We zien dat de relatie tussen Antropocene ontwikkelingen en het benodigd cultuurlijk samenwerkingspotentieel zeer problematisch is, terwijl dat type samenwerkingspotentieel en -functioneren uit de cultuursferen moet komen in een natuurcultuurverstrengelde omgeving. Dit terwijl de overmacht in toenemende mate bij de natuursferen komt te liggen, die zowel het goed functioneren als ook het potentieel tot goed kunnen functioneren binnen de cultuursferen afbreekt. Het volgende is denkbeeldig, maar laten we de verschuivende verhouding tussen de onderhevige cultuurlijke samenwerkingsmogelijkheden en de overmachtige natuurkrachten anno 2026 eens 5 op 95 stellen; in 2027: 4 op 96; in 2028: 3 op 97; in 2029: 2 op 98; in 2030: 1 op 99; om in 2031 uit te komen op 0 op 100. Het is maar een beeld, een bij wijze van spreken, maar het gaat om het idee van de richting.
Dit terwijl daarentegen juist de noodzaak tot samenwerking toeneemt. De kans op samenwerking zou in theorie potentieel kunnen toenemen terwijl ondertussen praktisch gezien het vermogen tot toereikende samenwerking relatief gezien t.o.v. de overheersende natuurkrachten afneemt, min of meer vergelijkbaar met de energietransitie: de verduurzaming of beter gezegd ‘verduurzaming’ houdt de toenemende energievraag niet of nauwelijks bij.
Maar het potentieel neemt in de praktijk ook absoluut gezien niet toe maar af. Het bestuurlijk, rechtstatelijk, beheersend vermogen neemt af en daar zijn verklaringen voor, die gelegen zijn in de Haaksheid van de problemen in combinatie met de bronoorzaken. Onmogelijke spagaten zijn onmogelijke spagaten en die nemen wereldwijd rap toe zowel kwantitatief als kwalitatief door de Antropocene ontwikkelingen die worden aangestuurd door al veel eerder in gang gezette overmachtige krachten. Die ontwikkelingen brengen verandering van krachtsverhoudingen met zich mee waardoor zowel de cultuurlijke potentie als het cultuurlijk functioneren voor afdoende aanpak (lees samenwerking op het vereiste mondiale niveau), steeds verder wordt aangetast, naarmate de trends zich voortzetten. We hebben het over natuur-cultuurverstrengelde processen van bovenmenselijke schaal, kracht en duur. Dat is namelijk de betekenis van structureel toenemende planetaire overshoot.
Er zijn, gezien de noodzaak, een onnoemelijk tig aan kwantitatieve en kwalitatieve voorwaardelijkheden nodig waar nu al niet aan voldaan wordt, terwijl zoals gezegd het cultuurlijk potentieel praktisch gezien niet toe- maar afneemt omdat we in verschuivende krachtsverhoudingen zitten. Dit ondanks vele reeds bestaande horizontale, verticale, regionale en internationale samenwerkingsverbanden, zoals de C40 Cities, publiek-private samenwerkingen, Living labs, regionaal ecosysteembeheer en moreel-ethische internet-communities. Maar we weten dat dat allemaal, ondanks de stevige inzet, niet voldoende is om het tij te keren.
Het enige samenwerkingsverband dat nog eventueel enige weerstand zouden kunnen bieden aan de doorgaande hardnekkige ontwrichtende trends op zowel potentieel als op zich reëel manifesterend maatschappelijk functioneren is de samenwerking op mondiaal en geïntegreerd, overkoepelend, multi- en transdisciplinair verband. Een dergelijke samenwerkende wereldgemeenschap heeft zich nog nooit vertoond. Er zou een wereldregering nodig zijn. En het is logisch dat die niet tot stand kan komen, vroeger niet, en al helemaal niet onder het huidige Antropocene gesternte omdat het tegenstrijdig is aan een aantal natuur-cultuurverstrengelde wetmatigheden. We hebben het inmiddels niet meer over omkeerbare processen gezien de aard en kenmerken van het Antropoceen.
We kunnen de trends analyseren, interpreteren en er (min of meer speculatieve) conclusies aan verbinden. Een analyse zou kunnen zijn door de trends binnen het cultuurlijke domein theoretisch naar de functionaliteit van de verscheidene zijnsaspecten te ontleden, betrekking hebbend op het enige niveau dat van belang is, namelijk het mondiale. Ze kunnen niet op regionaal of lokaal niveau maar enkel op geglobaliseerd en geïntegreerd niveau soelaas kunnen t.o.v. onze existentiële leefbaarheidsbedreiging.
We kunnen die zijnsaspecten en hun maatschappelijk functioneren theoretisch uiteenleggen in technologische, logistieke, infrastructurele, economische, financiële, politieke, bestuurlijke, juridische samenwerkingssystemen en verbanden. De functionaliteit van al deze aspecten, zowel afzonderlijk als in hun samenhang, worden zoals gezegd door Antropocene ontwikkelingen aangetast. Zelfs een wereldwijde grondwet, waar Joyeeta Gupta zich bewonderenswaardig voor inzet, heeft op zichzelf, hoe integraal gedacht ook, enkel slechts betrekking op het juridische aspect dat deel uitmaakt van enkel de cultuurlijke sferen.
Bij de theoretische uiteenlegging gaat het om twee samenhangende kwesties: de functionaliteit (functionerende systemen en processen) en potentialiteit (de bovengrens van het zo goed mogelijk kunnen functioneren). Deze samenhang voldoet o.a. aan de volgende wetmatigheid: de functionaliteit kan niet boven de potentialiteit tot functionaliteit uitstijgen. En die potentialiteit (we hebben het hier zoals gezegd over enkel de cultuursferen) wordt naar mijn mening in de toekomst eerder lager dan hoger, door toenemende planetaire overshoot in de natuurcultuurverstrengelde krachtsverhoudingen. Die verschuivende krachtsverhoudingen, waarbij in toenemende mate de overmacht komt te liggen bij de natuurkrachten, werkt determinerend in een voor het cultuurlijke onvrije richting, in zowel het potentieveld als ook in het zich manifesterend realiserend functioneren.
We kunnen de wetmatigheden per aspect bestuderen (de gespecialiseerde wetenschappen doen dat immers, waarbij beseft dient te worden dat dit enkel kan door van de volle holistische werkelijkheid te abstraheren, en wanneer we het willen betrekken op de Antropocene ontwikkelingen steeds weer overkoepelend geïntegreerd zal moeten worden), als ook bovenaspectueel holistisch, waarvoor (dus) overkoepelende wetenschap en procesgerichte metafysica nodig is, en waarbij de menselijke intuïtieve werkelijkheidservaring (deze is naast reëel ook een potentieel) ten volle meedoet, omdat we anders nog steeds slechts in de abstractie vertoeven.
We kunnen de gaande ontwikkelingen zien vanuit verschillende perspectieven, zoals bv. het cultuurlijke perspectief van macht/vermogen (positief en negatief) in combinatie met de evolutionaire wetmatigheden van samenwerking&concurrentie. Zowel samenwerking als ook concurrentie kunnen beide functioneel toenemen, maar dan hebben we het niet over de noodzakelijke benodigde mondiale samenwerking. Immers, op dat niveau zou concurrentie moeten verdwijnen en dat kan niet. Liefdevolle samenwerking zonder concurrentie is een naïeve illusie en toch is die liefdevolle concurrentieloze samenwerking nodig op dat hoogste niveau. We zien dat we in een onmogelijke bovenmenselijke, bovencultuurlijke spagaat verkeren.
Een gedeelde dreiging zou de solidariteit kunnen versterken onder het mechanisme urgentie → bewustzijn → coördinatie → gezamenlijke actie. En we zien dit nu, hoe tegenstrijdig, precies niet mondiaal maar op regionaal niveau gebeuren in de actuele geopolitieke constellatie. En daarmee is die samenwerking betrokken op een bepaald type bedreiging, waardoor juist de prioriteit en de ambitie verschuift naar dat bepaalde regionale en kortetermijn-type dat haaks staat op het mondiale langetermijn-type.
Geld, energie en samenwerkingsvermogen gaan verloren aan dat kortetermijntype. Naarmate dit type bedreiging toenemen, juist ook door de Antropocene spanningsopbouw van de langetermijnprocessen, dan zien we wetmatigheden en fenomenen naar boven komen die metaforisch benoemd kunnen worden als 'de waan van de dag' zien te overleven. Dit zijn wetmatigheden onder het mechanisme van schaarste → wantrouwen → polarisatie → fragmentatie - die Haaks staan op het tegenovergestelde reeds genoemde mechanisme van urgentie → bewustzijn → coördinatie → gezamenlijke actie die benodigd is voor de langetermijnproblematiek. Samenwerkingspotentie, vermogen en functioneren zal van schaal en vorm veranderen, weg van de benodigde schaal en vorm voor de langetermijnproblemen van het Antropoceen. Ook dit is een typerend onderscheidend kenmerk van het Antropoceen in vergelijking met Holocene omstandigheden.
Het ‘OUGHT’ kan theoretisch gezien boven het ‘IS’ uit worden gedacht. De verhouding tussen ‘OUGHT’ en ‘IS’ was in het Holoceen een andere dan nu in het Antropoceen. We moeten er maar het beste van zien te maken.
Maak jouw eigen website met JouwWeb