De schijntegenstelling tussen ‘de mens als oorzaak’ en ‘de natuur als oorzaak’

Ja, het is de mens die de Antropocene veranderingen nu veroorzaakt. Terwijl tegelijk geldt: de mens = (deel uitmakend van) natuur. Natuur volgens de definitie van Whitehead: wat in de aard der dingen gelegen is, ofwel zelfregulerende zelfgenererende Zelforganisatie waar de organismen aan meedoen en aan onderhevig zijn.

We kunnen dit bekijken volgens het principe van grenzen aan de groei. Die grenzen zijn natuurlijk natuurlijk, maar hoe zit dat met die groei? Is groei niet ook gewoon een natuurlijk verschijnsel binnen de primordiale Zelforganisatie, als gewoon een uitvloeisel daarvan, in relatie met het evolutionaire principe van samenwerking&concurrentie? De idee van onder andere economische en demografische groei - onder andere want het werkt in principe binnen alle zijnsaspecten die zich voor groei lenen - is dan niet zomaar een menselijk uit de hand gelopen idee en praktijk, het is zo gezien ook een evolutionair verschijnsel. Groei is vermogen en kan (dus) niet los gezien worden van energie. De natuurlijke energetische Zelforganisatie heeft per definitie de neiging om in de richting van grenzen te gaan – die vervolgens als negatieve feedback meedoen in die zelfregulerende Zelforganisatie.

Ja, het is nu problematisch voor de huidige soorten. Het doet zich nu, uniek in de mensengeschiedenis, voor op het ‘hoogste’ ruimtelijke en temporele, namelijk planetaire niveau, in plaats van eerder vele malen op regionaal niveau. Dat maakt dat er nu, in tegenstelling tot eerdere grensbereiking sinds de mensentijden, geen of slechts minimale uitwijk- en ontsnappingsmogelijkheden meer zijn. Althans niet voor vele huidige soorten, uiteraard wel voor de eeuwige Zelforganisatie. Dit alles ook vanwege de unieke topsnelheid van de Antropocene veranderingen.

Dat de mens er wat aan kan doen zal ongetwijfeld zo zijn, maar dit eeuwige evolutionaire dissipatieve, energetische groeiprincipe, dat zich nu, ongekend sinds mensentijden, manifesteert als planetair verschijnsel, drukt ons op het feit dat de mens ook maar gewoon natuur is, als zijnde een diersoort, waarbij zijn unieke ‘rationaliteit’ niet afdoende functioneert (kan functioneren) op dit vlak, omdat deze per definitie niet opgewassen is tegen de natuurlijke krachten die boven-rationeel van aard zijn en daarmee dus de mens te boven gaan. De rationaliteit heeft immers nooit de functie hoeven hebben die nu vereist is, het heeft nooit in dienst gestaan van overleving van de ‘mensheid’. Het idee van ‘mensheid’ is geen concretie maar een idee, zoals ook bij Plato in zijn ideeënleer ‘paardheid’ stond voor het ideaaltypische idee ‘paard’.

Maar we hebben een (westerse) denkbeeldengeschiedenis doorgemaakt die typisch Holoceen-gerelateerd is, en die de laatste eeuwen nogal van invloed is geweest op onze Goden. Oude Goden zijn vervangen door moderne, waaronder die van de Rede en maakbaarheid ofwel beheersing door de mens, met dualistische scheidingen waaronder die tussen natuur en cultuur. Imperialisme, kolonialisme, machts- en beheersend management-denken: ze konden opkomen mede ‘dankzij’ het vervreemdende en misplaatste dualisme, naast technologische ontwikkelingen waarvan de bronoorzaken gelegen zijn in het kunstmatig-(moeten)-zijn-van-nature. Slavernij heeft zeer oude papieren en verschijnt iedere keer weer in een nieuw jasje. ‘Rechtvaardigheid’ is onder bepaalde omstandigheden enigszins realiseerbaar, maar meestal niet en dat maakt het ideaaltypische idee van ‘rechtvaardigheid’, hoewel een nobel streven, toch ook tot een vorm van naïef idealisme wanneer die omstandigheden er niet (meer) zijn. De natuurlijke Zelforganisatie overstijgt het ethisch-morele idee van menselijke rechtvaardigheid. Beschaving is een vernisje, de mensenrechten komen nu onder een ander regime te staan, helaas een wreed regime.

Emile Cioran (Roemeens-Frans filosoof; 1911-1995) zegt het in zijn boek ‘een kleine filosofie van verval’ (1949), onder het kopje “Terug naar de elementen”, als volgt:

“Als de filosofie geen enkele vooruitgang had geboekt sinds de presocraten, zouden we geen reden hebben om ons te beklagen. Overweldigd door de warboel van concepten (Holoceen-gerelateerde concepten – JL), eindigen we met te erkennen dat ons leven zich  nog altijd afspeelt te midden van de elementen waaruit zij de wereld samenstelden, dat aarde, water, vuur en lucht ons voorbeschikken, dat deze rudimentaire fysica het raam onthult van onze beproevingen en de bron van onze kwellingen. Omdat we deze elementaire gegevens ingewikkeld hebben gemaakt, hebben wij – verleid door de brille en het bouwwerk van theorieën – het begrip van het Lot verloren dat niettemin, onveranderd, hetzelfde is als in de eerste dagen van de wereld. Ons bestaan, tot zijn essentie herleid, blijft een gevecht tegen de altijd durende elementen, een gevecht dat op geen enkele manier kan worden verzoet door onze kennis.”