De in de lagere zijnsaspecten gefundeerde mystiektheorie als nuttige aanvulling op Antropoceentheorie
Hoe we onszelf zien in relatie tot de wereld raakt weliswaar het Antropoceendebat, maar ‘hoe we onszelf zien’, ofwel onze denkbeelden, en hoe we die al dan niet kunnen transformeren, is lang niet het hele verhaal. De Antropocene veranderingen zijn veel dieper ingebed in harde conditionering door de numerieke, fysische, biotische en deels psychische aspecten.
Evenwel, wat betreft die denkbeelden over de ‘plaats van de mens’, kan de theoretische mystiek misschien een bijdrage leveren aan theorievorming omtrent Antropocene kenmerken, ontwikkelingen en dynamiek. Niet ziet als vervanging van wetenschap, maar als een aanvullend denkkader. Veel Antropoceen-theorie koppelt de reële zijnsaspecten in de bovenlaag nog los van de reële zijnsaspecten in de onderlaag. Theoretisch kan dan helpen om modellen te ontwikkelen waarin die onlosmakelijke gelaagdheid juist ten volle wordt meegenomen. Dat betekent dat de fysische en biotische aspecten voor honderd procent en niet halfslachtig moeten meedoen in de ideeën over bijvoorbeeld veerkracht. De onderste aspecten zijn hardgebakken in de evolutie, ze zijn hardgebakken in de natuurkant, ze zijn hardgebakken in onszelf. Het is de basis. Ze kunnen worden gezien als bronoorzakelijkheid of bronvoorwaardelijkheid waarop alle latere gelegenheidsoorzaken, die te relateren zijn aan de hogere cultuurlijke aspecten zich konden voordoen.
Wanneer we enkel of in hoofdzaak gelegenheidsoorzaken zoals denkbeelden omtrent bv. economie willen aanpakken, dan kijken we niet goed genoeg naar de bronvoorwaardelijke oorzakelijkheid die gelegen is in de onderste aspectlagen. Deze zijnsaspecten bepalen ‘de plaats van de mens’ in de evolutieketen die vervolgens via gelegenheidsoorzaken geleid heeft tot een structurele dynamiek van onomkeerbare overshoot. De ‘plaats van de mens’ hoeft dan niet gezien te worden als externe verstorende factor, maar als intrinsiek onderdeel van evolutionaire processen.
Mystiek die concreet en radicaal is gefundeerd in de onderste aspectlagen biedt een ontologie die correspondeert met de procesfilosofie: niet gebaseerd op losse objecten, maar op relaties, processen en eenheid. In klassieke wetenschap wordt bewustzijn vaak buiten beschouwing gelaten. Mystiek plaatst juist ervaring en bewustzijn centraal. Dat opent een ruimere blik op fundamentele vragen: Is het Antropoceen alleen een geologisch tijdperk, of ook een bewustzijnscrisis? In hoeverre beïnvloeden percepties, waarden en collectieve betekenissen de dynamiek van het systeem?
Het affectieve Leven Zelf als ervaring en bewustzijn is ingebed in een evolutionaire ontwikkeling die verliep van primair natuur, naar secundair (er bovenop gekomen) cultuur, die nu niet anders dan gezien kan worden als natuurcultuurverstrengeling. Dit betekent dat ook de mystiek zich niet kan laten loszingen van de primaire basale funderende onderste aspectlagen. Dit raakt aan interdisciplinair werk tussen filosofie, cognitiewetenschap, milieustudies, sociologie, geologie, ontologie. Het raakt aan alles.
Mystiek benadrukt dat taal tekortschiet om de werkelijkheid volledig te beschrijven. Dat lijkt abstract, maar het is juist concreet omdat het de taal van het Leven Zelf is. En het is relevant als aanvulling op bepaald Antropoceen-discours waarbij grafieken, modellen, scenario’s, statistiek, etcetera centraal staan. Dezen suggereren vaak een mate van controle en helderheid die er niet volledig is. Mystiek kan helpen om theoretisch ruimte te maken voor onzekerheid, ambiguïteit en het ‘onzegbare’ in complexe systemen. In plaats van objectiverende systeemtheorie is het de ontische reële subject-object-relatie die hier in meegenomen wordt. Het gaat immers in wezen om affect en betekenis?
Veel Antropoceen-theorie doet alsof ze puur beschrijvend is, maar bevat impliciete waarden, bv. over wat ‘duurzaam’ of ‘goed is. Mystiektheorie zou dit expliciet kunnen maken. Dan worden verborgen waarden blootgelegd. Mystiektheorie moet dus niet onkritisch worden toegepast als zwevend boven de fysisch-biotische zijnsaspecten uit. Het moet er juist specifiek in gefundeerd zijn. De bijdrage van mystiektheorie ligt dan in de ‘meta-theoretische laag’: het herdenken van basisbegrippen (mens, natuur, agency) ; het bevragen van aannames en het openen van nieuwe interpretatiekaders.
Een richting die verwant is aan de mystieke is de fenomenologie van de belichaamde ervaring. De filosofen Maine de Biran en Maurice Merleau-Ponty benadrukken dat we de wereld niet van buitenaf waarnemen, maar er altijd al in verweven zijn. Perceptie is relationeel: lichaam en wereld vormen samen ervaring. Wanneer we het zo benoemen: belichaamde ervaring, dan voelen we direct wel aan dat e.e.a. in de fysisch-biotische lichamelijkheid gefundeerd moet zijn. Ook dit duidt op de directe, non-dualistische concrete ervaring van werkelijkheid, vóór abstracte scheidingen.
De moderne stromingen vormen een soort ‘geseculariseerde mystiek’: ze vertalen oude intuïties over eenheid, verbondenheid, ego-transcendentie en lichamelijkheid naar hedendaagse theorieën over het Antropoceen. De filosofie van Martin Buber geeft een precies relationeel begrippenpaar om op de mystiek en de belichaamde ervaring aan te sluiten. Zijn onderscheid (geen scheiding) tussen ‘Ik–Het’ en ‘Ik–Gij’ kunnen we bijna één op één leggen over de dynamiek van het Antropoceen. In de ‘Ik–Het’relatie verschijnt de wereld als object, als iets dat je kunt meten, gebruiken, beheersen. Het is instrumenteel, analyserend, afstandelijk. In de ‘Ik–Gij’relatie verschijnt werkelijkheid als een innige levende aanwezigheid als dialogische relatie. Het is wederkerige on-middellijkheid, direct. Niet-bemiddeld, niet-onderscheidend, niet-reducerend zoals in de ‘Ik-Het’relatie. Dit zijn geen morele of normatieve connotatie, het is de fundamentele twee wijzen van zijn.
Maar ook hier mag dit niet losgezongen zijn van onze fysich-biotische materiële basis. Het Antropoceen kan weliswaar worden begrepen als een historisch tijdperk waarin de ‘Ik–Het’relatie systemisch is geëscaleerd, terwijl de Ik–Gij-relatie is gemarginaliseerd, maar het doet niets af aan evolutionaire bronoorzakelijke voorwaardelijkheid voor latere gelegenheidsoorzaken waaronder de uit de hand gelopen ‘IK-Het’relatie.
Reactie plaatsen
Reacties