Wat betreft eventueel menselijk samenwerkingspotentieel in relatie met Antropocene ontwikkelingen zijn er – met behulp van het perspectief van ons totale kennisspectrum van natuurwetenschap, geesteswetenschap, filosofie, instinctmatige en intuïtieve kennis – genoeg redenen en aanwijzingen om ons daar realistische, dus niet al te optimistische voorstellingen bij te creëren.

Eerst over het voorstellingsvermogen.

Het voorstellingsvermogen is een cultuurlijke typisch menseigen bijzonderheid, die overeenkomstig Plessner tot onze excentrische positie kan worden gerekend. De relatie centrische-excentrische positie levert spanning want ambivalentie op en dat zien we ook terug in hoe ieder zijn voorstellingsvermogen (potentieel) gebruikt, waarschijnlijk mede door de enorme range aan belangen(tegenstellingen) alsook mens- en wereldbeelden. Vandaar ook ‘eeuwig debat’ wellicht, met tevens alle communicatieve misverstanden, onmacht en ambivalentie die daarbij hoort. Want het is niet enkel de objectiverende natuurwetenschap, de ratio, het intellect die ons kan en moet bijlichten, al hoe graag rationalistisch ingestelde  ‘Verlichtings’-wetenschappers dat ook zouden willen. Het typisch menselijk voorstellingsvermogen is aanvoelingsvermogen.

Voorstellingen omtrent reeds millennia doorgaande uitsterving.

De uitstervingsgolf in het Holoceen (het tijdperk dat inmiddels is overgegaan in het Antropoceen sinds de structurele en toenemende planetaire overshoot), is een voortdurend uitstervingsproces dat wordt veroorzaakt door menselijke activiteit. Het wordt de zesde massa-extinctie genoemd en we kunnen wel aanvoelen dat dit zeer ontwrichtende gevolgen zal hebben, niet alleen voor de natuurlijk-ecologische sferen, maar ook voor de cultuurlijk-sociale sferen.

De huidige uitstervingssnelheden worden geschat op 100 tot 1.000 keer hoger dan de natuurlijke achtergronduitstervingssnelheden en nemen nog steeds toe. De uitsterving gedurende het Holoceen werd voorafgegaan door de megafauna-uitstervingen in het Laat-Pleistoceen (die 50.000 tot 10.000 jaar geleden duurden), waarbij veel grote zoogdieren – waaronder 81% van de megaherbivoren  – uitstierven, een daling die ten minste gedeeltelijk wordt toegeschreven aan menselijke (antropogene) activiteiten. Er zijn nog steeds heftige debatten over het relatieve belang van antropogene factoren en klimaatverandering wat betreft de Pleistocene en Holocene uitsterving, maar een recent onderzoek concludeerde dat er weinig bewijs is voor een grote rol van klimaatverandering en "sterk" bewijs voor menselijke activiteiten als de belangrijkste drijvende kracht. 

Voorstellingen omtrent de huidige klimaatverandering daarbovenop.

Nu komt daar wel degelijk klimaatverandering, waaronder verzuring van de oceanen, bovenop. En naast alle eerdere vervuiling nu ook chemische vervuiling en dergelijke. Het is een optelsom, een zich versterkend complex van antropos-gerelateerde oorzaken. We kunnen ons voorstellen dat bij de huidige, reeds eeuwenlange gaande trends, dramatische en tragische gevolgen niet kunnen uitblijven.

Cultuurlijk samenwerkingspotentieel in het licht van deze voorstellingen.

Antropos, de mens, wordt gekenmerkt door een hoog samenwerkings- en organisatiepotentieel. De organisatiegraad is nu verfijnd tot een ongekend hoge complexiteit, wat betreft technologie, infrastructuur, logistiek, economie, democratie, informatie, instituties, enzovoort, zoals nog nooit eerder in de cultuurlijke evolutie vertoond. Een culturele evolutie van jewelste heeft plaatsgevonden, van hooggeorganiseerde samenwerkingsverbanden van toegenomen complexiteit en afhankelijkheden - en precies daardoor nu uiterst kwetsbaar en op het spel staand, door de alsmaar toenemende natuur-cultuurverstrengeling ten gevolge van toenemende overshoot van vrijwel alle kritische planetaire grenzen. Schaalgrootte en onomkeerbaarheid (waarvan een deel al heeft plaatsgevonden en het kenmerkt zich door zelfversterkende domino-effecten) zijn ongekende, unieke kenmerken van het Antropoceen.

We kunnen, op basis van ons totale kennisspectrum, intuïtief aanvoelen en ons voorstellen dat we gaan in de richting van vormen van samenwerking en organisatie in een toenemend instabiele, ontwrichtende, fragmenterende wereld, waarbij die samenwerking en organisatie zich in gedegradeerde,  versnipperde, confronterende, polariserende, concurrerende vormen zal voordoen.

De huidige Antropocene spanningsopbouw betekent een zelfversterkende vicieuze cirkel richting afgrond, precies door de genoemde natuur-cultuurverstrengeling. Het idee wat onder bepaalde idealistische groeperingen nogal sterk leeft, is dat zich een positief social-tipping-point zou kunnen voordoen, precies door die drukverhoging.

Dit lijkt mij vanwege de toenemende natuur-cultuurverstrengeling een naïef waanidee. We kunnen ons voorstellen dat de krachtsverhoudingen logischerwijs zullen verschuiven weg van de eventuele cultuurgerelateerde mogelijkheden en krachten (die inherent verdeeld zijn), naar de overmacht  van de natuurkrachten – een overmacht die er altijd al was, maar ons in het Holoceen goedgunstig was. De vraag in hoeverre er nog tot nu toe onbenut samenwerkingspotentieel kan worden aangeboord om zo goed mogelijk met de Antropocene omstandigheden om te gaan zou dan toch in dit realistisch perspectief moeten worden gezien.

Mitigatie, adaptatie, eventueel onbenut samenwerkingspotentieel: het gebeurt allemaal in een proces van dweilen met de kraan open richting instorting. Met uiteraard niet toenemende, maar juist afnemende mogelijkheden ofwel potentie tot de nog nooit eerder in de mensengeschiedenis vertoonde wereldwijde samenwerking die nu vereist is. Samenwerking gebeurt evolutionair gezien per definitie vanuit concurrentieoverwegingen. Dat betekent dat er per definitie ook macht (vermogen) en verdeeldheid in het spel is. En dus ook, logischerwijs, toenemende cultuurlijke samenwerkings-onmacht t.o.v. de natuurlijke krachten omdat we deze laatsten in negatieve zin doen toenemen   en uit de hand laten lopen wat betreft leefbaarheidspotentie.

Wat we aan het doen zijn is de natuurlijke krachten laten ontsporen en door ze vanuit de coulissen het toneel op te trekken – Sloterdijk; Latour). Dit is – naast o.a. schaalgrootte en onomkeerbaarheid -  één van de kenmerken van het Antropoceen.

Maak jouw eigen website met JouwWeb