Fenomenologie en voorwetenschappelijke kennis
De originaliteit en bijdrage van de Franse filosoof Michel Henry (1922 – 2002) aan de fenomenologie ligt in zijn these van de dualiteit, de tweezijdigheid van het verschijnen, waarbij 'immanente affectiviteit' of 'leven' de 'eerste' en meer fundamentele vorm van het verschijnen aanduidt. De fenomenologie van Husserl was gericht op het intentionele naar de wereld uitstaande bewustzijn. Henry toont aan dat daar ‘iets’ aan voorafgaat, moet voorafgaan, om überhaupt intentioneel te kunnen zijn.
Dit innerlijke vermogen wordt niet door het ik zelf gecreëerd, en dat betekent dat het een relatie moet zijn, een innerlijke dialogische relatie. Dat zou je kunnen benoemen als de relatie van het ‘Leven Zelf’ met de levende. In beginsel (als basis) is er het Woord, de taal van het Leven Zelf, en het Woord is bij God, aldus Johannes. De Ene, het Ene, TAO, ‘van waaruit via de Zelfheid, via de Ik-heid, de uitgangen des levens zijn’, ofwel de modale zijnsaspecten, via welke voorwetenschappelijke werkelijkheidservaringskennis mogelijk is (Dooyeweerd).
Deze intuïtieve kennis omtrent de innerlijkheid als relatie zien we terug in de dialogische relatiefilosofie van Buber en Levinas. Het is een innerlijke dialogische affectieve relatie van het Leven Zelf en de levende. Het is één en al affect, passie, onder-hevigheid, waarvan de basistonaliteiten lijden en vreugde zijn. Deze innerlijkheid, deze interioriteit, deze dialogische relatie, gaat vooraf aan het kunnen uitstaan naar ‘de wereld’, de extoriteit of ek-stase. Het maakt de extoriteit, de ek-stase en de intentionaliteit en de ervaringskennis daarvan mogelijk.
Henry's benadering kan daarom worden beschreven als een systematische fenomenologie en levensfilosofie. Het is tevens een immanentiefilosofie, maar verrijkt met de erfenis van de transcendentale fenomenologie, (van Husserl en Heidegger, de fenomenologie die uitstaat naar ‘de wereld’, als intentionaliteit), aangezien immanente affectiviteit voor Henry niets minder is dan de voorwaarde voor de mogelijkheid van zowel de wereld als het bewustzijn.
Als immanentiefilosofie ligt nu actueel de uitdaging voor Henry's fenomenologie echter nu toch ook weer in de toepassing ervan op wat zij als transcendent beschouwt, namelijk datgene wat ons wordt gegeven door de afstand van het intentionele bewustzijn: de (veranderende) wereld en wijzelf als intentionele wezens op die wereld gericht.
De nu snel veranderende wereld en wijzelf als intentionele wezens die daarop betrokken zijn: we kunnen hier de relatie bespeuren met de Antropocene ontwikkelingen. De nu rigoureus veranderende wereld (de ene pool) en wijzelf als wezens die intentioneel gericht zijn op die veranderende wereld (de andere pool van deze ‘buiten’relatie). Waarbij deze ek-statische intentionaliteit, deze ‘Ik-Het’-relatie zoals Buber dat noemt, mogelijk wordt gemaakt door de innerlijke affectieve passionele ‘Ik-Gij’-, ‘ik-ben’-, ‘ik-kan’-relatie. Bij Levinas: ‘de ander/Ander’, het transcendentale.
We zouden het kunnen zien als een dubbele wederzijdse en wederkerige relatie, de ervaring tussen innerlijke passies van lijden en genieten en de heil/onheil, goed/kwaad -ontwikkelingen aan de wereldkant. We hebben er ervaring van, het is voorwetenschappelijke ervaringskennis.
Maak jouw eigen website met JouwWeb