Angst is volgens de Duitse filosoof Karl Jaspers, in navolging van Kierkegaard, een objectloze emotie; vrees daarentegen heeft een object. Vrees heeft betrekking op min of meer concrete situaties of dingen of levende wezens, zoals bijvoorbeeld grote hoogten of spinnen of afkeuring door mensen. Angst zou in deze visie geen object hebben, het is met andere woorden niet duidelijk waarvoor men bang is; het gaat om een nameloze en onbestemde angst; men weet niet waar die over gaat. Het onderscheid tussen angst en vrees is relatief en gradueel. Veel objectloze angsten blijken bij nadere bestudering wel degelijk een object te hebben. We kunnen denken aan de bedreigingen die met klimaatverandering te maken hebben.
Klimaatverandering is abstract zolang je niet wordt getroffen door een ramp; het is niet of moeilijk te bevatten door het verstand; het ligt verder in de toekomst en niet in jouw concrete alledaagsheid - zolang de dreiging niet hier en nu is. Het is concreet zodra de dreiging wel hier en nu is, maar dan is het al te laat in de zin van het voorkomen van de dreiging.
In beide gevallen, abstracte angst en concrete vrees, is er sprake van ambivalentie t.a.v. handelingsperspectief, maar dan wel op verschillende wijze. Bij het abstracte zouden we voorzorgsmaatregelen moeten of kunnen nemen, maar dat doen we, zoals blijkt, niet of in onvoldoende mate; bij de concrete dreiging hier en nu gaat het om redden wat er nog te redden valt, met daarbij, op planetaire schaal gezien dus tegelijk ook weer abstract: de ambivalentie van dweilen met de kraan open.
De abstracte angst zou afgelezen kunnen worden aan het spectrum van (polariserende, depressieve en agressieve) reacties, gedrag en handelingen, van activistisch 'links' verzet tot reactionistisch ‘rechts’ tegenverzet, tot en met onverschilligheid zoals ‘het zal mijn tijd wel duren’. Men wil tegelijk, hoe ambivalent wil je het hebben, zowel wel als ook niet investeren in het voorkomen van klimaatverandering. Wel als het mij maar niets kost en als het mij in een enquete wordt gevraagd, niet als de overheid mijn portemonnee plundert en ik mij in mijn identitaire en materiele bestaanszekerheid bedreigd voel. De abstracte angst, met zijn tegengestelde ambivalente reacties, zowel in de socio als in het individu, blijkt tot nu toe niet voldoende om afdoende mitigatie te kunnen bewerkstelligen in politieke zin.
De concrete dreigingen en het getroffen worden zal waarschijnlijk lokaal actie teweegbrengen. Dat zou in het begin saamhorigheid en samenwerking met zich mee kunnen brengen, maar na verloop van tijd blijkt dat in de regel weg te ebben en ontstaat er juist toenemende conflictpotentie in samenlevingen en gemeenschappen.
Er is (dus) ‘angstvrees’ die wisselend en tegelijk en in interne tegenstrijdigheid, zowel betrokken is op het abstracte als ook op het concrete. “Ik wil mijn verworven leefstijl, mijn vliegvakanties, niet verliezen”, terwijl men niet beseft, hoe tegenstrijdig ook, dat men die op termijn verliest door deze niet te willen verliezen. Steeds weer zien we op alle niveau’s een breed scala aan reacties, reactionair en polariserend gedrag, politieke verrechtsing. Niet helpend in de zin van voorzorgsmaatregelen ofwel mitigatie en ook niet wanneer concrete rampen zich voordoen met alle toenemende conflictpotentie, afnemende veerkracht en het ontstaan van negatieve sociale tipping points daarbij. We zien dit laatste duidelijk gebeuren in de meest kwetsbare regio's die nu al getroffen worden, zoals Sub-Sahara en Zuid-Oost Azië.
We zouden angst, vrees en ‘angstvrees’ ofwel bedreigingen, in een denkbeeldig schema kunnen plaatsen van pré-Antropocene ‘oudheid’ en Antropocene nieuwigheid - die pas sinds kort beseft kan (zou kunnen) worden. De laatste nieuwigheid werkt als een bedreigingsversterker. Alles wat nu gebeurt, alle cultuurlijke eruptie, gebeurt tegen een andere achtergrond, in een ander regime. Alle verslechtering in de fysisch-ecotische sferen brengt ook spanningsopbouw in de cultuurlijke sferen met zich mee.
Dat schema kunnen we dan vervolgens relateren aan niet alleen de materiele verworvenheden die bedreigd worden, maar ook aan verschuivende paradigma’s, immateriële emanciperende en identitaire verworvenheden inclusief de vrijheid van het individu, die de laatste eeuwen zijn ontstaan in de ‘westerse’ geschiedenis, vanuit de zogenaamde Verlichting. Een richting naar humanisme (wat toch ook een vorm van antropocentrisme is), de god van de Rede, het primaat aan de wetenschap, de god van het Vooruitgangsdenken, de god van de Maakbaarheid, secularisatie, “de Over-Machten zijn dood, en wij hebben ze gedood!”, weg van religieuze noties, via consumentistische uit-de-hand-loperij naar de nieuwigheid van het recente Antropoceen, met zijn irrationele krachten, met zijn Over-Macht van het actuele scheppingsgebeuren, Overgankelijkheid, Werking, Wording, Creativity, Verandering van het oneindig Gevende naar het oneindig Ontvangende, waarbij het Ontvangende tegelijk weer het Gevende wordt, een taoïstische notie - en het daaraan onder-hevig-zijn van de creaturen.
Is deze altijd al ‘bestaande’ nooit-weg-geweest-zijnde hernieuwde ‘God’, deze Godt, deze stroom van Zelforganisatie en levensondersteunende of levensvernietigende Bedding, waar de creaturen actueel aan bijdragen door er nu Antropocenisch tegen te vloeken door zijn levensondersteunende beddingsfunctie te verkrachten, per definitie goedwillend voor de medescheppende creaturen? Het vloeken en verkrachten, ten gunste van de creatuurlijke ondergang, maakt de vraag waarschijnlijk retorisch.
Maak jouw eigen website met JouwWeb