. En de uitweg is niet meer veerkracht toevoegen, maar de relaties zelf transformeren.

De mens zit nu én eenmaal zelf in het dynamische netwerk van natuurcultuur relaties én hij is tegelijk de oorzaak van de dynamiek. Hoe dan die relaties zelf te transformeren? Dat lijkt toch een beetje op de Baron von Munchhausentactiek, die zich aan zijn eigen haren optrok uit het moeras. Veel van wat nu gebeurt is niet preventief maar reactief. In Nederland is wat dat betreft nu een sterke omgekeerde metafoor van toepassing: We dweilen met de kraan open in de verwachting dat er gewoon water uit de kraan blijft komen. We worden al jaren ernstig gewaarschuwd, terwijl ik vanavond nog een buurman zijn tuin zag besproeien. Er zijn Haakse Problemen met sterke belangentegenstellingen waardoor minister Karremans deze week zei dat hij een gestaffelde beprijzing niet zo zag zitten, op basis van een onderzoek uit 2024.

We hollen in algemene zin al decennialang achter de feiten aan. In het krachtenveld spelen tegengestelde krachten en we zien wat dat per saldo oplevert. Er zijn kennelijk structurele redenen waarom samenlevingen laat (te laat) reageren. Die redenen (ofwel onderliggende wetmatigheden, patronen, structuren) zouden bij een processuele ontologie die zo goed mogelijk past bij de dynamiek van het huidige ontische, (d.w.z. onder de te specificeren Antropocene kenmerken), geduid moeten worden. In eerste instantie moet die beschrijvende kant naar onze mening losgekoppeld zijn van de normatieve. Dat is immers wat een correcte realistische ontologie gewoon vereist.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.