Het Antropoceen  kan worden gezien als een multi-aspectueel ontwrichtingsproces. We kunnen een aantal onderling verbonden fundamentele zijnsaspecten (naar de modale aspectenleer van de filosoof Herman Dooyeweerd) op een rijtje zetten en dezen betrekken op de Antropocene ontwikkeling.

De samenhang van de zijnsaspecten toont ons dat de Antropocene veranderingen een totaalontwrichting betekent door de onderlinge verwevenheid van de modale aspecten in hun natuur-cultuur-sferen-verstrengeling. De modale aspecten infecteren elkaar in wisselwerking. Sommige aspecten (de eerdere, ‘lagere’) zijn meer natuurgerelateerd, ander aspecten (de latere, ‘hogere’) zijn meer cultuurgerelateerd. Het is een totale subject-object crisis van de modale ervaringswerkelijkheid.

  1. Numeriek: zoals Exponentiële groei van bevolking; CO₂ in ppm. Met als kenmerk: meetbare grootheden.
  2. Ruimtelijk: verstedelijking; fragmentatie van ecosystemen; globalisering. Met als Antropoceen kenmerk: ruimtelijke disbalans tussen consumptie en productie.
  3. Kinetisch (beweging): versnelling (transport, logistiek, kapitaalstromen); “Great Acceleration” na 1950. Met als Antropoceen kenmerk: structurele versnelling van natuurcultuurverstrengelde patronen.
  4. Fysisch: klimaatverandering; chemische vervuiling; energieverbruik. Met als Antropoceen kenmerk: verstoring van natuurlijke evenwichten.
  5. Biotisch: massale soortensterfte; monoculturen; bodemuitputting. Met als Antropoceen kenmerk: instrumentalisering van leven.
  6. Psychisch (gevoelsaspect): eco-angst; klimaatdepressie; onthechting van natuur. Met als Antropoceen kenmerk: psychische spanning tussen welvaart/welzijn en existentiële dreiging.
  7. Logisch-analytisch: technocratische beheersingslogica; data-gedreven beleid; klimaatmodellen. Met als Antropoceen kenmerk: natuur primair beschouwt als probleem-object.
  8. Historisch cultuurvormend: fossiele moderniteit; industriële revolutie; extractivisme. Met als Antropoceen kenmerk: cultuurmacht zonder normatieve begrenzing.
  9. Linguaal: framing (“groene groei”, “duurzame ontwikkeling”); narratieven over vooruitgang. Met als Antropoceen kenmerk: taal legitimeert exploitatie of transitie.
  10. Sociaal/politiek: klimaatongelijkheid; Noord-Zuid verhoudingen; geopolitieke spanningen; generatieconflict. Met als Antropoceen kenmerk: het Antropoceen is sociaal ongelijk verdeeld.
  11. Economisch: groei-ideologie; externe kosten; schaarstemanagement. Met als Antropoceen kenmerk: het Economische aspect overheerst andere aspecten.
  12. Esthetisch: verlies van landschappelijke harmonie; industriële monoculturen; natuur als recreatief decor. Met als Antropoceen kenmerk: disharmonie tussen mens en omgeving.
  13. Juridisch: klimaatrechtszaken; rechten van natuur; intergenerationele rechtvaardigheid. Met als Antropoceen kenmerk: juridisch zoeken naar normherstel.
  14. Ethisch (liefde, zelfgave): zorg voor toekomstige generaties; duurzame levensstijl; ecologische deugdethiek. Met als Antropoceen kenmerk: de vraag naar zelfbegrenzing en verantwoordelijkheid.
  15. Pistisch (geloof/ultieme toewijding): geloof in vooruitgang; technosolutionisme; ecospiritualiteit; post-seculiere klimaatactivisme. Met als Antropoceen kenmerk: het Antropoceen is diep religieus geladen. Hier wordt de grondhouding zichtbaar:
    Is de mens heer, rentmeester, onderdeel van Gaia, of schepper van een post-natuur?

De natuurcultuurverstrengelde machten&krachten, structuren en patronen worden nu, zoals we volgens mij kunnen zien boven de macht van de mens uitstijgend, in toenemende mate: ruimtelijk en temporeel autonoom, expansief en grenzeloos. Het Antropoceen toont meerdere fundamentele spanningen tussen modale zijnsaspecten waaronder, als voorbeeld:

Historisch/cultuurlijk/technologisch versus Biotisch: de technische expansie vernietigt levensvoorwaarden.

- Economisch versus Juridisch: marktlogica ondermijnt gerechtigheid (intergenerationeel).

De mens ontdekt door de Antropocene ontwikkelingen zijn afhankelijkheid van de orde die hij dacht te beheersen. De natuurlijke wetmatigheden zijn in Dooyeweerd’s aspectenleer naar te onderscheiden aspecten geordend, waarbij de eerdere aspecten meer natuurgerelateerd zijn en de latere meer cultuurgerelateerd, waarbij je mede op basis hiervan onderscheid zou kunnen maken tussen feiten en waarden. Maar de feiten van de natuur blijken nu net zo goed waarden te zijn.

Bruno Latour daarentegen zegt om die reden dat je de onderscheidingen (natuur en cultuur; subject en object; feiten en waarden) in feite niet kunt maken. L stelt dat de werkelijkheid bestaat uit netwerken van menselijke en niet-menselijke actoren, waarbij geldt dat alles wat effect heeft, actor is; dat mens-nietmenselijke hybriden (zoals o.a. technologie) fundamenteel zijn; dat er geen hiërarchische ontologische lagen zijn. Er is relationele symmetrie (tussen ‘mens en niet-mens’) die zorgt voor relationele samenstellingen, zonder vaste modale ordening.

Een fundamenteel verschil tussen D en L schijnt te zijn: Dooyeweerd beschermt structuur, Latour deconstrueert structuur. Of de Antropocene ontwikkelingen nu (via Zelforganisatie, waarbij realisatie plaatsvindt vanuit het vigerende potentieveld) ‘kiezen’ voor de route van bescherming of de route van deconstructie, lijkt mij een kwestie van perspectief te zijn.

De twee hoeven elkaar volgens mij niet uit te sluiten. Vanuit de menselijke ervaringswerkelijkheid bekeken wordt het een kwestie van deconstructie in de zin van chaos en ontwrichting voor ons. Vanuit de primordialiteit van de mensoverstijgende natuur bekeken (natuur in de definitie ‘wat in de aard der processen gelegen is’) zorgt de natuurlijke Zelforganisatie voor het behoudt van de natuurlijke subject-objectstructuur van zichzelf, precies door (of ondanks) de Antropocene veranderingen. De overeenkomst is dat beide perspectieven de mens overstijgen als Overmacht.

In het kader van een adequate Antropoceentheorie zou Latour’s netwerkgevoeligheid en Dooyeweerd’s normatief-structurele kosmologie mogelijk te integreren zijn. Waarbij mogelijk wel een problematiek optreedt (boven D’s aspectenleer uit).

Want wanneer we dit in een religieus-theïstisch taalveld zouden willen brengen (wat immers in bepaalde zin het taalveld is van Dooyeweerd), dan is de kwestie wel van Grote Betekenis voor bepaalde traditionele Godsbeelden lijkt mij. Een traditioneel Godsbeeld zegt dat God optrekt met de mens als zijnde Liefde, als zijnde Per-soon. Dit Godsbeeld nu lijkt mij onder druk te (kunnen komen) staan.

Het kan immers nu blijken dat God als zijnde naar harmonie en orde verlangend Strevingsprincipe, optrekt, noodzakelijkerwijs moet optrekken, met de planeet, universum, kosmos, - en dat dat nu juist ten koste zal moeten gaan van zijn relatie met de mens. Je zou bij dat laatste ook kunnen stellen dat dit veroorzaakt wordt doordat de mens tegen God ingaat. Dat roept dan vervolgens weer allerlei vragen op.

Je zou het ook wel binnen de non-theïstische religieuze terminologie kunnen houden met toch een goddelijke notatie, betrokken op waarden. De goddelijk te noemen evolutie (of Zelforganisatie/Werking/Wording/Overgankelijkheid/ActueleScheppingConti-Nu) heeft de in zichzelf van oorsprong succesvolle natuurcultuurlijke route zo goed (Goed) gevolgd, dat het uiteindelijk door onomkoombare evolutionaire overshoot (= Overmacht(?) wel moest leiden tot kwaad (Kwaad). Goed en Kwaad te benoemen in het natuurcultuurverstrengelde schema Heil/Onheil voor het leven.

Het roept meta-fysische vragen op, ook aan Jeroen en Emanuel n.a.v. afgelopen weekend:

  1. er zal toch uiteindelijk een Onverwoestbare Structuur aan de werkelijkheid kunnen zijn (zonder noodzakelijk Voor-Natuurlijke oorzaak aan ‘Eerste Natuurlijke Begin’; kunnen zijn, want net zo goed speculatief), altijd en Eeuwig?
  2. Zo Eeuwig en zo Onverwoestbaar dat je daarin zelfs niet de uiteindelijk noodzakelijk dualistische voornatuurlijke scheiding hoeft te maken tussen Sub-ject en ob-ject, als nodig bij een speculatieve aanname voor tijdloze, natuurlijke-energieloze Geest-Per-soon en voornatuurlijke simultaan-oorzaak, voorafgaand aan ‘Eerste Begin van natuurlijke subject-object energetisch-temporele Werking en Wording’?
  3. M.a.w. Onverwoestbare Werking in Eeuwige nooit-ooit-begonnen onlosmakelijke natuurlijke subject-object-relatie, want Werkingswording, dus oneindige overdracht als Actuele Schepping Conti-Nu (van Vader op Zoon) zou mogelijk, wellicht, misschien en toch waarachtig en waarschijnlijk, intuïtief aannemelijk kunnen zijn?
  4. zonder een noodzakelijke ‘beginschepping’ met een voornatuurlijke voorafgaande Scheppergod (dus)?
  5. Dooyeweerd geeft te kennen dat het logicistische/analytische modale aspect, zoals alle aspecten, gerelateerd moet worden aan Oorsprong/Bron. Oorsprong/Bron gaat eraan vooraf en bepaalt/beperkt/relateert (dus) ook onze ervarings- en kennishorizon. Het logisch, wiskundig, filosofisch, theologisch redeneren is (dus, zo geeft ook Dooyeweerd aan) altijd te laat (na-denken).
  6. Is het dan eigenlijk wel mogelijk om via redeneren en argumenteren tot voornatuurlijke Godsbewijzen met noodzakelijk ‘Eerste-Begin’ te komen?

En dit vervolgens weer betrekkend op het Antropoceen:

7. Werking blijft Werking, als trekkracht richting evenwicht, harmonie, orde. Ook al gaat de huidige manifestatie hiervan nu te snel voor de onderliggende en onder-hevige zich actueel manifesterende sub-structuren.

8. De Latourse de-constructie zou dan betrekking kunnen hebben op (slechts) de onder-hevige actuele sub-structuur die zich evolutionair een tijdlang heeft gemanifesteerd als natuurcultuurverstrengeling waarbij cultuur als nichevorm en tijdelijke manifestatie kan worden gezien van Natura Naturans van wat in de aard der goddelijke Onverwoestbare Werking gelegen is.

9. En waarin er (dus) nooit een reële splitsing natuur/cultuur en object/subject en feiten/waarden is geweest, maar wel abusievelijk gedacht kon worden.

10. Zodat het Antropoceen ons (dus) ook een spiegel voorhoudt wat betreft Holoceengerelateerde God-, mens-, wereldbeelden, religieuze overtuigingen, paradigma’s.

11. Ook omtrent noties omtrent de verhouding tussen ethisch-normatieve keuzevrijheid, keuzenoodzaak, determinisme en verantwoordelijkheid.

12. Met daarbij de notie: al het Schriftuurlijke (inclusief het ethisch-normatieve daarin) is immers pas in het Holoceen (kunnen) ontstaan, onder Holocene omstandigheden.

13. Superkort, zo zou dit volgens mij ons te na-denken kunnen geven.

 

Voordelen:

  1. Een Whiteheadiaanse benadering van het Antropoceen vermijd een hoop metafysische problematiek van voornatuurlijke=bovennatuurlijke=dualistische denkgeschiedenis.
  2. Het toont ons dat de bronoorzakelijkheid van het Antropoceen niet ligt bij de onmacht van de mens, maar bij de Overmacht van evolutionair-natuurlijke processen, wetmatigheden, patronen, structuren.

Maak jouw eigen website met JouwWeb