De mens is nu eenmaal geen uilcentrisch beest

Dan was ie immers wijs geweest

Het antropocentrisch gemurmel huist in heel zijn wezen

In zijn botten en zijn pezen

Van de wieg tot aan zijn graf

Een uil oe-hoe’t een hond zegt waf

 

Men herkent elk dier zoals ‘t gebekt is

naar eigen aard en wens

Hier is voor tweederde niets mee mis:

Oehoe’en: uil; blaffen: hond; vloeken: mens