Toonzetting en afstemming - we namen de moeite tot de lach en zo zetten wij de toon en stemden we ons af op wat tot ons komen gaat, op wat ons verrijken gaat. Wat een meesterlijk einde aan het Holoceen, wat een magistraal begin van het Antropoceen, wat een macht en kracht. Geen heerser, geen dictator uit de mensenhistorie zal er bij in de buurt komen. Sinds jaar en dag wordt er gestorven onder dictators, door dictators - geen menshistorisch stervensvermogen zal echter in de schaduw kunnen staan van wat de nabije toekomst vermag. En wat is uitsterving anders dan het zalige toetje, de engel die over je tong pist, de duivel die jouw tong aflikt op het menu van de kosmische ellende? Wij vernamen een aardige definitie van het Antropoceen: menu van Kosmische Ellende, waarvan we hier vooralsnog enkel het voorafje mogen genieten - aan het toetje zijn we nog lang niet toe. Hoeveel gangen het menu bevat hangt af van het aantal obers en kelners dat er onderweg afvalt, door hitte bezweken, en hoeveel er nog overblijven naarmate de hoofgerechten heter en heter zullen worden opgediend. Wie dan nog aan het toetje toekomt, waarmee het hele diner wordt afgeblust, mag van de opperste genieting spreken.
*
De taal des Doods. Deze spreekt zichzelf uit door de reeds gestorvenen en kan door de nog net niet gestorvenen nog even in mensenwoorden uitgesproken worden. Van de eersten horen wij geen jammerklacht, van de tweeden is deze niet te harden. Dat laatste irriteert ons mateloos. Omdat we er zelf toe behoren. Wij zijn het, die jammerklagers, die nog net niet tot rammelende karkassen zijn getransformeerd. Woordenloze soorten lijden de helft van woordensoorten – die immers ook nog lijden aan het lijden dat ze vrezen. Bewuste noodlotsbestemden zoals u en ik creëren zelf hun zelfbewuste noodlotsbestemming, zo is het nu eenmaal. Onheil - het is dat we het over ons afroepen en om die reden ook maar beter kunnen begeren.
*
Aangezien onze goddelijke tekortkomingen – waarvan niets bewijst dat ze niet menselijk zijn – geen oppervlakkige toevalligheden zijn, maar de kern van onze natuur, kost het ons weinig moeite om ons het verdere verloop van het Antropoceen voor te stellen. Wie echter een tekort aan voorstellingsvermogen heeft, is de eigenaar van een probleem. Welk voorstellingsvermogen bezat de Baas van Genesis? Ontdoet hij zich nu van een soort die Hem begon te beconcurreren? Welk deel van de mislukking hoeft niet de mens, maar Hem worden aangerekend? Mislukken is ook een vorm van lukken. Wij zijn er niet gerust op: het feestje kan nog verstoord worden door de activisten. Wat willen de transitie-activisten nu eigenlijk, dat het Antropoceen lukt of juist mislukt? Het Antropoceen, het is de Grote Evacuatie, de evacuatie van een soort, van vele soorten. Maar … grote vraag, klein antwoord: waar naartoe? Als bestemming Mars er niet in zit, dan maar richting Rijk der Hemelen? Maar ook dat zal, zo vrezen wij, enkel kunnen lukken via het voorportaal van de Hel. Het Antropoceen brengt soorten terug tot hun essentie: voorbijgaan. Overal dringt na het geween en tandengeknars het geluid van de stilte door – je luistert, je hoort niets, er is niemand om te luisteren, niemand om te horen wie horen wil. De zintuigen keerden zich niet meer om in hun graf, moegestreden, doodgestreden. Ze werden verzwolgen door het verstrijken van een tijdperk. Dat nadien zelf na haar sloopwerk van de dingen en de dageraad der dagen ten einde kwam. De arbeid was voldaan, de dingen waren goed: ze waren er niet meer.
*
Maak jouw eigen website met JouwWeb