Individualisme, individualiteitsstructuur en samenwerkingspotentieel (convivialisme)

De moderne vorm van individualisme is een zeer recente cultuurlijke ontwikkeling, die vanwege het samengaan met consumentisme – en in die combinatie een uitwas is -, niet bevorderlijk is in de aanpak van klima-ecoproblemen. Het individualisme als zodanig hoeft geen uitwas te zijn en heeft evolutionaire papieren in de ontwikkelingsgang van de mens. Het kan gezien worden in een evolutionair perspectief en ontwikkeling van de samenhang tussen autonomie, identiteitsontwikkeling, individualiteitsstructuur, Ipseïteit, Zelfheid, zelfbewustzijn, emancipering van het individu en de typisch antropocentrisch- excentrische positionaliteit, waardoor de mens ‘over zijn eigen schouder’ naar zichzelf kan kijken, en wat (dus) zijn typisch menseigen ambivalentie met zich meebrengt.

Bij Michel Henry (Frans filosoof 1922 - 2002) is de menselijke affectiviteit geïndividualiseerd als datgene wat het vermogen en de kracht bezit om zichzelf te voelen en te ervaren in elk punt van zijn bestaan; het is in wezen onzichtbaar; het bestaat uit een pure ervaring van zichzelf die voortdurend oscilleert tussen lijden en vreugde. Het Leven Zelf, deze interioriteit, is de zelfgenererende zelfervaring die het fundament of de basis is van alle waarheid en betekenis, en die conti-nu gecreëerd wordt als zelfopenbaring van ‘Vader op Zoon’. Vanuit die evolutionair ontwikkelde samenhang omtrent de typisch menseigen individualiteitsstructuur gezien is de recente trend naar het consumentistische individualisme eerder een symptoom en een gelegenheidsoorzaak dan een bronoorzaak van de planetaire ecologische overshoot.

Gerrit Glas (VU, wijsbegeerte) is schatplichtig aan de filosoof Herman Dooyeweerd, die een aspectenleer heeft ontwikkeld. Het volgende is deels overgenomen en ontleend uit (Gerrit Glas, VU-Amsterdam; 2009 https://www.researchgate.net/publication/254904677_Zijn_de_hersenen_oorzaak_van_gedrag ).

De mens vormt een eenheid waaraan tal van aspecten (en deelstructuren) te onderscheiden zijn die onderling een bepaalde samenhang en orde vertonen. Deze aspecten zijn aan de ene kant onherleidbaar (contra het reductionisme), aan de andere kant zijn het geen zelfstandige entiteiten (contra interactionisme), terwijl ze wel een onherleidbare samenhang vertonen. De aspecten beschrijven de kwalitatieve verscheidenheid in de manieren waarop mensen, dingen en gebeurtenissen functioneren tegen de achtergrond van een intuïtie van samenhang (in verscheidenheid), eenheid (van het persoon-zijn) en radicale afhankelijkheid (van de Schepper/het Scheppende). 

De lichamelijkheid is een ‘enkaptisch structuurgeheel’, dat wil zeggen een hiërarchisch met elkaar vervlochten geheel van deelstructuren. In het menselijk functioneren is er dus sprake van samenhang en verscheidenheid. In het samengaan van die twee toont het menselijk bestaan tegelijk eenheid. Ook daarvan hebben we een intuïtie. Natuurlijk is het bestaan vaak verscheurd en zijn mensen ambivalent en verdeeld, ook als het om basale keuzes gaat. Maar die verscheurdheid en ambivalentie kunnen pas als zodanig worden beleefd en gedacht tegen de achtergrond van een nog fundamenteler  besef van eenheid. Die eenheid kan gedacht worden als een referentiepunt in de chaos.

Het gaat het hier over identiteit, per-soon, zelf-heid, ik-heid, (bij Michel Henry Ipseïteit en interioriteit) als eenheid. Deze wordt gekenmerkt door een affectieve individualiteitsstructuur, die per definitie temporeel is, dus veranderlijk. Er is een relatie tussen de blijvende doorgaande identiteitservaring (eenheid) en ervaring van vergankelijkheid, verlies, daadwerkelijke verandering of flux, inclusief karakterverandering, wisselende stemmingen, ambivalent gedrag. En inclusief de exterioriteitservaring, ofwel de ervaring van de verandering van de buitenwereld die zijn wisselwerking heeft op de interioriteitservaring van lijden en genieten, van heil en onheil, van goed en kwaad.

Tenslotte, en meest fundamenteel, ontleent de mens zijn bestaan niet aan zichzelf. In de  meeste letterlijke zin niet: er wordt met elk van ons begonnen, we beginnen ons bestaan niet zelf, het zijn anderen die ons concipiëren. Maar ook in een ruimere zin hebben mensen het  besef dat hun bestaan een oorsprong heeft die buiten de eigen invloedsfeer ligt. Dit besef (‘Scheppende Tijd’) is de basis van allerlei levensbeschouwelijke en religieuze duidingen van het menselijk bestaan.

We hebben dus te maken met drie fundamentele assumpties of intuïties omtrent het menselijk bestaan: verscheidenheid en samenhang van de aspecten; dit tegen de achtergrond van een nog fundamenteler eenheid, namelijk die van het persoon-zijn, en, tenslotte, afhankelijkheid van een bepaaldheid door een oorsprong die buiten ons zelf ligt.

Het menselijk functioneren, of de individualiteitsstructuur zou men in vier typen van functioneren kunnen onderscheiden, corresponderend met een viertal deelstructuren: een fysische, een biotische, en een psychische deelstructuur en tenslotte de actstructuur. De actstructuur omvat, als hoogste structuur, het geheel en is dus in strikte zin geen deelstructuur.

Het waarom van effecten of gevolgen kan worden bestudeerd door te kijken naar (meestal correlatieve of voorwaardelijke) verbanden tussen processen op verschillende niveaus. Maar correlatie is wat anders dan veroorzaking en voorwaarde wat anders dan causatie. Dat er in de werkelijkheid een samenhang is tussen de organisatieniveaus is iets dat door onderzoek kan worden bevestigd. Maar het karakter van die samenhang als geheel, ‘wie alles sich zum Ganzen webt’ (Goethe), blijft ten diepste een mysterie dat filosofisch wordt uitgedrukt in een intuïtie (of idee) van samenhang in verscheidenheid en eenheid. (M.a.w. het is niet-wetenschappelijke, boven-wetenschappelijke intuïtieve basale werkelijkheidservaring).

-

Met deze existentiële individualiteitsstructuur, die het individualisme hoe dan ook overstijgt, is dan de vraag: kunnen we een beweging maken van in het licht van planetaire overshoot van ongewenst individualisme als consumentistische uitwas naar benutting van eventueel nog niet gebruikt samenwerkingspotentieel, ofwel convivialisme? (eerlijk gezegd zie ik niet in hoe er nog ander samenwerkingspotentieel of convivialisme zou kunnen zijn dan dat wat zich door de geschiedenis heen getoond heeft, maar goed, dat even daargelaten). Zo ja, dan is de vervolgvraag: hoe helpend zou het (nog) kunnen zijn, d.w.z. hoe opgewassen zou het nog kunnen zijn tegen de huidige Antropocene ontwikkelingen? En wat voor soort onbenut samenwerkingspotentieel hebben we dan eigenlijk voor ogen? Moeten we ons bijvoorbeeld mierenkolonies als voorbeeld voorstellen?

We kunnen e.e.a. ook zien in het verband van samenwerking&concurrentie. Ik kom uit de tijd van de verzuiling, mijn vader was de gereformeerde bakker op een dorp van 5000 inwoners, er waren 5 bakkers, elke bakker bakte voor zijn eigen verzuilde kring. Het was voor de tijd van het hier bedoelde individualisme, ‘convivialisme’ en samenwerking(spotentieel) deed zich voor binnen de eigen ‘soevereine’ kring, waaronder de gereformeerde gemeenschap. Er was veel jeugd (babyboom) en er werd door de kerk best veel voor de (eigen, gereformeerde) jeugd georganiseerd. Wij, op onze ‘School met den Bijbel’ voerden katapultoorlogen met hun van de openbaren.

Over die mieren gesproken, Midas Dekkers, biologisch wetenschapper, trekt in zijn nieuwste boek ‘het menselijk tekort’ de vergelijkingen met andere dieren. Ook daar blijkt convivialisme of samenwerkingspotentieel te functioneren omdat er concurrentie is. Hij vertelt over de rode bosmier: “Die mieren raken net als wij slaags met andere volken van de eigen soort, voor koningin en vaderland, waar naar behoren bij gesneuveld wordt. Hebben ze er afwijkende meningen of ideologieën? Nee, ze hebben honger. Als mieren in het voorjaar uit de winterrust ontwaken, zoeken de mieren in het nog kale, voedselarme bos naar een naburige mierenstaat die nog niet goed wakker is en leveren iets wat je niet anders dan als een veldslag kunt omschrijven. De vijanden, inmiddels net zo wakker en net zo hongerig als de agressors, worden in de kaken gegrepen en met mierenzuur afgemaakt. Net als in Waterloo rest een – zeker voor de mieren – onafzienbaar slagveld, vol afgebeten sprieten en pootjes. Met één verschil. Gesneuvelde soldaten worden netjes opgegeten. Wij daarentegen gooien het kostelijke vlees van onze soortgenoten in een hongerwinter weg, graf na graf na graf, wij vinden het wel netjes om soldaten (pardon: personeel) af te schieten, op te blazen of zelfs, als de generaal even de andere kant op kijkt, te verkrachten, maar opeten, dat doe je niet. Rode bosmieren verliezen in een oorlog in een paar weken gauw de helft van hun bevolking, maar voorkomen zo de hongerdood voor allemaal. En met honderdduizenden doden is het gevaar van overbevolking in de kiem gesmoord.” Ook een vorm van samenwerkingspotentieel dus, als het eropaan komt.

Zoals geschreven door Gerrit Glas: “We hebben dus te maken met drie fundamentele assumpties of intuïties omtrent het menselijk bestaan (omtrent de menselijke Zelfheid, de individualiteitsstructuur, de Ipseïteit, de interioriteit, de immanente affectiviteit - JL): 1. verscheidenheid en samenhang van de aspecten; 2. dit tegen de achtergrond van een nog fundamenteler eenheid, namelijk die van het persoon-zijn, en, tenslotte, 3. afhankelijkheid van een bepaaldheid door een oorsprong die buiten ons zelf ligt.”

We zouden er nu in het licht van de nieuwigheid van het Antropoceen nog een vierde assumptie of intuïtie aan toe kunnen voegen, die betrekking heeft op onze afhankelijkheid van onze leefbaarheids-achtergrond, onze bedding, ons fysisch-biotisch-ecotische bestaansdecor, onze exterioriteit. Dat, ter onderscheid van Holocene omstandigheden, geen decor meer is maar op het toneel is verschenen. En die onze immanente affectiviteit beïnvloed als zijnde dreiging en onheil.

Hiermee is die vraag omtrent een transitie van consumentistisch individualisme (en andere -ismen, zoals antropocentrisme in de zin van egoïsme) naar benutting van eventueel nog niet gebruikt samenwerkingspotentieel (convivialisme), mogelijk slechts indirect en vaag beantwoord. De evolutionaire ontwikkeling naar de typisch menseigen individualiteitsstructuur zou men misschien eerder kunnen zien bij de bronoorzaken, terwijl men het recente consumentistische individualisme of antropocentrisch egoïsme zou kunnen zien bij de gelegenheidsoorzaken. Immers, pas de typisch mensdierlijke individualiteitsstructuur, met ook zijn centrische/excentrische ambivalentie, maakt negatieve uitwassen en vervreemding (-ismen) mogelijk. Deze lol wordt waarlijk verkondigd in het Bijbelverhaal van de Verloren Zoon. De mieren hebben een andere evolutionaire ontwikkeling doorgemaakt. Maar zij hadden dan ook geen Bijbel.

Maak jouw eigen website met JouwWeb